Zelfs de wind houdt hier z'n adem in

Hij kwam om gin te drinken op een terras met adembenemend uitzicht. Maar de majoor van Mawnan Smith begon aan de kust van Cornwall een vierde leven....

Op zijn zeventigste was good old George Witherwick helemaal uit Surrey naar St. Martin-in-the-Meneage, Cornwall, gekomen om een tuin bloot te leggen die al vijfhonderd jaar niet door mensenhanden was aangeraakt. Een konvooi van zeven verhuiswagens bleef in de ommuurde landweggetjes steken, alleen een veldmuis kon er langs. George kapte zich een pad door het plantaardig bewind, maar hoe woest hij ook kapte, het woud sloot zich weer achter hem zoals de golven achter een schip.

Vorig jaar hebben ze George begraven.

Naar Nigel Holman bij Zelah moest ik gaan. Beslist! Die koesterde immers een Magnolia macrophylla dealbata uit Mexico, waarvan de bladeren wel 75 centimeter kunnen worden. Als mr Holman daar zijn bezoekers langs loodste, kon zijn betoog soms stokken; zomaar, midden in een zin. Dan puilden zijn ogen uit hun kassen, liep zijn gelaat purper aan en zag men hem onder gesmoorde kreten het struikgewas in rennen, met zijn stok de brandnetels geselend die zijn toorn hadden opgewekt. Enkele minuten later keerde hij kalm terug, het schuim van zijn lippen vegend en zijn betoog hervattend alsof er niets gebeurd was. Hoezo, excentriek?

Mr Holman van Chyverton Garden is weduwnaar en heeft een slisje. En twee bellen aan zijn voordeur. Niet dat dát wat helpt. Er stonden twee bolides en een minitractor op de oprijlaan, het ingestorte koetshuis herbergde een vuilnisbelt en na veertig minuten wachten kwam achter de stolpvormige rhododendron een tackeltje aangerend dat kwispelstaartend op mijn achterbank sprong waar nog een halve sandwich lag. Het Victoriaanse landgoed lag er verlaten bij. Spookachtig. Was mr Holman wat overkomen, sinds de kennismaking? Hij dééd al zo schichtig.

'Bijna had ik chief-inspector Wycliffe gewaarschuwd', hoorde ik mezelf nog zeggen - om het ijs te breken. Ook om te laten merken dat wij in Holland om de dooie dood geen Britse detective-serie versmaden. Maar er kon geen lachje af, toen mr Holman zijn handen vouwde over een pullover die de kleur van oude thee had. 'In de tuin hoor ik de bel niet', lispelde hij vermoeid. Hij sloot de ogen. We zaten in zijn study met een luid tikkende pendule.

Mr Holman sprak staccato. 'Ik ben geboren in dit huis. Mijn vader heeft nog drilboren geleverd aan Zuid-Afrikaanse mijnen toen bij ons de tinmijn-business op z'n end liep. Ik heb ook een boerderij, die door m'n zoon gerund wordt. Bezoekers aan mijn tuin kunnen hier alleen op afspraak komen.' Abrupt stond mr Holman op. 'Forry', sprak hij slissend, 'maar nu moet ik even naar de weefee.'

Teruggesloft sloot mr Holman opnieuw de ogen. Minuten verstreken. 'Wilde u nog wat vragen?' murmelde hij tenslotte, verstrooid. 'Ik heb koorts, ziet u. En die is er niet minder op geworden na de groep Duitsers die hier vanochtend was. U moet de tuin maar in uw eentje bekijken.'

En zo liep ik tussen grasklokjes (bluebells) en gele sleutelbloemen naar wat mr Holman 'de mooiste verzameling magnolia's ter wereld' noemde. Het tackeltje rende vooruit, in afwachting van een nieuwe sandwich. 'Zeus', donderde ineens de stem van mr Holman. Het tackeltje droop af.

Als Alice in Wonderland doolde ik langs struweel in technicolor, plukte hier en daar een bougainvillea-achtig blaadje en stopte het behoedzaam in mijn zak. Dan kon ik straks het boek er bij pakken, ter determinatie. Maar toen ik ze na twee dagen weer opdiepte, bleken de blaadjes verlept en onherkenbaar geworden. 'Die mister Hangman', schaterde de eigenaar van het hotel waar ik ingeschreven bleek als mr Hangman. Het hotel had de meest bloemige van alle gebloemde vloerbedekkingen. Mr Hangman kon niets meer gebeuren.

Want twee dagen eerder was ik te gast geweest bij de majoor van Mawnan Smith. In de 'magnifieke, bekoorlijke droomwereld' van Trebah Garden, aan de monding van de Helford-rivier. Palmen. Gazons. Een glooiend palet, omzoomd met voorjaarstinten van subtropisch Cornwall. Je kijkt vanaf het landgoed de diepte in en je bent sprakeloos.

Ah! seaweed smells from sandy caves

And thyme and mist in whiffs,

In-coming tide, Atlantic waves

Slapping the sunny cliffs,

Lark song and sea sounds in the air

And splendour, splendour everywhere.

(John Betjeman)

De majoor is 79 en tanig en heeft de Slag om Arnhem nog meegemaakt. Hij heet Tony Hibbert, maar iedereen noemt hem majoor. In de zon lijkt zijn witte landhuis op een hacienda, trots boven ons oprijzend zodra we afdalen in de heerlijkheid waar tien jaar geleden het onkruid regeerde.

Koi-karpers glijden loom door een vijver met waterval. De majoor wijst op een tweehonderd jaar oude 'grasboom' (Xanthorrhoea preisii), die Australische bosbranden heeft overleefd. Z'n rhododendrons groeien graag uit de stam van boomvarens (Dicksonia antarctica). Volgens oude annalen gedijt in dit ravijn ook een Tasmaanse variant, rond 1890 per zeilschip aangevoerd. Stop je die erfenis van Britse koloniën omgekeerd in de grond, dan groeit de varen als boerenkool.

Bamboe, afkomstig uit Bhutan ('maar dan zonder ellendige colablikjes er omheen zoals je daar ziet'), groeit hier wel twintig centimeter per dag tot een hoogte van twaalf meter. Over een maand is hier één tapijt van narcissen en daarna zullen hortensia's zich als een rivier van blauw en wit door de vallei slingeren.

'Knijp je neus dicht', adviseert de majoor, bij de aanblik van lieflijk ogend geel: dat van de Amerikaanse stinkdier-kool. Kronkeltrappetjes voeren langs een beekje waar Schubert wel raad mee geweten had; langs bomen waarvan bladeren straks op zakdoeken lijken. Er zijn bananen, yucca's, agave's, alöe's, en ook ceders als stemvorken. De prehistorische reuzenrabarber (Gunnera manicata) uit Chili wordt soms vier meter hoog en het blad kan het gewicht van een baby torsen. Eekhoorntjes gingen al voor.

We staan inmiddels bij een vijver vol regenboogforellen, op luttele meters afstand klotst de oceaan. Alleen Trebah-gasten mogen hier 's zomers op het privé-strand tussen de rotsen bakken. Een gedenksteen herinnert aan de junidag in 1944 toen 6500 manschappen zich in de baai bij de rivier inscheepten voor de geallieerde landing op D-Day, in Omaha Beach, Normandië. De meesten keerden niet terug.

Een bries flappert door zijn krijtbleke lokken als de majoor droogjes het bezoek van een groep Duitsers beschrijft. 'Ik vertelde dat ik hier kwam met als ambitie op m'n terras gin te drinken. En om te zeilen. Waarop zo'n Duitser uitriep: ''Ik heb uw huis in de oorlog gezien! Toen ik als commandant van de Luftwaffe met andere Junkers de geallieerde schepen moest bombarderen. Had ik geweten dat u op het terras gin zat te drinken, dan had ik m'n parachute uitgegooid om u gezelschap te komen houden''.'

Maar de majoor zou Trebah pas in 1980 ontdekken, als nalatenschap van een voorname Quaker-dynastie die sinds 1820 nog twaalf tuinen in Cornwall had laten aanleggen. Trebah was een halve eeuw onbeheerd, weggekwijnd. De majoor, zoon van een rubberplanter uit Maleisië, was toen 65, en al meermalen gepensioneerd; na een loopbaan als beroepsofficier, zakenman, wijnhandelaar.

'De hertog van Bedford zei nog tegen me: ''Tony, bouw drie keer zoveel toiletten als je nodig hebt, zorg voor ruime parkeergelegenheid en vooral: richt een goeie tearoom in. Dan is 72 procent van je bezoekers tevreden en zullen ze niet eens merken dat je nog een tuin hebt ook.'' En de hertog van Bedford kan het weten; zijn tuin is goed voor een miljoen betalende bezoekers per jaar. Pàh'

Die middag zal de majoor een lach toveren op de eikenhouten gezichten van een groep Zweden; hij zal vertellen hoe in '33 de Prins van Wales de chef-tuinman complimenteerde met diens bananen. De prins stond erop dat de tuinman een beloning van 150 gulden in ontvangst nam. De volgende dag werd de tuinman ontslagen: de bananen bleken in de groentewinkel van naburig Falmouth te zijn gekocht. En de tuinman had vergeten de stickers er af te halen.

'Ik zal je wat vertellen', zegt de majoor, een Scotch inschenkend. Vervolgens dut hij in. Altijd, bij het Six o'Clock News. De majoor is nu écht aan pensioen toe. Niet meer om half zeven op, 's zondags incluis. Vakantie? Soms een tripje naar het Nederlandse Ede; daar was hij september '44 ondergedoken. Na de mislukte operatie Market Garden.

Als brigade-majoor vierhonderd para's onder zich. Na zware verliezen bij de Rijnbrug op gevangentransport naar Duitsland. Van de truck afgesprongen. Zes kameraden sneuvelden. 'Door mijn toedoen. Dat schuldgevoel blijft.' Tussen operatie Market Garden en operatie Trebah Garden staat majoor Hibberts safehouse in Ede. Als ijkpunt in een propvol leven ('anders was ik toch maar aan gin-vergiftiging bezweken'). Twee vijvers in Trebah dragen de namen van zijn 'pleegdochters Nink & Dink' uit Ede.

Want vanuit Ede smokkelde het Gelderse verzet de Tommies door vijandelijke linies. Ze lagen onder vuur. Met verbrijzeld been lag hij maanden in het hospitaal. Net op tijd om Kiel te helpen bevrijden, alwaar de majoor telefoneerde met de Duitse admiraal Dönitz. 'Tegen de orders in, dus in arrest. Dat was het einde van mijn oorlog. Eh, wil je nog een Scotch? We kunnen hier best een regenbuitje gebruiken. Is het bij jullie ook zo droog?'

Achteloos. In één adem door. En hoe laat ik m'n ontbijt had gewild. Mevrouw Hibbert heeft cake en zalm en thee en een hartelijk woord. Ze heet Eira. Dat is Welsh voor sneeuw. Ze is in een sneeuwstorm geboren. Ze loopt bijna recht.

Als zij me uitwuift, inspecteert de majoor spandoeken voor een oesterfestival. Hij is content met de tekst. Maar onze hoofdprijs? Die gaat tóch naar een etalageruit in Killigrew Street, Falmouth, waar te lezen staat: B. Boreham, familie-slagers. Een slager die gezinnen, families slacht? Dan moet de nood wel hoog zijn, qua BSE en visserijquota. Slager Boreham (what's in a name) woont nota bene tegenover de bloody Parish Church of the Saints.

Een uur rijden verder, langs dromen van binnenwegen, brevieren de gelovigen. Zelfs de wind houdt hier z'n adem in, schreef John Fowles -die van The French Lieutenant's Woman. Zonnehoedjes, ruiten broeken, sandalen, getatoueerde armen, plooirokken en karnemelkwitte benen met busladingen tegelijk. In adoratie. Heligan Manor Garden (heligan = heksenbezem) tussen Pentewan en het haventje van Mevagissey onder St. Austell is een mirakel.

In 1990 lag hier nog 57 hectare bedolven onder een immense deken van braamstruiken, kreupelhout en klimop. De laatste tuinman was in 1915 vertrokken. Wat eeuwenlang het domein was van de lord- and ladyships der Tremaynes, trekt nu een kwart miljoen bezoekers per jaar. In 1990 begon de herrijzenis van de verloren tuinen. Nu pralen er meloenen. Ananassen. Ook exotische gewassen uit China en Japan hadden de vergetelheid overleefd.

Ineens openbaarden zich de Chusan-palm (Trachycarpus fortunei), een kristalgrot, de maagdenhaarboom (Gingko biloba), een genetische bonzai-mutatie en een complete jungle-vallei waar een dorstig makend stroompje kwikzilvert. Het is nu klimmen geblazen, rolstoelers worden in de Italiaanse tuin gepoot. Elsie Mason uit Norfolk, zwaar leunend op een stok, gooit een penny in de wensbron. 'Ik zeg niet wat ik wens. Wat valt híer nog te wensen?' Ze staart naar haar perkament-rimpels in de rimpelloze vijver. 'Je hóórt de magnolia's bijna geuren. Of is het mimosa?'

En dat is allemaal het werk van gewezen tekstdichter-componist-producer Tim Smit. En van machetes en shovels in de handen van zestig man. 'Eén grote familie voor wie het project letterlijk een verlossing betekende', zegt Smit. 'Ex-alcoholisten, ex-junks, werklozen. Ze kwamen overal vandaan. Ik voelde me net de rattenvanger van Hameln.' De gravin van Northumberland, huisvriendin, vindt het 'buitengewoon grappig' dat Tim zo de Britse klasse-barrière doorbreekt.

Truiendrager Smit ontdekte een paradijs waar Daphne du Maurier geen weet van had, toen ze Vanishing Cornwall schreef. Het floratoerisme was nog maagdelijk pril.

Tim Smit, 42 jaar geleden in Scheveningen geboren, trekt nu aandacht als auteur van het schitterende boek The Lost Gardens of Heligan. Een bestseller (vijftigduizend verkochte exemplaren), terwijl hij zeven jaar geleden amper een krokus van een paardebloem kon onderscheiden. 'Ik ben net een kameleon', zegt Smit in zijn kantoortje. 'Ik kan net zo makkelijk op een kasteel wonen als in een achterbuurt van Brixton. Maar liever niet in Nederland. Daar heb je geen ruimte to swing a cat.'

Op kostschool (want een Engelse moeder) bleek dat de juiste instelling tegenover de arrogantie van zijn klasgenoten. Sinds hij wat rock 'n roll uit de piano ramde, kon hij geen kwaad meer doen. Hij werd archeoloog. Antropoloog. Stortte zich op muziek. Werkte met Barry Manilow, Louise Tucker, Mireille Mathieu en Twiggy. En raakte na 25 keer verhuizen verliefd op Heligan. Hij is met z'n gezin in de buurt gaan wonen, op een landtong in zee.

'Een studiegenoot had het landgoed geërfd, maar zag op tegen de restauratie. Toen ik hier kwam kijken, kwam m'n jeugd bij opa en oma in Cheshire weer boven. Heel gelukkige jeugd. Dat gaf de doorslag.' Met een Hollandse havanna ('ik voel me Brits, behalve als Oranje tegen Engeland speelt') blaast Smit zich geamuseerd door het hoofdstuk fundraising heen. Want geld lospeuteren is zijn specialiteit. Op alle niveaus. En in zes talen, als het moet.

'Tim is een onstuimig genie', had majoor Hibbert al gezegd. 'Op zijn manier.'

Dat zal de wereld weten. Met het Millenium in zicht krijgt Cornwall boven een oude kleiput in de Cornish Alps er nog eens de grootste ecokas ter wereld bij. 'Mijn partner John Nelson en ik willen in ons Eden Project de ontstaansgeschiedenis van de wereld laten zien', zegt Tim Smit. 'En onder glas het verhaal vertellen van plantengroei in drie verschillende klimaten. Van tropisch regenwoud tot toendra en zelfs woestijn. Het wordt razend spannend of ik de zaak rondkrijg met de bank. En met de National Trust.'

Enthousiasme werkt. Smits oudste zoon is al gestrikt voor de tuin. Maar zijn vrouw blijft gewoon binnenhuisarchitecte. Heligan, zegt Smit dromerig, is een manier van leven. 'Mocht iemand hier vernielingen aanrichten, dan zijn onze mensen tot moord in staat. Echt'. Een minuut later maakt hij aanstalten zijn secretaresse te wurgen. Ze grimast; er staat alwéér een meneer met een attachékoffertje op de drempel. Hij zal niet de laatste zijn. 'Amazing', zegt een gepensioneerde bezoeker uit Birmingham in de aangrenzende tearoom. 'Amazing job they did here.' Hij steekt een suikerzakje of vier in zijn zak. Zijn broekspijpen eindigen, even onder de knie, als bobbels in zijn wollen kousen.

Hij draagt zo'n zomerhoedje net als wijlen Betjeman, de dichter. Langs hoge hagen schuifelt hij gearmd met zijn vrouw richting 'Bed & Breakfast'. Ik zie een arm gebarend omhoog gaan. Ik versta ze niet. Want Lark song and sea sounds in the air. And splendour, splendour everywhere.

Meer over