Wie wil kan 's ochtends vissen

TER gelegenheid van de Boekenweek 1997 verscheen een heruitgave van de Schoolkatechismus uit 1948. Het befaamde rode omslag met plechtige gouden belettering en de 548 vragen en antwoorden daarachter, vormende de korte samenvatting van de leer der H....

Nummer 7: 'Is er meer dan één God? - Er is maar één God.' Nummer 288: 'Wat moeten wij doen om met veel vrucht te communiceren? - Om met veel vrucht te communiceren moeten wij onze voorbereiding en dankzegging goed verzorgen.' Nummer 433: 'Wat is bijgeloof? - Bijgeloof is: aan een persoon of zaken een bovennatuurlijke kracht toekennen, die zij niet bezitten.'

Misschien is het inbeelding van onderstaande en is de vormgever zonder voorbeeld aan de slag gegaan, maar zelfs dan blijft het frappant dat De joden van Nachoem M. Wijnberg is gestoken in een rode kaft waarop de gouden letters onmiddellijk de aandacht trekken. Het boek speelt 'ergens tussen 1940 en 1950' en bevat honderden vragen over God, engelen, kippen, de dood en de jood van den beginne tot in de toekomst. Ook hier worden dikwijls met bevreemdende beslistheid antwoorden verstrekt. Pagina 45: 'Waarom vinden joden water zo belangrijk? - Een niet-jood die zich ongerust of geschrokken voelt wordt toch ook aangeraden een bad te nemen. Of iemand geeft de niet-jood een glas water.' Pagina 98: 'Welk lichaamsdeel zou je opgeven om niet van haar verbannen te worden? - Welk lichaamsdeel van mij of van haar?' Pagina 135: 'God studeert alleen? - Als ik mij de uiteindelijke sabbat voorstel denk ik dat Hij een studievriend heeft. Maar ik kan mij niet goed voorstellen hoe die studievriend eruitziet. Misschien is het de kip.'

Joden weten nooit wanneer genoeg genoeg is, zegt het personage Walter Benjamin in De joden, en in die zin heeft Nachoem Wijnberg een typisch joods geschrift afgeleverd. Recht in de leer, zogezegd. Iets anders is dat het genre van de roman ook bepaalde wetten met zich meebrengt. Wijnberg werpt zich immers niet op als rabbi.

De titel is een vondst. Wie heeft in de afgelopen halve eeuw het lef gehad een boek De joden te noemen? De keuze van de tijd en plaats (drie hoofdstukken genaamd Moskou, Berlijn en Vlakte) is op zijn minst intrigerend. Bovendien dragen de personages namen die je doen handenwrijven: Stalin, Beria, Heidegger, Benjamin.

Komen we bij de handeling. In korte samenvatting is daar slechts ontzag voor op te brengen. Het idee is van goud: Hitler is in 1934 afgetreden (Benjamin: 'Het laatste wat hij mij voorstelde was een muur dwars door Berlijn heen'), Martin Heidegger is hem opgevolgd als Rijkskanselier, onderwijl hebben vice-kanselier Walter Benjamin en kornuiten het voor het zeggen in het Duitse rijk.

Verderop willen Stalin en Beria graag weten of er in Duitsland sprake is van een joodse samenzwering. Ze zenden twee spionnen naar Berlijn: de poppenkastspeler Salomon Maimon en de toneelspeelster Natalia Gontsjarova.

Je moet er maar opkomen. Wijnberg schetst in de opening van De joden het stalinistisch tijdperk met de eigenzinnige humor die hem in zijn poëzie en de roman Landschapsseks (1997) typeerde. Iedereen praat Stalin naar de mond, terwijl die louter monosyllabisch brabbelt. Vliegensvlug moet zijn omgeving interpreteren wat de grote leider uitstoot, en daar direct naar handelen. Wordt er gesproken met Beria en de voorzitter van de commissie die de samenzwering onderzoekt over 'de toekomstige wereld', de heilstaat waarnaar de communisten reikhalzend uitkeken, en zegt Stalin ineens 'Vissen', dan haakt Beria subiet in: 'Niemand hoeft werk te doen dat hem beschaamt omdat iemand anders het werk beter kan doen maar iemand hem iets te doen wil geven. Wie wil kan 's ochtends vissen en 's middags jagen.'

Voorzitter: 'Of omgekeerd.'

Beria: 'Zegt u altijd het eerste wat u invalt?'

Voorzitter: 'Ik zal proberen voorzichtiger te spreken. Ik dank u voor uw goede raad.'

Beria: 'Ik gaf u geen goede raad.'

Dwaze toneelstukjes laat Wijnberg opvoeren, des te wranger omdat er in de Sovjet-Unie sprake is van een 'theaterverbod'. Aldaar is het ernstige spel begonnen, van de dictatuur die schermt met een 'toekomstige wereld' waarin alle barrières zullen zijn geslecht. Het is enkel nog zaak daar even naartoe te werken.

Vervelend om te moeten zeggen, maar Wijnberg slaagt er niet in die toon vast te houden. De verbazing die je aanvankelijk ten deel valt over het korte tik-tak-spel van de conversatie tussen al die historische namen, verglijdt in vermoeienis over de uitgesponnen sofismen waarmee Walter Benjamin en een stelletje joden de talmoedische wetten uit de doeken doen.

Dan was de Schoolkatechismus, hoewel minder humoristisch (maar ook zonder dat oogmerk opgezet), een beduidend fermere handleiding.

De meest krankjoreme redeneringen en verklaringen vliegen je om de oren - omtrent tijd, vrijheid, de eerste mens, Jeruzalem - en het scenario dat Wijnberg optekent van het Duitse rijk onder Heidegger/Benjamin (deze combinatie denken grenst reeds aan onzindelijkheid), is onheilspellend.

De twee spionnen melden Benjamin uit Rusland te zijn gevlucht vanwege de onderdrukking van het theater. 'Jullie zijn in de verkeerde richting gevlucht', antwoordt de vice-kanselier: 'Wij zijn nu juist bezig het theater definitief af te laten sterven.' Alle verwarrende regels en voorschriften, de 'verzorgde ballingschap' die acteurs in het vooruitzicht wordt gesteld, en de 'kampen' waar oude joden heen mogen aan wie het leger niets heeft, doen het ergste denken.

Ironie van de auteur? Sublieme zelfspot? Een talmoedische tragikomedie, zoals het achterplat opschept?

Geen flauwe notie.

Nachoem Wijnberg heeft een roman geschreven die verzandt in zinnetjes, vragen en mini-parabels die je doen duizelen. Er zitten kleine pareltjes in de tekst, maar je moet ze uit het logge tekstplakkaat pulken dat op de spitse opening volgt. Wijnberg raakt de weg kwijt - of in elk geval verloor hij onderweg deze lezer.

Kan het kloppen dat hij een beeldende uiteenzetting heeft willen geven over de beperkte vrijheid van de mens, welk (politiek of bovenaards) geloof die ook aanhangt?

Bij God, ik weet het niet. 'Vormloosheid is als een dunne groene lijn die de wereld omsluit. Het donker ontvouwt zich uit die groene lijn.' Waarom groen? Het mag van mij, maar waarom zegt Walter Benjamin dit? Wil Wijnberg iets zeggen over de willekeur van de schepping? Waarom laat hij ons zo aan ons lot over?

Omdat Wijnberg geen rabbi is, kan ik het hem niet gaan vragen. Ik diende zelf nog een poging te ondernemen. Omdat kennis van de genoemde filosofen en machthebbers bitter weinig toevoegde aan het begrip van De joden, heb ik nog een moment getracht hun namen te beschouwen als toevallig corresponderend met de bestaande wereldgeschiedenismakers. Immers, iemand kán een roman schrijven waarin ene Martin Heidegger voorkomt, zonder dat daarmee dé Heidegger wordt bedoeld.

Tja, maar geldt dat dan ook voor Hitler, Stalin en de anderen?

Bij wijze van experiment. Ja. Dat moet kunnen.

Kort en goed, ook door die lezing werd het boek niet begrijpelijker. Het monotone vraag-en-antwoorden, of vraag-en-verder-vragen is en blijft dodelijk voor de handeling, voor het verhaal, voor datgene kortom wat Nachoem Wijnberg met zijn alleraardigste gegevens had moeten aanvangen, voordat het een roman was geworden.

De joden is geen roman. Het is een conference die zo lang duurt dat het uithoudingsvermogen van het publiek onduldbaar op de proef wordt gesteld. Een handjevol Witzen kon desondanks worden genoteerd, alsmede enige poëtische passages.

Al met al een schrale dankzegging, maar die komt voort uit onvrede over de verzorging die Wijnberg zijn voorbereiding heeft gegeven. En zoals iedere (oud)-katholiek weet: die is nodig voordat er met veel vrucht kan worden gecommuniceerd.

Meer over