Wie wij zijn, dat weten we vooral dankzij de dieren

Proeven met dieren, vivisectie, genetische manipulatie – het zijn praktijken die in sommige kringen zoveel weerstand oproepen dat de labs waar ze gebeuren, vaak streng moeten worden beveiligd....

Alleen al daarom is het aardig dat Jim Endersby, een Britse wetenschapsfilosoof, nu eens laat zien dat de moderne biologie, en in het bijzonder de genetica, ondenkbaar zou zijn geweest zonder experimenten aan planten en dieren.

Hij doet dat door de geschiedenis van het vak te beschrijven vanuit het perspectief van die planten en dieren, of beter gezegd: de modelorganismen. De sterren van A Guinea Pig’s History of Biology zijn dus de passiebloem, de fruitvlieg, de zandraket, de worm C. elegans, de cavia en de zebravis. Zij demonstreerden hoe evolutie en erfelijkheid werken, wat chromosomen en genen zijn en wat ze doen.

Wat maakt een goed proefdier? Een beest dat makkelijk en goedkoop te houden is, zich snel voortplant en past bij de onderzoeksvraag. Zo zijn fruitvliegen ideaal voor erfelijkheidsonderzoek (snel te kweken plus simpele genen) en zebravissen om ontwikkelingsbiologie live te observeren (transparante eitjes en embryo’s). Voor medicijnenonderzoek heb je echter meer aan zoogdieren die lijken op de mens, zoals de rat en de muis.

Endersby laat zien hoeveel tijd en moeite het kweken van modelorganismen vaak heeft gekost. Onderzoekers bleven daarom soms doorwerken met ‘hun’ plant of dier, al was dat voor hun vraagstelling het verkeerde organisme.

Zo ‘bewees’ Angus Bateman met fruitvliegen dat de voortplantingsstrategieën van de seksen verschillen: mannen concurreren met hun goedkope zaad om zoveel mogelijk vrouwen, vrouwen zijn vanwege hun kostbare eicellen juist kieskeurig. Deze populaire theorie bleek dubieus toen onder meer bij apen promiscue vrouwen werden gevonden en mannen die vooral druk bleken met het bewaken van die vrouwen. De theorie is echter onuitroeibaar, aldus Endersby.

Elk nadeel heeft evenwel zijn voordeel. Zo zag Hugo de Vries begin 20ste eeuw bij de grote teunisbloem sprongsgewijze veranderingen (door specifieke recombinatie) ten onrechte voor mutaties aan. Een doodlopende weg, bleek later. Maar zijn experimentele aanpak leidde wel tot een revolutie in de biologie, en bevorderde via een omweg de moderne genetica.

Omgekeerd heeft die moderne genetica het proefdierwezen ook gerevolutioneerd, dankzij genetische manipulatie. In 1985 patenteerden onderzoekers van Harvard OncoMouse, de eerste transgene muis, met een ingebouwd menselijk borstkankergen. Sindsdien zijn er honderden ‘genmuizen’ bijgekomen. Modelorganismen hoeven niet meer eindeloos moeizaam te worden gekweekt. Ze worden nu simpelweg gemaakt.

Ben van Raaij

Meer over