Wie niet sterk is moet schelm zijn; AVONTUREN VAN DE COSTERS TYL ULENSPIEGEL OPNIEUW VERTAALD

DE GEBOORTE van de moderne beschaving, het afscheid van de middeleeuwse barbarij. Zo moet Charles De Coster (1827-1879), leraar Frans in Brussel, de zestiende eeuw hebben bezien....

ARJAN PETERS

De Coster zal als docent hebben ervaren hoe je het publiek bij de les dient te houden. Sier je verhaal op met bloedstollende avonturen en ondeugendheden, en je krijgt de moraal er zonder morren ingeramd. Schrik niet terug voor schmieren, trek onbezwaard het register open met clichés over de Middeleeuwen. Te droes, wat waren de mensen toen simpel, onbehouwen en onkuis. Wat hamer, hoe ongemanierd was hun taal, en hoe wreed waren de lijfstraffen die op het marktplein werden voltrokken, ter afschrikking en ter verlustiging.

En hoe een alleraardigste bezigheid is het voor De Coster geweest die oude wereld in zogenaamd antieke taal te doen herleven. Zolang je maar op de juiste plaatsen laat doorschemeren welke waarden het kwaad zullen overwinnen - arbeid, rust, huiselijk geluk, de vrijheid van meningsuiting en geloof -, opdat je bent ingedekt tegen mogelijke aanvallen van puriteinen en zedenprekers, dan kun je je wentelen in een smeuïge en bijwijlen ranzige geschiedenis.

De schrijver heeft zelf niet meegemaakt dat zijn epos een groot succes werd. Toen hij stierf, was de eerste druk lang niet uitverkocht. Vergeefs had de uitgever geprobeerd de onverkochte exemplaren voor een tweede druk te laten doorgaan door er nieuwe etsen tussen te stoppen en de titel tot middeleeuwse proporties te verlengen: De Legende en de heldhaftige, vrolijke en roemruchte avonturen van Ulenspiegel en van Lamme Goedzak in Vlaenderlandt en elders.

Pas rond de eeuwwisseling werd het boek populair en verschenen er tal van edities, voor volwassenen en kinderen, vaak met velerlei aanpassingen en weglatingen. Corrupte edities, noemen hedendaagse bezorgers dat streng. Terug naar de bron, luidt hun leuze. Weg dus met de Uilenspiegel-boekjes die wij uit onze jeugdjaren kennen en waarin de schavuitenstreken het volle pond kregen.

Chris van de Poel vergast het Nederlandse publiek, dat het totaaloverzicht al kwijt is sedert de proeve die Theun de Vries twee jaar na de bevrijding afleverde, op een nieuwe complete vertaling. Daar zit je opeens met een foliant van zeshonderd pagina's op schoot. De jolijt en welkome onwellevendheid die je nog bijstaan (scheldwoorden, blote billen, bekkentrekkerij) vind je wel terug, maar de eendimensionale flierefluiter Ulenspiegel blijkt nu, in deze van alle corruptie ontdane versie, veel minder louter levensgenieter.

De Legende zoals die thans voor ons ligt, is bovenal het verhaal over de macht en kracht van de taal. De inquisitie, door voze papen destijds eens temeer gesteund omdat er geld mee te verdienen was (voor het aanbrengen van een ketter werd een bedrag uitgeloofd, en diens have en goed konden na de openbare verbranding van de afvallige worden ingepikt), werd vanaf het preekgestoelte met vuur verdedigd.

In Brugge ging pater Cornelis Adriaensen tekeer. De Coster leidt deze scène op zijn beurt herderlijk in door de man te karakteriseren als 'een vuil, eerloos, heftig en bits prediker', maar gooit alle remmen los door Cornelis vervolgens een monoloog te gunnen van vijf hemeltergende bladzijden over de stinkende Calvijn 'met zijn langgerekt smoel gelijk een oude wijnzak', de smerige ketters die weigeren zich te onderwerpen aan 'de Heilige Kerk van Romen', en die katholieken die niet openlijk ten strijde trekken tegen de hervormden en geuzen: 'Foei, Brugghelingen! Dat is wel zeer katholiek van jullie, bloodaards en lafbekken! Schande over jullie, kippen, eenden, ganzen, kalkoenen die jullie zijn'

Honderden bladzijden verder is deze Cornelis door de geuzen in de kraag gevat. Hij wordt als een beest vetgemest door Lamme Goedzak, maar in plaats van het hoofd te buigen en zijn zonden te belijden, brult hij het uit: 'Jullie komen allemaal voort uit de alkoof van Lucifers vrouw, die gedoemd was om met Satanas te wonen tussen muren vol ongedierte, achter gordijnen vol ongedierte, op matrassen vol ongedierte.'

Het loopt allemaal goed af, dat weten we al, en anders is De Coster de eerste om ons daar nog eens op te wijzen, maar toch is de siddering die Cornelis met zijn woorden moet hebben gewekt, nog voelbaar. Dat is de boze kracht van de taal.

Hier tegenover staat uiteraard Ulenspiegel, die het goede prijst en de mensen een lachspiegel voorhoudt, die heeft moeten toezien hoe zijn vader Claes ten onrechte als ketter is verbrand en moeder Soetkin verzwakt door folteringen de laatste adem uitblaast, alvorens begraven te worden op de dodenakker. Altijd hebben deze twee kinderen Gods vroom geleefd en ootmoediglijk achter de eg gezwoegd, terwijl ze er blijmoedig een vrolijk lied bij zongen.

Dat staat gekerfd in de herinnering van Ulenspiegel, die heeft gezworen wraak te nemen, en niet te rusten voordat hij de deugdzaamheid heeft hervonden, dwars door 'de dood, het puin en de tranen' die het Vlaanderland van de zestiende eeuw teisterden.

Wie niet sterk is moet schelm zijn, concludeert de lezer uit Ulenspiegels lotgevallen. Een slimme schavuit redt zich uit penibele situaties door middel van zijn radde tong.

In de nabijheid van Keulen werkt Ulenspiegel als knecht bij Jan de Zuursmoel, die hem opdraagt alle hennep te beschijten, want dat gewas dient 'tot galg en tot rad' (namelijk bij verhanging). Zit Jan aan de dis en vraagt hij om zennep (mosterd), dan verstaat Ulenspiegel hem opzettelijk verkeerd, en zet de Zuursmoel een pot uit eigen achterste bescheten mosterd voor. Deze is niet gek: 'Dacht je bijgeval dat onze snotkoker van staal is?' Ik heb vol verachting op de zennep gescheten, zegt zijn knecht olijk, want dat was toch de opdracht?

Gieren geblazen. Of het nu waardinnen zijn, deerntjes, blinden, eenogigen, kreupelen, bochelaars, snotterigen, hoesters, koortslijders, koningen, keizers, predikanten of een 'oud wijf met een smoel vol gaten als een schuimspaan': iedereen laat zich om de tuin leiden door die rekel, die de taal niet gebruikt om anderen in het verderf te storten (tenzij voor het goede doel: 'Men rukke de hertog de darmen uit! Men slingere hem dezelve in zijn snuit'), maar wiens oogmerk immer is dat de duivelse geesten over de kling worden gejaagd en de goedmoedigheid niet langer kan worden beknot.

In dat licht moet ook het duel gezien worden tussen Tyl en de magere, wrede en reuzige Hoogduitser Riesenkraft, die in toorn is ontstoken als onze rakker hem van zijn brandewijn heeft beroofd. De mof betreedt het strijdperk gans geharnast op zijn strijdros, de Belgenzoon daarentegen heeft een schone krop salade op zijn kop, tot ros dient hem een ezel en als degen draagt hij een bezem van sparrentakken. Zijn kuras is één en al zwakke stee. Riesenkraft vloekt alle duivelen uit de hel, van zins de potsenmaker het hoofd te splijten, 'om een iegelijk te bewijzen dat zijn kop niet dan zaagsel bevat'.

De uitkomst is bekend. Ulenspiegel daagt hem uit met tergende woorden, trekt leipe bekken, steekt zijn tong uit, borstelt Riesenkrafts gezicht met zijn bezem en krijgt de gigant op de knieën. 'Roep om genade', blijft Ulenspiegel roepen, 'of ik jaag mijn bezem door je strot.' Doch de schuimbekkende Duitser kon niet meer roepen, want hij was reeds bezweken van blinde razernij. God hebbe je ziel, arme dolleman!, zegt Ulenspiegel. 'En in weemoed verzinkend toog hij heen.' Dat wij niet denken dat Tyl dit allemaal zo plezant vond. Want eigenlijk is het natuurlijk te triest voor woorden.

De Coster schreef zijn lofzang op de burgerlijke deugden, dat schild waarop despotisme en wreedaardigheid ten langen leste afketsen, in 1867. De eeuw van het Verdriet van België en ommelanden moest nog aanbreken. De 'matige' deugden Zuinigheid, Levendigheid, Eetlust, Gezonde Wedijver, Mijmerzucht en Liefde hebben de afgelopen honderddertig jaar hun gezag meer dan eens moeten afstaan aan de hoofdzonden.

De engelenzang aan het slot van De Legende, kwelende dat voor de wereld 'het uur van vree' is aangebroken, kan heden slechts als een altmodische utopie worden gelezen. Wij kennen de onbezorgde vrede alleen nog als de verwachtingsvolle woorden uit dit oude boek. Over het 'middeleeuwse' patina dat De Coster kunstmatig aanbracht, is dat van zijn hoop komen te liggen - en die is niet minder artificieel gebleken. Wij kunnen slechts geloven in de begoocheling van de taal, niet in de verwerkelijking van de wonderen die daarin zijn uit te drukken.

Ulenspiegel noemde zich heer van Geenland en de bezitter van vijfentwintig bunder maneschijn. De tijd heeft die clowneske dwaasheid een recht weemoedig aanschijn gegeven. Geenland is op geen kaart of globe te vinden. Het is een gebied dat door geen snode veroveraar valt in te nemen. Zotte verwachtingen en loze beloften mogen er onbedreigd ontbotten. Geenland is het rijk van de literatuur geworden.

Arjan Peters

Charles De Coster: De Legende van Ulenspiegel.

Vertaald uit het Frans en van een nawoord voorzien door Chris van de Poel.

Houtekiet/De Prom; 584 pagina's; * 49,90.

ISBN 90 5240 458 5.

Meer over