Wie Kerst of Hanuka viert ís misschien beter, maar wordt het er niet door

Godsdienstige mensen zijn gezonder. Dat weet iedereen, maar is het ook wetenschappelijk bewezen?..

‘God is goed voor je’. Het is een stelling die in deze donkere dagen voor Kerstmis nog veel gehoord zal worden: mensen die in God geloven, zijn gezonder en leven langer dan mensen die daar zo hun twijfels over hebben. Volgens aanhangers van de stelling is er zelfs overstelpend wetenschappelijk bewijs voor.

Wie daarnaar gaat zoeken, wacht echter een teleurstelling. Er wordt wel veel beweerd, ook in wetenschappelijke bladen, maar echt degelijk onderzoek is er amper.

Artikelen die stellen dat er talrijke artikelen zijn, zijn zeker talrijk. De Amerikaanse arts/onderzoeker Harold Koenig bijvoorbeeld stelde in 2000 in een essay voor de studenteneditie van de Journal of the American Medical Association (dl. 284, p. 1708), dat er al meer dan 350 studies waren gedaan naar het verband tussen gezondheid en religie en dat daarvan ‘de meerderheid’ een positief verband aantoonde. Kort daarvoor had Koenig al een boek gepubliceerd, The healing power of faith, waarin hij hetzelfde verklaarde en vertelde dat hijzelf Gods kracht had gevoeld dankzij enkele wonderbaarlijke genezingen.

In hetzelfde jaar schreef de Amerikaanse psycholoog Fred Luskin een overzichtsartikel in de Journal of cardiopulmonary rehabilitation (dl. 20, p. 8-15), waarin hij concludeerde dat ‘bijna alle studies die het effect van godsdienstigheid meten, een positieve uitkomst hebben’. Ook zijn werk mondde uit in een boek, Forgive for good, waarin hij het geheim van goede gezondheid vooral in vergeving zocht.

Er liggen dus twee vragen. Is er werkelijk zoveel onderzoek naar het verband tussen religie en gezondheid gedaan, en meldt al dat onderzoek consistent goede resultaten?

Beide vragen blijken te worden beantwoord in een studie van Richard Sloan en Emilia Bagiella, beiden van de Columbia-universiteit in New York, die zij in 2002 publiceerden. Hun antwoord is: ‘Nee.’

Het meeste onderzoek waarnaar aanhangers van het gezonde geloof naar verwijzen, gaat niet op de echte kwestie in. Het gaat bijvoorbeeld over verschillen in gezondheid tussen mensen van verschillend geloof. Of het laat zien dat Nederlandse zevendedagsadventisten, die niet roken, minder aan kanker en hart- en vaatziekten doodgaan. Of dat vrouwen met een moeilijke zwangerschap vaker bidden – dat telt ook niet. Over het hele jaar 2000 vonden Sloan en Bagiella 266 artikelen over gezondheid en godsdienst, maar daarvan probeerden er maar 42 echt een antwoord te geven op de brandende vraag.

Een van die artikelen was het al genoemde overzichtsartikel van Luskin, en dat namen zij daarom eens nader onder de loep. Vrijwel alle artikelen waarnaar Luskin verwijst, blijken wetenschappelijk ondeugdelijk. Er ontbreekt vaak een controlegroep, de maten voor ‘verbeterde gezondheid’ worden niet goed gedefinieerd, er wordt geen rekening gehouden met verschillen tussen de onderzochte groepen, enzovoort, enzovoort.

Sommige onderzoekers nemen in hun ijver zoveel maten van goede gezondheid mee, dat er altijd wel een paar, puur door toeval, positief uitvallen. En Luskin schroomde niet sommige resultaten wat mooier voor te stellen dan ze waren. ‘Elk van de twaalf studies die volgens Luskin laten zien dat godsdienstige activiteit goed is voor hart en vaten, had belangrijke gebreken.’

Het dikke Handbook of religion and health uit 2001, van niemand minder dan Harold Koenig, bleek dezelfde problemen te hebben. Koenig noemde een studie al positief als daarin één gezondheidsmaat goed uit de bus kwam, en hij was erg mild over de wetenschappelijke kwaliteit van de artikelen.

Natuurlijk, er waren wel een paar positieve, en redelijk uitgevoerde studies – al ging de sterkste over meditatie en de bloeddruk van zwarte Amerikanen – maar dat waren er toch te weinig om de balans te laten doorslaan. Er is dus, besluiten Sloan en Bagiella, ‘weinig bewijs om de stelling te ondersteunen dat er gezondheidsvoordelen kleven aan religieuze activiteit.’

Wie de komende tijd Kerst of Hanuka of Offerfeest of wat dan ook gaat vieren, wordt daar misschien een beter mens van, voor de eigen gezondheid levert het waarschijnlijk weinig op. Maar daar moet het gelovigen natuurlijk ook niet om gaan.

Meer over