Wetenschapswinkelier snuffelt aan groot geld

De onderdrukte groepen van weleer moeten tegenwoordig flink betalen voor onderzoek door een wetenschapswinkel van een universiteit. Ze hebben immers toch geld genoeg....

TWINTIG, vijfentwintig jaar geleden was het allemaal een stuk simpeler. Stank was niet een kwestie van overschrijding van ingewikkelde geurdrempels en emissie-eisen, maar een probleem van verpletterende eenvoud. Stank stonk. Zo was dat. De fabriek moest daar onverwijld wat aan doen, en zo niet, dan moest de boel maar dicht.

Als extraatje bevatte de onderzoeksrapporten van menige wetenschapswinkel ongevraagd een analyse van de kapitalistische machtsverhoudingen. 'Ik heb gezien dat studenten eerst namens de wetenschapswinkel onderzoek uitvoerden voor een buurtgroep, en vervolgens in de actie gingen meedoen', zegt drs. Dick Schlüter, coördinator van de Wetenschapswinkel aan de Universiteit van Twente.

Aan de Nederlandse universiteiten bestaan 33 wetenschapswinkels, de meeste al twintig jaar of langer. Ze zijn van oorsprong een product van de democratisering van de universiteit aan het einde van de jaren zestig. In eerste instantie werden louter studenten en vrijwilligers ingeschakeld, maar later ook betaalde krachten.

Studenten zouden zo leren werken met maatschappelijke problemen, terwijl niet-commerciële organisaties profijt konden trekken van wetenschappelijke kennis, zo was de gedachte. Toch zijn het nu geen reservaten voor verstokte ideologen, die een kwakkelend en marginaal bestaan leiden, zo bleek vorige week tijdens een landelijke studiedag aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

De wetenschapswinkels zijn met de tijd meegegaan. 'We komen om in de vragen', zegt Schlüter, 'maar tegenwoordig gaan we in geval van stank gewoon rekenen, komen met technische oplossingen, praten met het bedrijf en trachten vastgelopen verhoudingen tussen gemeente, bedrijf, buurtgroepen en milieuorganisaties vlot te trekken.' Nog steeds is het uitgangspunt om 'onderdrukten en kansarmen' met wetenschappelijk onderzoek te helpen, maar sinds de polariserende dogma's en radicale onverzettelijkheid van eind jaren zeventig begin jaren tachtig naar de achtergrond is verdwenen, zijn de binnenstromende vragen een stuk zakelijker geworden.

Dat geldt niet alleen voor winkels van exacte wetenschappen als chemie, natuurkunde en geneeskunde, maar ook voor sociale wetenschapswinkels. 'We opereren met minder bombarie en hanteren niet meer de ideologie van 'wij-zijn-allemaal-gelijk', zegt drs. Mirjam Smulders, coördinator 'arbeid en gender' van de wetenschapswinkel van de Katholieke Universiteit Nijmegen.

'We gebruiken juist onze afstand om bijvoorbeeld het probleem van een vrouwengroep onder de aandacht te brengen bij de gemeentelijke geestelijke gezondheidszorg. Dat is leuker en constructiever dan de oude conclusie: de vrouwengroep zit in een slachtofferpositie. Wat dat betreft pakken we het onderzoek meer aan zoals een bureau als McKinsey het zou doen', aldus Smulders.

De eertijdse kritiek van de winkels richtte zich behalve op de maatschappij ook op de universiteit, die te veel waardevrij onderzoek vanuit de ivoren toren verrichtte. 'In zekere zin zijn de rollen nu omgedraaid', zegt drs. Karin Ree van de Chemiewinkel van de Rijksuniversiteit van Groningen. 'Het gangbare wetenschappelijk onderzoek is sterk vercommercialiseerd en uitgeleverd aan de grillen van de derde geldstroom. Wij proberen onze studenten daarentegen juist meer academische vrijheid bij te brengen.' Ook Ree rept van 'objectiever', 'minder vooringenomen' en 'universitaire betrouwbaarheid.'

De studenten zijn niet alleen door de verdwenen ideologie in de maatschappij zakelijker geworden. Studietijdverkorting en tempobeurs maken dat de nieuwe generatie wetenschapswinkeliers vraagstukken rationeler benadert dan hun voorgangers. Ook de klanten zijn veranderd. Niet zelden zijn de kansarmen van weleer machtig en rijk geworden. 'Patiëntenorganisaties zijn machtsfactoren van betekenis, en Greenpeace kan met gemak gerenommeerde bureaus inhuren', zegt Ree.

Ook Schlüter van de Universiteit van Twente rekent tegenwoordig zijn toptarief voor voormalig onderdrukten als de vakbeweging en milieu-organisaties, al is hij er zich van bewust dat deze ex-kansarmen daarmee nog voor een habbekrats zijn verzekerd van een rapport met het stempel 'universiteit' erop. 'Kleinere bedrijven vallen nog wel in het lagere tarief', zegt Schlüter. Het geld komt in een fonds waarmee gratis wetenschappelijke hulp wordt veilig gesteld voor lokale groepen die ageren tegen de noordtak van de Betuwelijn, Twentestad of de uitbreiding van een bedrijventerrein.

Bij sommige wetenschapswinkels is het big business geworden en is de geldelijke bijdrage van de universiteit peanuts vergeleken bij de eigen inkomsten. De Chemiewinkel van de Universiteit van Amsterdam timmert het meest aan de weg. Elf betaalde krachten moeten borg staan voor professioneel onderzoek ten behoeve van bedrijven, (internationale) vakbonden, ministeries en zelfs de Europese Commissie. 'Daarvoor moeten commerciële tarieven worden betaald die niet onderdoen voor die van TNO', zegt directeur drs. Pieter van Broekhuizen.

Toch kiezen opdrachtgevers de Chemiewinkel vaak uit op grond van het linkse imago. 'Als wij vanwege onze internationale contacten bijdragen aan vermindering van het gehalte oplosmiddelen in verf, vind ik dat prima.' De bijdrage van studenten blijft bij deze winkel beperkt tot telefoondiensten, beantwoorden van eenvoudige vragen en het verrichten van vooronderzoek. 'Het onderzoeksniveau is enorm verhoogd', zegt Van Broekhuizen. 'Vroeger was de boot aan als je domweg riep dat er lood in de bodem zat. Tegenwoordig moet je tot in de kleinste details aangeven welk gedeelte adsorbeert en dat soort dingen. Dat is geen zaak voor studenten.'

Ondertussen heeft het universitaire poldermodel van wetenschapswinkels de aandacht getrokken van het buitenland. 'Mede door internet krijgen we vragen uit de hele wereld, van Roemenië tot Israël en van Zuid-Afrika tot Canada', zegt dr. Henk Mulder, die zich namens het landelijk overleg van wetenschapswinkels bezighoudt met internationale contacten. De EU doneerde onlangs tweehonderdduizend euro om het Europese netwerk van wetenschapswinkels te verstevigen. 'In Brussel zitten ze met hun handen in het haar hoe ze de kloof tussen wetenschap en samenleving moeten overbruggen', zegt Mulder.

De wetenschapswinkels vormen een exportprodukt. Dankzij Nederlandse expertise floreren Videnskaps-butikken in Denemarken en Wissenschaftsladen in Duitsland en Oostenrijk. Roemenië kent Inter-mediu's en in Noord-Ierland en Zuid-Korea zijn Science Shops opgericht.

Ook in Canada en de Verenigde Staten zijn universiteiten geïnteresseerd, zegt Nicole Farkas, die aan de Rennselaer Polytechnic in New York een proefschrift wetenschapsdynamica over de Dutch Science Shops voorbereidt. 'Universiteiten zijn wel wantrouwend wegens het bevooroordeelde onderzoek, maar de moderne gang van zaken in Nederland toont aan dat daar geen sprake van hoeft te zijn.'

Meer over