lessen van 2020corona-pandemie

We zijn dus toch overvallen door een pandemie

De moderne westerse wereld is wel zo’n beetje bevrijd van akelige infectieziekten, was het algemeen gevoelde idee. Toen kwam het corona­virus met zijn geniepige trucs. Waarna de mens zich toch ook weerbaar en innovatief toonde. Les 1 van ons jaaroverzicht met de wetenschappelijke lessen van 2020.

null Beeld Getty - Illustraties Typex
Beeld Getty - Illustraties Typex

‘Wij denken dat er echt iets aan de hand is. Dat we vaker uitbraken zien, en dat ze groter worden. Want virussen zijn eigenlijk bewakers van ecosystemen. Als we ergens in een evenwicht een snelle verandering zien, dan kun je er eigenlijk donder op zeggen dat er iets met een virusinfectie gaat gebeuren.’

Het waren profetische woorden die Marion Koopmans, toen nog alleen onder virologen een bekend gezicht, twee jaar geleden uitsprak. Zo’n virus, legde Koopmans uit aan een bescheiden publiek van studenten, kan dan gemakkelijk leiden tot een pandemie. ‘Een pan-de-mie’, sprak ze het moeilijke woord met nadruk uit. ‘Pan-demos. Een wereldwijde epidemie.’

Wat Koopmans niet wist, was dat de volgende pandemie toen al rijpte, ergens op een boerderij of in een bos in China. Verstopt in een dier – een nerts? een wasbeerhond? – was een vleermuizenvirus zich aan het aanpassen, eiwit voor eiwit, tastend en proberend, om de sprong naar andere zoogdieren te wagen.

Eind vorig jaar was het zover. De evolutie had het virus zodanig omgevormd dat het ook uitstekend paste op de cellen van de mens. En dus sprong het over, via wat slijm of luchtwegvocht, naar men aanneemt. De directe opvolger van het sars-coronavirus uit 2002-2003, zoals wetenschappers al snel beseften: ‘sars-cov-2’.

Rampenplannen

We hadden hierop voorbereid moeten zijn. De oudste pandemische rampenplannen dateren al uit 1995 en nog vorig jaar waren enkele van de belangrijkste hoofdrolspelers, onder wie Jaap van Dissel, in Limburg bijeengekomen voor een oefening: doen alsof het pandemie was.

‘We hebben een lange traditie van infectieziektepreventiemaatregelen. Een goed systeem, dat mooi past in de Nederlandse context’, zei infectieziektebewaker Aura Timen eind februari zelfverzekerd in deze krant. Wat ze niet besefte, was dat het virus toen al in ons land was. In Tilburg was net de eerste Nederlandse patiënt in het ziekenhuis opgenomen.

Het virus dat vanaf begin 2020 uitwaaierde over de wereld, had dan ook een aantal geniepige trucs in de kast. Misschien wel de meest vermetele: het vermogen zich te vermommen als een onschuldige verkoudheid. Een loopneus, een kuchje. Niet direct het soort aandoening waarmee je met gillende sirenes de Wereldgezondheidsorganisatie alarmeert.

Verbluft was arts-microbioloog Jan Kluytmans dan ook toen hij in maart in een weekeinde tijd alle verkouden medewerkers van zes Brabantse en Limburgse ziekenhuizen liet testen: tot 9 procent had het virus. Het coronavirus was allang onder ons, onder de radar, besefte men. Een dag later was de eerste lockdown een feit.

Nog zo’n truc: de snelheid waarmee het van mens naar mens hopt. Op het moment dat we ons nog nauwelijks ziek voelen, is het virus juist het actiefst. Massaal vermenigvuldigt het zich dan in de luchtwegen. Met alle gevolgen van dien: de eerste introductie in Duitsland kwam van een Chinese cursusleider die zich niet kiplekker voelde, maar nog goed genoeg om naar Europa te vliegen; en de beruchte uitbraken bij zangkoren, in bars en bij sportlessen kwamen van ‘superverspreiders’ die nog nauwelijks ziek waren, maar al zingend en schreeuwend wel wolken virus uitstootten.

Dubbele bodem

Een schitterend virus, als de gevolgen niet zo afzichtelijk waren. Want ziedaar de derde, misschien wel wreedste dubbele bodem van het virus: de bizarre oneerlijkheid waarmee het toeslaat. Spaart de jongeren, maar raakt de ouderen. Van de Nederlandse doden was 90 procent de 70 gepasseerd; slechts twintig slachtoffers waren jonger dan 40. Het gevolg is dat de een zich bibberend verschanst in het woonzorgcentrum, terwijl de ander denkt: de economie op slot, voor die bejaarden?

Een virus dat pandemieplannen doorkruist, experts op het verkeerde been zet, mensen verleidt om te denken: het is maar een griepje! Sars-cov-2, de grote verdeler. Scheidt jong en oud, verdeelt man en vrouw, zaait tweespalt in families en tussen vrienden en buren – en heerst.

Vooral tijdens de tweede golf werd die tweespalt zichtbaar. Met aan de ene kant: de bezorgden en de zorgzamen, die vinden dat het allemaal strenger kan en moet. En aan de andere kant: mensen die het heus reuze erg vinden met dat virus, maar die ook dóór willen: doe open die economie, met goede ventilatie en preventief gebruik van vitamine D of ‘hydroxychloroquine’ desnoods, en laten we de kwetsbaren intussen vooral ontzien.

Weten we intussen alles? Natuurlijk niet. Onbekend is nog waar het virus vandaan komt. Onduidelijk is waarom het virus de een zoveel harder raakt dan de ander. Een open vraag is hoeveel mensen precies de hardnekkige verschijnselen hebben die wel bekendstaan onder de verzamelterm ‘long covid’, en waarom. Een raadsel is hoelang we na een infectie resistent zijn en hoe dat zit na vaccinatie.

En er zijn de subtielere vragen. Hoe besmettelijk zijn precies de ‘asymptomatische’ geïnfecteerden, de mensen die een infectie doormaakten zonder het te merken? Volgens de meest zorgvuldige overzichtsstudies zou hun besmettelijkheid liefst 75 keer lager kunnen liggen dan die van de geïnfecteerde die erbij hoest en niest. Maar klopt dat wel? Hoe zit het dan met de symptoomloze ‘superverspreider’, die nietsvermoedend de halve tent aansteekt?

Kennisdeling in turbotempo

Toch is het verhaal van corona, voor wie dat door alle ellende heen wil zien, ook een verhaal van hoop. Want kon men bij vroegere pandemieën slechts lijdzaam toezien hoe de ziekte over de wereldbol rolde, ditmaal toonde de mensheid zich weerbaar en innovatief. Na de eerste verloren maanden begon de wetenschap van zich af te bijten, met razendsnel geteste geneesmiddelen, kennisdeling in turbotempo en, uiteindelijk, de eerste vaccins.

Een inenting, in nog geen jaar tijd! Ineens viel het op dat er bij de vorige ernstige pandemie (de Hongkonggriep, in 1968) nog nauwelijks genetica of celbiologie was, en nu wel. Al in januari was het genetische bouwplan van het virus bekend, dagen later waren de eerste diagnostische tests een feit en lagen de eerste vaccinontwerpen op tafel. Niet eerder konden we een pandemisch virus zo precies volgen, aan de hand van zijn genetische vingerafdruk, haast live op internet: van Wuhan naar Italië, van Italië naar Nederland, van mens naar nerts en weer terug.

Iets ongemakkelijks heeft dat ook. Een vaccin ontwikkelen duurt járen, wilde in het begin nog weleens klinken. Nu blijkt dat het ook in maanden kan, dringt zich de vraag op: waarom duurt het bij andere ziekten dan zo lang? Is de wetenschap niet te traag, te veel verstrikt in papierwerk en eindeloze bureaucratische wachtperiodes? Als we een pandemie de baas kunnen, waarom warmt de wereld dan nog steeds op, is er nog malaria en stierven er dit jaar zes keer zoveel mensen aan honger dan aan corona?

De boodschap die het coronavirus afgeeft, is cynisch en hoopvol tegelijk. Cynisch, omdat we kennelijk pas in actie komen als we rechtstreeks bedreigd worden in ons knusse bestaan en er economische schade dreigt. Maar ook hoopvol, omdat 7 miljard mensen, eenmaal op gang, in staat zijn tot werkelijk grootse prestaties.

Nu ja – dat laatste moet nog wel even blijken. Het jaar dat aanbreekt is het jaar waarin het allemaal moet gebeuren: het virus de kast in, de wereld weer veilig, de aandacht weer terug naar andere problemen.

En intussen proberen te leren, van de plotse storm die ons zo hard raakte. Al is het maar om te voorkomen dat over een aantal jaar weer een Marion Koopmans moet uitleggen: pan-de-mie, dat is een wereldwijde epidemie.

Wat hebben we geleerd in 2020?

Van spectaculaire ontdekkingen in ons zonnestelsel tot een levensreddend vaccin voor baby’s: dit zijn de 17 belangrijkste wetenschappelijke lessen van 2020, verzameld door onze wetenschapsredactie.

Meer over