ColumnJoost Zaat

Waren er maar meer ome Jannen en tante Aaltjes, egoloos en solidair

null Beeld
Joost Zaat

In mijn boekenkast staat een porseleinen kopje met een barst. Daarop een onbeholpen afbeelding van een kanon met paarden ervoor, op het schoteltje een stoomtram en een legertent. Ome Jan was 20 toen hij het als souvenir aan zijn moeder gaf, een aandenken aan zijn mobilisatie bij het 2e Regiment Veldartillerie in Den Haag. Het was 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog die toen nog niet zo heette. In Nederland verbleven een miljoen Belgische vluchtelingen, elders gingen 9 miljoen soldaten en 8 miljoen burgers dood.

Vijftig jaar later zat ik regelmatig in zijn huiskamer. Luisterend naar verhalen over ongelijkheid en machtsmisbruik, over verzet in de oorlog, het belang van een sterke vakbond en over gastvrijheid voor mensen op drift. Zijn vrouw Aaltje was in een Drents veendorp in een plaggenhut geboren. Van haar kreeg ik gul gekookte koffie met een melkvel. Dat ik dat vel niet lustte was volgens haar een uiting van verwend gedrag. Sociaaldemocraten in hart en nieren. Goudeerlijk, fel op machtige bollenboeren en falend armoedebeleid maar nooit haatdragend. Mijn toen nog katholieke vader, deels bedenker van dat gemeentelijke sociale beleid, kreeg regelmatig de wind van voren. Wederzijds respect bleef tot aan hun dood. ‘Je moet het goede doen al is het in het klein en denk aan anderen’, was Jans en Aaltjes opdracht.

Opnieuw bijna vijftig jaar later. Aan Europa’s grenzen duwen grenswachters bootjes met wanhopige vluchtelingen terug. De kloof tussen arm en rijk neemt duizelingwekkende vormen aan, autoritaire mannen spelen geopolitieke spelletjes. Elke zondag drinken mensen koffie op een plein in de grote stad verderop. Boos op de overheid, boos op dokters. Het is een weinig homogene groep variërend van met de prinsenvlag zwaaiende fascisten, complotdenkers, vaccintwijfelaars, overheid- en wetenschapwantrouwers en immer boze boeren tot oprecht bezorgde burgers. Winkelen en horecabezoek lijken een mensenrecht te zijn geworden, als het hier niet kan dan maar in België, met tienduizenden tegelijk. Malloten bedreigen op sociale media vaccinerende dokters met de dood en in de Kamer uit een fractievoorzitter zich ronduit racistisch.

Intussen probeer ik mijn winterdepressie te bestrijden door op mijn eigen kleine schaal het goede te doen. Ik luister naar de Afrikaanse vrouw, slachtoffer van mensenhandel, al jaren in Nederland hartstikke klem tussen procedures en een gewelddadige man. Ik voel me onnozel als ik merk dat de ongedocumenteerde Noord-Afrikaanse man met diabetes zeven talen spreekt, maar in Nederland niet verder komt dan illegale baantjes. Ik probeer wat twijfel te zaaien bij een 70-jarige vaccinweigeraar die denkt dat hij het beter weet dan Jaap van Dissel. Ik verlos een oude dame betrekkelijk pijnloos van een nare ingegroeide teennagel en luister naar de longetjes van een kleine verkouden baby, nakomertje van een oudere dolgelukkige moeder. Ik glimlach om de werkelijk bestaande mijnheer Baltus van mijn stripcollega Sigmund, wanneer een oude heer mij toevertrouwt dat hij ‘eigenlijk een onnozel leventje leidt’. Waren er maar meer mensen zoals hij. Waren er maar meer ome Jannen en tante Aaltjes. Egoloos en solidair met mensen die het echt moeilijk hebben.

Joost Zaat is huisarts