ColumnJasper van Kuijk

Waarom geven we kinderen kleinere schoolpleinen dan vroeger?

x Beeld x
xBeeld x
Jasper van Kuijk

In een klein Brabants dorpje is de jarentachtigbasisschool met ruim schoolplein ‘op’ en toe aan vervanging. De gemeente wil de nieuwe school ‘budgetneutraal’ bouwen door hem te combineren met de realisatie van 36 appartementen (geluidsoverlast, iemand?), wat helaas wel resulteert in een kleiner schoolplein. Een dorp verderop is hetzelfde trucje al uitgehaald en ik herken het ook van de nieuwbouw voor de school voor mijn eigen kinderen in Delft.

Gemeenten dragen dan aan dat het kleinere schoolplein voldoet aan de daarvoor geldende norm. Wat weliswaar klopt, maar ook omdat die norm door de jaren heen een stuk krapper is geworden.

Tot 1997 gold het ‘Wenkenblad’ van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, met daarin: ‘het speelgebied bestaat uit een verhard en een onverhard gedeelte in de verhouding 2:1, waarbij het verharde deel een oppervlakte heeft van ten minste 300 vierkante meter.’ Samen minimaal 450 m2 dus.

Sinds 1997 wordt voor schoolpleingrootte de Modelverordening Onderwijshuisvesting van de Vereniging Nederlandse Gemeenten aangehouden. Daarin staat dat er 3 m2 buitenruimte per kind beschikbaar moet zijn met een minimum van 300 m2. En dat bij meer dan tweehonderd leerlingen 600 m2 voldoende is. Een stuk krapper dan de oude norm dus, met ook nog eens een bovengrens, terwijl de scholen nu doorgaans groter zijn dan ten tijde van het Wenkenblad.

- Beeld -
-Beeld -

De gemiddelde school in het primair onderwijs zit met 224 leerlingen al boven die bovengrens van tweehonderd leerlingen. En in dichtbebouwde gebieden zijn de scholen doorgaans groter en kom je met 250 tot 400 leerlingen per basisschool op die 600 m2 uit op 2,4 tot 1,5 m2 per kind. Heel anders dan het enorme schoolplein van mijn basisschool in een bloemkoolwijk uit de jaren zeventig, waar ruimte genoeg was om te rennen, te racen met karren, hutten te bouwen en een uitgebreide schooltuin.

Ik snap best dat zo’n groot schoolplein echt midden in de stad niet te realiseren is. Op dat soort locaties kan – naast toch ook wel een iets ruimere norm – de oplossing gezocht worden in het delen van buitenruimtes, bijvoorbeeld door schoolpleinen buiten schooltijden ook speelplaats te laten zijn. Maar het wordt toch enigszins verdrietig als zelfs gemeenten in Brabantse plattelandsdorpjes naar die krappe norm grijpen om een zo klein mogelijk schoolplein te realiseren en te kunnen verdienen aan de grond die vrijkomt.

Hier ligt een politiek-maatschappelijke vraag: hoeveel ruimte gunnen we onze kinderen? Als de helft van de kinderen volgens onderzoek van het CBS te weinig beweegt, waarom geven we ze dan juist daar waar ze zoveel tijd doorbrengen minder ruimte dan vroeger?

Tot die discussie gevoerd is, is mijn tip voor schooldirecteuren die nog een wat groter schoolplein hebben: blijf zitten waar je zit en renoveer. Bij nieuwbouw raak je veel buitenruimte kwijt en krijg je miniklaslokalen terug, want ook die worden steeds kleiner.

Jasper van Kuijk op Twitter: @jaspervankuijk