INTERVIEWGeert-Jan Bogaerts, Jaap-Henk Hoepman

VPRO-initiatief probeert internet te heroveren op Big Tech: ‘Ons doel is het web hygiënischer te maken’

Geert-Jan Bogaerts, hoofd digitaal van de VPRO, is voorzitter van het initiatief PublicSpaces. 'Er kunnen goede redenen zijn om toch dat bepaalde pakket van Google of Microsoft te gebruiken. Maar dat zou je wel moeten uitleggen.' Beeld Pauline Niks
Geert-Jan Bogaerts, hoofd digitaal van de VPRO, is voorzitter van het initiatief PublicSpaces. 'Er kunnen goede redenen zijn om toch dat bepaalde pakket van Google of Microsoft te gebruiken. Maar dat zou je wel moeten uitleggen.'Beeld Pauline Niks

Zelfs in de publieke sector is de software van de grote commerciële partijen almachtig. Een initiatief van onder meer de VPRO zoekt alternatieven voor Google en Microsoft. ‘We willen het internet terug.’

Mark Rutte communiceert met zijn onderdanen via Facebook; in de wijk hangen WhatsApp-buurtpreventiebordjes; de gemeentecomputer heeft Chrome als browser en universiteiten gebruiken Zoom om van afstand college te geven. Er bestaan niet-commerciële alternatieven, maar die krijgen geen voet aan de grond. Ook niet bij de publieke sector. Dat moet en kan anders, vindt het Nederlandse initiatief PublicSpaces waarin partijen als BNNVara, VPRO, onderzoekscentrum de Waag, Koninklijke Bibliotheek en Eye Filmmuseum de krachten bundelen.

‘We willen het internet terug’, stelt de coalitie strijdvaardig op haar site. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, geeft Geert-Jan Bogaerts (voorzitter van de stichting en hoofd digitaal bij de VPRO) toe. Het terugwinnen van internet op de machtige commerciële partijen als Google en Facebook moet gebeuren door alternatieven te verzamelen die het algemeen belang dienen en geen winst nastreven. Én – vervolgstap – die alternatieven moeten worden gebruikt.

‘Een manifest met uitgangspunten was vrij snel geschreven. Want wie wil er nou geen wereldvrede?’, vraagt Bogaerts zich retorisch af. ‘Daarna komt de lastige fase van dingen concreet maken.’ De VPRO heeft nu de eerste stap gezet door alle software die de omroep gebruikt langs de meetlat van PublicSpaces te leggen. Is de software transparant? Is hij ontworpen met privacy als uitgangspunt? Hebben gebruikers totale controle over hun gegevens?

Advertentiepixels

Ja, ook de VPRO gebruikt allerlei gereedschap van de grote bekende techpartijen. Google Analytics bijvoorbeeld voor het analyseren van zijn site. Of Microsoft voor zijn klantcontacten. Het laagst scoren de advertentiepixels die ook de VPRO op zijn site neerzet voor het volgen van bezoekers en het serveren van gepersonaliseerde advertenties.

Het doel is niet om al dit gereedschap meteen te vervangen. Dat zou ook te duur zijn. Ict-pakketten hebben doorgaans een levenscyclus van een jaar of vijf. ‘Als ze aan vervanging toe zijn, moeten we ze vervangen door iets wat beter scoort volgens de waarden van PublicSpaces’, zegt Bogaerts. Hij ziet het als een geleidelijke schoonmaakklus: ‘Ons doel is het web hygiënischer te maken. En we beginnen met het schoonmaken van onze eigen omgeving.’

De score is in kaart gebracht. De volgende stap is het inventariseren welke pakketten al op de markt zijn die hoger scoren en dus niet van de bekende grote commerciële partijen afkomstig zijn. Maar er zullen ook hiaten zijn. In dat geval zullen de transparante, open en datavriendelijke alternatieven helemaal nieuw gemaakt moeten worden. Ook dat wil PublicSpaces voor elkaar krijgen. Bogaerts noemt advertentietechnologie als voorbeeld, waar Google de nauwelijks te negeren partij is. Een ander voorbeeld: alle commerciële ticketingtools voor de culturele sector, zoals bij festivals, concerten en films. Ook hiervoor moeten publieksvriendelijke alternatieven komen.

Maar alles stap voor stap. De VPRO gaat zijn eigen scorekaart publiek maken via een keurmerk waarop bezoekers van de site kunnen klikken. Verder maakt de omroep binnenkort duidelijk wat de planning is. Met andere woorden: wanneer welk pakket wordt vervangen. Uiteindelijk moet iedere deelnemende partij het keurmerk gaan gebruiken, zodat het publiek ziet welke keuzes zijn gemaakt. Bogaerts: ‘We verplichten helemaal niets. Er kunnen goede redenen zijn om toch dat bepaalde pakket van Google of Microsoft te gebruiken. Maar dat zou je wel moeten uitleggen. Zulke openheid is belangrijk.’

Bogaerts hoopt dat veel meer partijen aansluiten. Zorg en onderwijs (onlangs nog actueel vanwege de risico’s die volgens het kabinet kleven aan het gebruik van Google in het klaslokaal) noemt hij sowieso logische sectoren. Dat vindt ook Jaap-Henk Hoepman, universitair hoofddocent privacy aan de Radboud Universiteit en de Rijksuniversiteit Groningen.

Rectores magnifici

Hoepman noemt het streven van PublicSpaces lovenswaardig: ‘De publieke ruimte op internet is inderdaad door commerciële partijen geclaimd en we moeten dat terrein terugwinnen.’ Hij ziet de hardnekkige aanwezigheid van de machtige techbedrijven ook in zijn eigen onderwijsomgeving. ‘Vlak voor de coronacrisis riepen de rectores magnifici van de Nederlandse universiteiten op de toenemende invloed van Amerikaanse technologiebedrijven tegen te houden. Dat was goed.’ Toen kwam corona en moest onderwijs op afstand worden gegeven. ‘Het enige wat ze toen op de universiteit konden verzinnen: gebruik Zoom.’

Het is maar één voorbeeld. De Rijksuniversiteit Groningen maakt al jaren gebruik van de software van Google en van de Google-cloud, terwijl de Radboud Universiteit dit jaar overstapt op het platform van Microsoft. ‘Ik vind dat om verschillende redenen zorgwekkend’, zegt Hoepman. ‘Allereerst omdat studenten hiermee de boodschap meekrijgen dat het volstrekt logisch is om op big tech te leunen, maar ook omdat je je als onderwijsinstelling afhankelijk maakt van de grote techbedrijven.’

Zelf gebruikt Hoepman voor zijn colleges geen Zoom, maar het opensourcepakket BigBlueButton. Met de uitgangspunten van PublicSpaces is hij het eens, wel is hij sceptisch over de kans van slagen. ‘De opensourcegedachte bestaat allang. En er zijn ook wel succesvolle voorbeelden te vinden, maar het grote publiek wil gebruiksgemak.’

Precies daar ontbreekt het vaak aan bij de pakketten die vanuit de opensourcegemeenschap worden ontwikkeld zonder commercieel oogmerk. Hoepman: ‘Het is voor en door techneuten. Dat kan allemaal nog zo sympathiek zijn, maar als het niet zo goed werkt als de commerciële evenknie, haken mensen af.’ Hoepman wijst naar WhatsApp-alternatief Signal, dat uit de opensourcewereld is ontstaan. ‘Pas nu er commerciële sturing op zit, merk je dat het begint aan te slaan.’

WhatsApp

Over Signal en WhatsApp gesproken: Hoepman verbaast zich nog dagelijks over het feit dat dit soort apps niet met elkaar kunnen praten. Dat is ook wat hem het meest in de uitgangspunten van PublicSpaces aanspreekt: de ijver voor open interfaces, zodat een gebruiker van WhatsApp ook gewoon een bericht naar een gebruiker van Signal kan sturen. Pas dan zal het gebruik van de alternatieven een vlucht nemen, denkt Hoepman.

En zo raar is de gedachte ook niet: ‘Ik heb de beginjaren van internet meegemaakt, toen alles open was.’ Hij wijst op e-mail, waar iedereen het volstrekt logisch vindt dat een bericht vanuit Gmail ook bij Hotmail aankomt. Die vanzelfsprekendheid is ergens in de late jaren negentig verdwenen toen het internet werd vercommercialiseerd.

Voor de gewone consument zijn er genoeg redenen om bij WhatsApp of Google Docs te blijven, beseft zowel Hoepman als Bogaerts. Je kunt van alles van Facebook en Google vinden, maar over het algemeen zitten hun producten verdomd goed in elkaar. En ze zijn nog gratis ook. Onderwijsinstellingen en andere sectoren uit de non-profitsector zullen dan ook het voortouw moeten nemen, vindt Hoepman. Zoals de VPRO nu heeft gedaan.

Meer over