Vergeten poëtische schatten RAOUL SCHROTT VERGROOT HET UNIVERSUM VAN DE DICHTKUNST

HET BOEK trok de aandacht op de Buchmesse van Frankfurt, stond in de krant. Dat was een tamelijk verrassende mededeling....

Maar zelfs áls die bordjes er waren geweest, zouden ze, mag je wel zeggen, weinig effect gehad hebben, want de honderden uitgevers die hier telkenjare gestresst op zoek zijn naar iets van hun gading, hebben wel andere zaken aan hun hoofd dan de poëzie. Nee, dan zijn er wel andere boeken, waarvoor met nóg krachtiger middelen aandacht wordt gevraagd. Een vracht bestsellers, die voor niemand ooit te behappen is, de een nog nieuwer, verrassender, schokkender en opzienbarender dan de ander.

In de tijd dat men in de Verenigde Staten plannen smeedde voor 'een maand van de poëzie' was er een marketing-deskundige die zich verbaasde over de geringe bereidheid van uitgevers om hun verkooptrucs aan te spreken als het erom ging de toch zo waardevolle dichtkunst aan de man te brengen. Daar brandden ze hun vingers niet aan. Poëzie was sowieso maar voor een handjevol enkelingen - 'enkele fijne luyden' zeiden wij nog niet zo lang geleden in Nederland -, waarmee geen droog brood te verdienen viel. De genoemde deskundige wenste die instelling niet serieus te nemen. Hij had zijn sporen verdiend door zo'n beetje álles te verkopen wat er maar te verkopen viel en zag in de ontginning van het poëtische wasteland een 'uitdaging'.

Het stond in het vakblad van de Amerikaanse uitgevers, Publishers Weekly, en dan moet je wel aannemen dat het waar is. Geef mij de kans, sprak onze marketeer, en ik zal je laten zien dat het mogelijk is duizenden, zo niet tienduizenden mensen te interesseren voor poëzie. De geschiedenis vermeldt niet in hoeverre deze deskundige vervolgens de verkoop van poëzie in Amerika mocht gaan orchestreren, maar het is een feit dat men er sindsdien in slaagt, tijdens de 'maand van de poëzie', flinke aantallen Amerikaanse burgers aan de poëzie te krijgen.

Het is best mogelijk dat de uitgeverij Eichborn, uit wier koker Die Erfindung der Poesie afkomstig is, een dergelijke Amerikaans-georiënteerde marketingstrategie heeft gevolgd bij het lanceren van dit boek, want die aandacht - paginagrote artikelen in de belangrijkste literatuurbijlagen - was er wel degelijk. En waarom ook niet? Het boek heeft per slot van rekening veel te bieden. Het is verschenen in de reeks Die Andere Bibliothek van Hans Magnus Enzensberger, een garantie dat het om een zowel typografisch als inhoudelijk zeer waardevol boek gaat.

Het is bovendien een Fundgrube voor iedereen die in zijn jeugd, tijdens zijn opleiding of als trouwe bezoeker van de boekhandel wel eens aan de poëzie heeft geroken, misschien wel zo krachtig dat hem gaandeweg duidelijk werd dat hij deze wereld nooit tot in alle uithoeken zou kunnen bereizen, gehinderd door beperkingen in tijd en ruimte, en uiteraard door de ontbrekende kennis van de vele talen waarin eeuwenlang de schitterendste verzen gezongen zijn.

Maar het allerbelangrijkste is misschien nog wel dat dit boek is gemaakt door een jong genie, waarvan je tegenwoordig niet gauw een tweede exemplaar zult vinden. Raoul Schrott is zijn naam. Hij heet Oostenrijker te zijn, maar de plaats van zijn geboorte - op een schip dat van Brazilië naar Europa voer - en de locaties waar hij zijn essays, gedichten, verhalen en romans pleegt te schrijven - Lissabon, Stuttgart, Camoglie, Cape Clear, Santiago de Cacem, en ga zo maar voort - wekken veeleer de indruk dat we met een eigentijdse nomade, dan met een gezeten Oostenrijkse burger te maken hebben.

Schrott is een avonturier of misschien een zwerver, ongetwijfeld letterlijk als je zijn biografische gegevens doorneemt, maar vooral in de geest. Hij studeerde talen en literatuur, raakte in de ban van de moderne negentiende- en twintigste-eeuwse poëzie (en van de filosoof Nietzsche), verdiepte zich in avant-garde-bewegingen als Dada (waarover hij schreef) en maakte zich behalve het Duits, het Latijn, het Grieks, het Frans, het Italiaans en het Spaans - Schrott is romanist - ook het Arabisch en een aantal tamelijk incourante talen eigen, met een zekere voorkeur voor de oudere varianten daarvan. Zijn lijst publicaties is indrukwekkend, met als hoogtepunt de roman Finis Terrae, die in 1995 het licht zag (Schrott was toen pas 31).

Die Erfindung der Poesie is een bloemlezing van gedichten 'uit de eerste vierduizend jaar', die niet in één keer is ontstaan, maar in een reeks van jaren. Het boek lijkt een bundeling van verschillende essays en bijbehorende poëzievertalingen, maar Schrott moet van meet af aan de bedoeling hebben gehad tot één boek te komen, waarin hij kon laten zien - dankzij zijn talenkennis - hoezeer het ons bekende poëtische universum, niet zozeer in de ruimte als wel in de tijd, kon worden vergroot.

Zijn boek is een ontdekking van ten dele, in elk geval in West-Europa, vergeten poëtische schatten, die door hem niet alleen met een haast achteloze, vanzelfsprekende bravoure te voorschijn worden gehaald, maar ook volgens het adagium van Ezra Pound ('Make it new') van het stof worden ontdaan, glanzend worden opgepoetst en de lezer als nieuw worden gepresenteerd. Inderdaad, als nieuw.

Wie in Die Erfindung der Poesie begint te lezen, houdt niet meer op. Hier krijgt de lezer geen geannoteerde, stijve, maar academisch verantwoorde vertalingen van verzen uit de Sumerische literatuur (2400 jaar voor Christus!), van Archilochos, van Sappho, van Catullus, van Sextus Propertius, van Arabische poëzie uit de zesde, zevende en achtste eeuw, of van Ierse monniken en de Provençaalse troubadours uit het begin van onze Middeleeuwen; hier krijgt de lezer heel gewoon poëzie.

Ze had bij wijze van spreken gisteren geschreven kunnen zijn, maar dan beter.

Natuurlijk is het voor zo'n lezer niet goed mogelijk te beoordelen in hoeverre Schrott trouw is gebleven aan het origineel, maar dat zal hem een zorg zijn, zolang al die gedichten hem stuk voor stuk raken, ontroeren, vertederen, opwinden, want - om dat laatste enigszins te expliciteren - Schrott is in zoverre een kind van zijn tijd dat hij bij voorkeur, en zonder enige schroom, steevast zijn oog laat vallen op regels die even goed de decadentie, het vastgelopen zijn en het verlies aan utopie in dit fin de siècle onder woorden brengen als de uitzichtloosheid, treurigheid en de daarbij passende overgave aan het genot van eeuwen her. De tijd wordt uitgebannen in Die Erfindung der Poesie. En de kracht waarmee dat gebeurt, getuigt van een hartstocht en liefde die zeldzaam zijn in een (westerse) cultuur, die niet erg meer gelooft in de scheppende kracht van het woord.

Dat klinkt minder nuchter dan Schrott het zegt in zijn inleiding en in zijn essays over de dichters en stromingen, die aan zijn vertalingen voorafgaan. Tot op zekere hoogte blijft hij de geschoolde geleerde die hij is, maar daar waar hij de dichters en dichteressen zelf (opnieuw) het woord geeft, laat hij alle reserve varen en wordt hij een dichter, die weigert deze lang vervlogen klanken een academische geluiddemper op te zetten. Of hij te ver gaat, te vrij vertaalt, is een vraag die niet alleen niet beantwoord hoeft te worden, maar zelfs niet gesteld, want de intentie waarmee Schrott aan dit enorme werk moet zijn begonnen, brengt hij ten volle op de lezer over.

Schrott wilde, hoe paradoxaal het ook klinkt, de poëzie opnieuw uitvinden, wilde laten zien dat we eigenlijk niet goed weten wat poëzie is als we niet eeuwen teruggaan, als we niet begrijpen dat de dichtkunst er áltijd was, in alle tijden en culturen. Waarom? Om de dingen, de gevoelens, de gedachten, het leven zélf mooi te maken - ook het lelijke daarvan -, want zonder die ervaring - men hoort de oude Nietzsche - staan we eenvoudigweg met lege handen.

Het lezen van Die Erfindung der Poesie werd voor mij - heel toevallig - doorsneden met een andere, gelijksoortige belevenis: het zien van de film Romeo and Juliet van de Australiër Baz Luhrman en ik was getroffen door de overeenkomst in benadering. Net zoals Schrott eeuwenoude poëzie naar het hic et nunc heeft weten te verslepen, is Luhrman erin geslaagd Shakespeare's stuk als nieuw aan moderne kijkers te presenteren.

Zulke adaptaties zijn niet eenvoudig. Menigeen zal flink wat slechte voorbeelden kunnen noemen - Shakespeare in spijkerbroek weetjewel -, maar als een kunstenaar met gevoel voor wat zijn voorbeelden hebben willen zeggen, zich met volle inzet aan zo'n bewerking waagt, ontstaat er iets groots en diep indrukwekkends, zoals wij dat vandaag de dag eigenlijk alleen waarachtig ervaren als we muziek uit vroeger tijden door musici van nu vertolkt horen.

Luhrman en Schrott zijn óók zulke vertolkers. In het geestelijke 'niets' van het huidige tijdsgewricht, slingeren zij hun banbliksems naar de ongelovigen, die zich - ook zonder marketing - gewonnen zullen geven. Daarvan ben ik overtuigd. Niet omdat het in de ogen van oudere opvoeders een plicht is kennis te nemen van het verleden, maar omdat zulke kunst met kop en schouders uitsteekt boven wat in deze tijd zónder een dergelijke inspiratie wordt gemaakt.

Willem Kuipers

Raoul Schrott: Die Erfindung der Poesie - Gedichte aus den ersten viertausend Jahren.

Eichborn Verlag; 535 pagina's; ¿ 66,70.

ISBN 3 8218 4154 0.

De eerste druk is uitverkocht. Volgende week verschijnt een goedkopere herdruk (¿ 57,30).

Meer over