Vergeten oorlog, bekende deelnemers

DE KRIMOORLOG (1854-1856) spreekt vermoedelijk niet meer tot veel verbeelding. Maar er is een aantal figuren en gebeurtenissen mee verbonden van wie je kunt zeggen dat ze door de jaren heen hun gedenkwaardigheid hebben behouden....

Jan Blokker

William Howard Russell bijvoorbeeld, verslaggever van The Times, en in de journalistieke annalen geëerd als de eerste onafhankelijke oorlogscorrespondent van de geschiedenis. Gezeten op een kampeerstoeltje keek hij in september 1854 van een heuvel bij het dorp Balaclava op de slachting neer onder zeshonderd Britse cavaleristen die met de blanke sabel tegen dertig stuks zwaar Russisch geschut galoppeerden, dus van wie nog geen tweehonderd het huzarenstuk overleefden.

Zijn reportage - niet tot vreugde van de Engelse opperbevelhebber in de gezaghebbende krant gepubliceerd - deed de nobelste sentimenten ontvlammen in de ziel van een Londense verpleegster, die terstond naar Turkije afreisde en, even kordaat als bemoeiziek, een hospitaal in de buurt van Constantinopel hielp inrichten om haar gewonde landgenoten (al dan niet bij het licht van een olielamp: dat detail kan apocrief zijn) te verzorgen. Florence Nightingale: nog iemand van wie we zonder de Krimoorlog misschien nooit zouden hebben gehoord.

Thuis in Engeland greep Alfred Tennyson - de Gerrit Komrij van koningin Victoria - naar de pen, en bejubelde de dode helden van Balaclava in The charge of the light brigade, een hymne die kinderen op Engelse kostscholen nog wel eens uit hun hoofd moeten leren.

En in het vijandelijke kamp, in het belegerde Sebastopol, stuurde een jonge Russische tweede luitenant zijn verhalen vanuit de dag en nacht beschoten stad naar een literair tijdschrift in Petersburg, waar ze onmiddellijk begrepen dat er een groot literair talent was opgestaan. Leo Tolstoj. Veel van wat hij in en rond Sebastopol aan militaire ervaring opdeed, heeft hij later in Oorlog en vrede verwerkt.

Redenen genoeg om de Krimoorlog in ere te houden. Niet dat hij verder veel teweeg heeft gebracht in het Europese machtsevenwicht van de negentiende eeuw - maar dat was, behalve wat de Russen betrof, ook eigenlijk niet de bedoeling. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij is gevoerd om verstoring van de balans te voorkomen.

Engelsen, Fransen en Turken vochten tegen de Russen, omdat tsaar Nicolaas (uitvinder van het begrip 'zieke man aan de Bosporus') van de zwakte van het Ottomaanse rijk gebruik wilde maken om een paar eeuwenoude Russische ambities te verwezenlijken: gebiedsuitbreiding op de Balkan, en vrije toegang tot de Middellandse Zee via Constantinopel.

Zoals dat gaat in zulke gevallen, zei de tsaar dat niet openlijk. Openlijk zei hij dat hij de Russisch- en Grieks-orthodoxe (dus christelijke) onderdanen van de mohammedaanse sultan in bescherming wilde nemen, en hij heeft langs diplomatieke weg oprecht geprobeerd dat zijn Engelse medechristenen ook wijs te maken. Maar in Londen waren ze niet op hun achterhoofd gevallen, en hadden ze vanwege hun eigen kostbare hegemonie over de Middellandse Zee en hun belang bij het Nabije Oosten (India!) juist vrede met een ziekelijke heerser in Constantinopel. Dus toen Nicolaas, eigenwijs, zijn troepen liet oprukken tegen de Turken in Moldavië en Wallachije, was het uit met de vriendschappelijke betrekkingen tussen Londen en Petersburg, en rustten de Engelsen een expeditieleger uit.

Samen met de Fransen. Dat die meededen had een beetje te maken met traditionele Franse interesse in de regio, maar veel meer met de behoefte van Napoleon III (die z'n senaat nog maar net het tweede keizerrijk had laten uitroepen) om zich als verse imperator meteen op het Europese toneel te doen gelden. Dat wisten de Engelsen natuurlijk ook. Als een warme bondgenoot hebben ze de parvenu uit Parijs dus nooit beschouwd, want ook hij wilde wat zij nou precies niet wilden: morrelen aan het evenwicht.

Veertig jaar was het vrede geweest in Europa, lang niet tot genoegen van galante regimentscommandanten die tot vervelens toe spiegelgevechten organiseerden om het vak niet helemaal te verleren. In Engeland bestond onder beroepsmilitairen een serieus klassenverschil tussen officieren die Waterloo wel en officieren die Waterloo niet hadden meegemaakt. Voor die laatsten was de Krim een uitkomst. Voor de eersten (onder wie de Britse bevelhebber Rag lan, die nog onder Wellington in Spanje had gediend) trouwens ook wel.

Afgezien van wat schermutselingen in de noordoostelijke Balkan, en een paar beschietingen van Russische vestingen in de Baltische Zee, is de oorlog in z'n eerste jaar op de Krim uitgevochten in drie 'klassieke' veldslagen, die in principe niet erg verschilden van de grote napoleontische van een halve eeuw eerder: de slag aan de rivier de Alma, die bij Balaclava, en die van Inkerman. Toen ze die gewonnen hadden, sloegen de geallieerden het beleg voor Sebastopol, dat zich na elf maanden bombardement overgaf, toen er al vrijwel geen steen meer op de andere stond.

Daarmee was de oorlog voorbij, want het doel bereikt: de Russische Zwarte Zee-vloot was, voorzover ze überhaupt nog bestond, haar haven kwijt, en bij de vrede (van Parijs) werd de Bosporus gesloten voor Russische schepen, en de Engelsen waren waar ze wezen wilden: bij de status quo ante.

Maar meer hadden ze ook niet gewonnen.

De gezamenlijke inspanningen van William Howard Russell en Florence Nightingale - de eerste beroepshalve, de tweede van nature op publiciteit gesteld - dwongen paleis en regering in Engeland tot een grondige evaluatie van wat er allemaal was misgegaan en geblunderd, en dat was veel geweest. Na de slag aan de Alma (die ten dele nog is bijgewoond door de beau monde van Sebastopol die vanaf speciaal gebouwde tribunes door toneelkijkers de verwachte Russische overwinning had willen bewonderen) verklaarde een Engelse houwdegen nog wel dat oorlog, alle gruwelen ten spijt, z'n romantiek hield, maar Russell rapporteerde: 'Overal op het slagveld rook je een ziekmakende, wrange, smerige stank, en het gras was glibberig van het bloed' - en dat maakte aan het thuisfront iets meer indruk.

Al tamelijk snel na de oorlog was in Londen becijferd dat slechts 10 procent van de Engelse gesneuvelden metterdaad op het slagveld was gevallen: de rest was een ellendige dood gestorven aan een combinatie van besmettelijke ziekten en wondkoorts. Alles wat maar kon ontbreken aan lichamelijke (en geestelijke) verzorging van Jan Soldaat, aan elementaire hygiëne, aan voldoende tenten en zelfs aan water en voedsel, ontbrak ook werkelijk: het was zeker in de eerste maanden van de verre oorlog aan Engelse kant een zootje - menselijk, organisatorisch en ook militair.

In Punch werden de manschappen vergeleken met 'leeuwen, aangevoerd door ezels' - en in betere Britse kringen (door prins-gemaal Albert met name) werden zulke uitspraken weliswaar afgedaan als journalistieke vuilspuiterij, maar Defensie en de generale staf beseften dat er een paar dingen radicaal moesten veranderen. Er lagen tenslotte nog een paar andere overzeese expedities in het verschiet: India, Afghanistan, straks Sudan en Zuid-Afrika, en voorbij de grens van het voorstellingsvermogen zelfs Passendale.

Zo heeft de Krimoorlog - en hebben meer speciaal Florence Nightingale en William Howard Russell - ertoe bijgedragen dat in het Britse leger de flaters van het opperbevel weer iets efficiënter werden opgevangen, en dat op het slagveld voortaan iets humaner geleden en gestorven kon worden.

Het boek dat Trevor Royle over de oorlog, z'n oorzaken, z'n gevolgen en z'n deelnemers schreef, is het werk van een zeer consciëntieus, zij het wat saai historicus, die noch op het terrein van de krijgskunde, noch op dat van de altijd weer fascinerende schaak-diplomatie van de negentiende eeuw, veel bijzonderheden heeft overgeslagen. Boeiend is zijn verhaal bovenal, voorzover je er de invloed in ziet groeien die 'niet-gouvernementele' instanties (een verslaggever, een verpleegster, een dichter) zich langzaam maar zeker in de samenleving zouden verwerven.

Meer over