Veertig afgesneden hoofden

Hector Berlioz wilde arts worden maar verkoos een muzikale carrière boven die van medicus toen hij voor het eerst een snijkamer betrad....

Op de vloer lagen stukken van ledematen, schreef Berlioz, 'grijnzende hoofden en gapende schedels'. Het was een bloederige drab; er hing een weerzinwekkende stank. 'Zwermen mussen die aan het bakkeleien waren over stukjes long, de ratten die in een hoek aan wervels zaten te knagen' – het was, herinnerde hij zich, 'verschrikkelijk'.

Op gravures van Thomas Rowlandson en William Hogarth tref je zulke snijzalen aan, een soort straattheatersannex-abattoir: ingewanden van kadavers hangen als confetti langs de snijtafels omlaag, schedels dobberen in pannen en her en der over de grond verspreid liggen organen waar honden zich tegoed aan doen. Een menigte mensen staat zich aan de publieke gruwelijkheden te vergapen.

Mary Roach van The New York Times Magazine bezocht voor haar boek Rigor mortis – Over de lotgevallen van de doden niet alleen mortuaria maar ook een bijscholingscursus voor gezichtsanatomie en facelifts. Op tafels lagen veertig afgesneden mensenhoofden in braadpannen, één per pan, met hun gezicht naar boven, bedoeld voor plastisch chirurgen en hun assistenten 'om op te oefenen'.

In haar boek beschrijft Roach wel meer vreemde lotgevallen van lijken in snijzalen, anatomische laboratoria en apotheken. Ze vertelt over een zekere kapitein Louis La Garde van de geneeskundige dienst van het Amerikaanse leger die drie dagen lang in januari 1893 en opnieuw vier dagen in maart de wapens opnam tegen een paar buitengewone vijanden.

La Garde moest zich melden op de schietbaan bij het Frankford Arsenaal in Pennsylvania voor een opmerkelijk experiment. Aan een takel aan het plafond hingen dode naakte mannen. Ze werden door La Garde met verschillende geweren en kogels beschoten om de fysiologische effecten op beenderen en ingewanden te vergelijken.

Ten tijde van de Franse Revolutie werden lijken gebruikt om de guillotine te testen, kadavers reisden mee in de Space Shuttle en werden gekruisigd om de authenticiteit van de lijkwade van Turijn te testen. Roach trok naar de universiteit van Tennessee waar in een lieflijk stukje bos veldonderzoek wordt gedaan naar de manier waarop lichamen ontbinden. De lijken liggen gewoon op het gras of in ondiepe kuilen, soms in de zon, soms in de schaduw.

Rigor mortis, de vertaling van Stiff – The Curious Life of Human Cadavers, gaat niet over dood als in doodgaan. 'Dood, als in doodgaan', zegt Roach, 'is droevig en aangrijpend.' Haar boek gaat over de doden die reeds dood zijn. De vele kadavers die ze in snijzalen of laboratoria zag, waren niet deprimerend, ook niet hartverscheurend of weerzinwekkend.

Sommigen waren in delen, anderen heel. Roach kende geen van hen. Ze vertelt over de eerste dode die ze ooit zag: haar moeder. 'Mijn moeder is nooit een kadaver geweest; niemand is ooit een kadaver. Als je ophoudt een persoon te zijn, vindt Roach, neemt een 'anoniem' kadaver je plek in. Haar boek gaat niet over rouw of rouwrituelen, het zijn verhalen over menselijke dummy's, lijken voor de wetenschap.

Al sinds mensenheugenis zijn lijken geroofd en soms ook mensen vermoord voor wetenschappelijke, medische maar ook museale doeleinden. Hun kadavers worden ontleed in het anatomiepracticum, ze worden gebruikt voor proefbotsingen of geplastineerd voor anatomielessen óf voor exposities. Miljoenen mensen hebben de tentoonstelling Körperwelten gezien van de Duitse anatoom Günther von Hagens, tientallen huidloze lichamen, in actie, ook zwemmend of zelfs te paard.

Doden zijn ook koopwaar. Al eeuwen worden menselijke knoedels gegeten. In de grote bazaars van het 12de-eeuwse Arabië werden in honing gemarineerde menselijke restanten verkocht, 'gemummificeerde zoete lekkernij' die je innam als medicijn. Roach speurt in Rigor mortis naar zulke anekdotes; ze schrijft met respect en met een opvallend gevoel voor humor over het lot van haar kadavers.

Veel schrijvers koketteren met de dood. Op het graf van de Amerikaanse schrijfster Dorothy Parker, die Magere Hein als haar rivaal zag en vooral macabere vertellingen schreef, staan drie woorden: Excuse my dust. In haar onlangs verschenen roman Lumière invisible à mes yeux beschrijft Nathalie Rheims het huis van een gestorvene. Het is een metafysische thriller, een bizar verhaal over een vrouw – de schrijfster? – die het huis erft van een van haar lezers. Ze heeft hem nooit ontmoet; hij daarentegen heeft wel haar boeken gelezen. De onbekende schenkt haar alles wat hij bezit. In zijn huis treft de schrijfster een collectie foto's aan, daguerreotypen van overledenen, beroemde schrijvers als Proust of Verlaine op hun sterfbed, maar ook aandoenlijke portretten van gestorven kinderen.

Die foto's staan in het boek: een macabere galerie van doden. De man heeft brieven nagelaten, hij spreekt haar vanuithet graf aan – zoals eigenlijk alle dode schrijvers. Zulke foto's van opgebaarde beroemdheden zijn iconen; het zijn geen anonieme kadavers, niet de lijken waar Roach over schrijft. In Morts imaginaires, waarvoor hij vorige maand de Prix Médicis de l'Essai kreeg, verzamelde Michel Schneider de 'laatste woorden' van meer dan dertig schrijvers, van Michel de Montaigne tot Truman Capote. Die ultima verba klinken vaak laconiek. Sufficit!, zei Immanuel Kant, 'het is genoeg'; c'est bien, zou André Gide hebben verzucht (ce n'est rien, volgens sommige biografen); la mort, la mort, prevelde George Sand op haar sterfbed; á nous deux, riep Georges Bernanos; regarde, regarde!, waren de laatste woorden van Colette; Maupassant est mort, beweerde de geestelijk afgetakelde Guy de Maupassant enkele maanden voor zijn dood.

Dying is fun, concludeerde Vladimir Nabokov aan het eind van zijn leven, 'het is net zoiets als vlinders vangen'. Sacha Guitry liet enkele maanden voor zijn dood nog een monoloog opnemen, Son dernier quart d'heure, 'zijn laatste kwartier'. Hij wilde gemaquilleerd sterven, als een acteur die zijn eigen dood regisseert. Biografen, maar ook getuigen in de sterfkamer vermengen vaak, zoals schrijvers, herinneringen en ensceneringen, gezichten en maskers, personen en personages. Schneider verzamelde in zijn 'essays over het schrijven en de dood' tientallen anekdotes (Blaise Pascals schedel werd als een kweepeer in tweeën gesneden, het beroemde dodenmasker van Honoré de Balzac is een vervalsing), halve waarheden en verzonnen woorden en zinnen.

Toch is Morts imaginaires geen 'anekdotenboek', geen bloemlezing van laatste oprispingen of liefkozingen, dappere of koddige uitspraken (volgens Thomas Bernhard zei Johann Wolfgang von Goethe niet Mehr Licht bij zijn laatste ademstoot, maar Mehr Nicht). Een schrijver sterft zijn hele leven, zegt Schneider, à longues phrases, à petits mots. De échte laatste zinnen, de ultieme post-scripta, staan in hun boeken of vind je, zoals bij Robert Walser of François-René de Chateaubriand, in hun vele nagelaten paperassen.

Morts imaginaires is een indrukwekkende speurtocht naar die laatste zinnen, soms alleen nog maar een laatste signatuur onder het oeuvre. Het zijn woorden van schrijvers en hun personages die je vooral aantreft in hun nalatenschap: in de opgestapelde geschriften in de kamer waar Stefan Zweig zelfmoord pleegde; in de grote witte kist waarin Chateaubriand zijn Mémoires d'outre-tombe bewaarde; in de beruchte zwarte koffer van Racine; in de kleine zwartleren reiskoffer van Walter Benjamin na zijn zelfmoord; in de grote gekartonneerde en genummerde schriften van Dino Buzzati; in de duizenden 'microgrammen' die Walser in het gesticht noteerde op allerlei papier behalve op schrijfpapier, of op het gefrommelde kattebelletje dat door vrienden is gevonden in de kontzak van de levensmoede dichter Gérard de Nerval.

Ook schrijvers worden kadavers, maar hun beeltenissen zijn iconen. Schneider is een verwoed lezer van biografieën, 'de romans van het leven van een schrijver'. Wat blijft is wat schrijvers hebben geschreven; hun levens vervagen – wat weten we eigenlijk over Arthur Rimbauds Afrikaanse jaren? Schneiders literaire essays over dood en letteren zijn een schitterend register van vele denkbeeldige overlijdens van intussen al lang overleden schrijvers.

Meer over