Van paradijs naar slagveld

TWEE WEKEN na hun tamelijk vernietigende aanval op Pearl Harbor, landden de Japanners ongehinderd op het Filipijnse hoofdeiland Luzon: 22 december 1941....

Jan Blokker

Had niemand dat kunnen zien aankomen?

Allicht wel.

Op papier was het met de verdediging van bijvoorbeeld Pearl Harbor redelijk in orde: 140 bommenwerpers, 108 jagers, acht slagschepen, drie kruisers, drie torpedobootjagers en een stevige hoeveelheid vliegers, navy-personeel en mariniers.

Maar na twee uur Japans bombardement waren er van de 248 vliegtuigen 188 vernield en dertig zwaar beschadigd, de slagschepen waren allemaal gezonken, evenals de kruisers, de torpedobootjagers en nog een paar kleinere marineschepen. De Amerikanen verloren meer dan tweeduizend man, de Japanners nog geen honderd. Ondanks het feit dat de politieke onderhandelingen tussen Tokio en Washington al wekenlang in een impasse verkeerden, had men de aanval kennelijk niet voorzien. Het was zondagmorgen. Eenderde van de manschappen van de Pacific Fleet, die zaterdagavond van boord waren gegaan, was de volgende ochtend nog onbekwaam, of tennissen, of naar de kerk - maar in ieder geval niet terug aan boord.

Het moet daar zijn toegegaan zoals het in grote delen van het Japanse aanvalsgebied in de Stille Oceaan toeging: men was er weliswaar voor z'n werk, maar men kon zich altijd koesteren in het aangename klimaat en de koloniale dienstbaarheid.

'Zorg over een mogelijke oorlog? Niet zo erg met Filipijnse huisbedienden, keukenmeiden, tuinpersoneel om je heen. En niet in een omgeving die eruitzag als een klein paradijs, met al die palmen, gardenia's, bougainville en orchideeën - overal orchideeën, die groeiden zelfs uit de kokosnoten. Op de bases had je tennis- en badmintonbanen, je kon er bowlen en allerlei andere spelletjes doen. In Fort Stotsenberg, waar de cavalerie lag, werden elke week polowedstrijden gespeeld. Het was leven als god in Frankrijk, cocktails en bridgedrives bij zonsondergang, witte smokings en avondjurken bij het diner, een gin met Gershwin onder de sterrenhemel.' Aldus Elizabeth Norman over de zegeningen van de vooroorlogse Filipijnen, waarnaar ze op zoek ging voor een boek over de 99 Amerikaanse verpleegsters die er in 1941 bij leger en marine dienst deden, en die er als zorgzame Florence Nightingales waakten over een enkel griepje, een incidentele blindedarmontsteking of een losse verstuikte enkel - tot het ineens menens was, de bommen vielen en de Japanners kwamen.

We Band of Angels is de onopgesmukte reconstructie van hoe die overwegend jonge dames van de ene dag op de andere niet met zieken, maar met gewonden te maken kregen - met heel of half verminkte lichamen, met amputaties, met de verschrikkelijkste kwetsuren. De Japanse overmacht - nu te land - was ook hier te groot. Manilla viel al op 2 januari 1942, MacArthur trok zich terug op het eilandje Corregidor, en leverde nog verbitterde achterhoedegevechten op de landengte van Bataan. En de verpleegsters trokken mee: uit het paradijs van orchideeën naar slagvelden waar meestal niks meer groeit en bloeit.

Norman wist nog twintig van de oorspronkelijke 99 te achterhalen: oude mevrouwen intussen, maar meestal nog goed gedocumenteerd met brieven, dagboeken en vitale herinneringen. Niet alleen aan de geïmproviseerde lazaretten en de slopende voettochten door onherbergzaam oerwoud, maar vooral ook aan de ten slotte onvermijdelijk geworden capitulatie, ergens in mei 1942, toen de Amerikanen duizenden soldaten én hun verpleegsters moesten achterlaten om vanuit overgebleven steunpunten in de Pacific hun moeizame tegenaanvallen voor te bereiden.

Zo raakten de 99 ten slotte in een Japans interneringskamp - en dan mochten ze nog van geluk spreken in vergelijking met de militairen die toen nog de barbaarse (en op het Tribunaal van Tokio als oorlogsmisdaad aangemerkte) 'tocht door Bataan' voor de boeg hadden.

Zoals gezegd: de reconstructie is onopgesmukt, zeker voorzover de kampervaringen aan de orde zijn. In de 'vrouwenkamp'-literatuur die we in Nederland kennen van de ervaringen in Indonesië, heeft het zelfbeklag en het slachtofferbesef (samen met licht racistische ondertonen) altijd gedomineerd over de blijken van moed en overlevingskracht die er zonder enige twijfel ook zijn geweest.

Van die 'klagerigheid' blijkt in de herinneringen van de Amerikaanse verpleegster nauwelijks sprake, wat misschien te maken heeft met de militaire discipline waarin ze waren opgeleid.

'Uit onderzoek blijkt', schrijft Norman ergens, 'dat soldaten eigenlijk nooit voor hun vaderland of voor een Zaak vechten, maar uit solidariteit met hun kameraden. Ze bekommeren zich om de mannen naast hen op het slagveld - daar hebben ze alles voor over. En die 'ethiek' geldt ook voor de verpleegster die geleerd heeft dat de patiënt altijd op de eerste plaats komt, een sentiment dat tot eenzelfde soort kameraadschap leidt.'

Typerend is in dat opzicht ook de lichte wrevel die blijkbaar alle 99 voelden bij thuiskomst in februari 1945 (de Filipijnen waren in januari door de Amerikanen heroverd), en waar ze iedere keer eigenlijk maar één vraag moesten beantwoorden. Zoals eentje in haar dagboek schreef:

'Nou, vertel, vroeg de man: hoe hebben de Jappen je behandeld?'

't Had erger gekund.'

'Hebben ze je niks gedaan?'

'Natuurlijk wel. Ze hebben ons in dat kamp opgesloten.'

'Ja, maar ik bedoel: hebben ze je verkracht?'

En ze concludeerde:

'Na alle vreselijke, en soms ware verhalen over Japanse wreedheden tegen soldaten en burgers, was het voor de mensen blijkbaar onmogelijk te geloven dat wij aan dat soort beestachtige behandeling waren ontsnapt.'

Als je Norman mag geloven zijn 'de engelen van Bataan' zonder uitzondering fikse tantes geweest, die op een bewonderenswaardige manier de plompverloren overgang van paradijs naar inferno hebben weten te overleven.

Meer over