Zes vragen

Valt de lente steeds vroeger? En andere vragen bij het begin van het levendigste seizoen

null Beeld Marthe van de Grift
Beeld Marthe van de Grift

De lente mag dan officieel elk jaar beginnen op 20 maart, het bloeiseizoen lijkt steeds vroeger te vallen. Is dat ook zo, en wat betekent dat voor mens en natuur? Zes vragen over het levendigste seizoen.

Het is wellicht nog wat vroeg voor een eerste glaasje rosé in de tuin, maar een lichtpuntje is het wel, zaterdagmorgen om 11.37 uur exact. Het officiële begin van de lente. Het feestje van de maartequinox, het moment waarop de zon loodrecht boven de evenaar staat, of – voor wie op het feestje indruk wil maken – door een van de snijpunten van de ecliptica en hemelequator gaat en dag en nacht even lang zijn.

Kortom: ‘Lila lente in de Lusthoflaan, en alle buren fluiten’, zoals Ilja Leonard Pfeijffer eens een ironisch gedicht beëindigde dat valt te lezen als commentaar op de clichés die het seizoen opwekt.

Er is iets met de lente. Met de klimaatverandering (of eigenlijk: de opwarming van de aarde) lijken winters hun scherpe kantjes te verliezen en voorjaren niet alleen warmer en droger te worden, maar bloeiseizoenen ook steeds vroeger te beginnen. Dat heeft gevolgen voor mens en natuur; hoewel we ons nog midden tussen de schuivende panelen bevinden, komen die gevolgen stukje bij beetje in kaart van de wetenschap. Enkele prangende vragen over het levendigste seizoen van het jaar.

Wat is eigenlijk het startschot voor de lente?

De seizoensindeling zoals wij die kennen is maar een constructie. Een officieel startschot is er niet, een scheidsrechter ontbreekt. Allereerst was er altijd al verschil tussen de astronomische lente en de meteorologische. Die laatste begint al op 1 maart, drie weken eerder dan de ‘officiële’ lente, en eindigt op 31 mei. Dat is het gevolg van een afspraak tussen internationale weerorganisaties in 1780. Toen besloot de Societas Meteorologica Palatina steeds drie opeenvolgende maanden als één seizoen te beschouwen.

Andere culturen kennen andere indelingen met andere data. De voorchristelijke Keltische kalender verdeelde het jaar in acht perioden. Imbolc heet daar het lichtfeest dat de lente inluidt, en dat werd gevierd op 31 januari. De oude Japanse maankalender deelt het jaar op in 24 ‘sekki’ (zonnedelen) en 72 microseizoenen. De lente (‘Risshun’) begint dan op 4 februari. ‘Misschien moeten we nieuwe seizoenen bedenken, nu het klimaat zo verandert’, opperde schrijver/filosoof Eva Meijer onlangs in haar column in Trouw. ‘Regenwater’, bijvoorbeeld, of ‘Mist hangt in de lucht’.

Wie een beetje zonnige natuur heeft, kan de winter in december al uitzwaaien. Na de kortste dag van het jaar, op 21 december, gaat de zon vanzelf weer schijnen. Langzaam lengen de dagen. Waar zwartkijkers opzien tegen ellenlange duisternis en grauwe grijsheid, zien natuurliefhebbers de natuur al weer ontluiken. De vogelaar hoort de bosuil in de nacht. Eind januari misschien een eerste grutto, de volgende maand de triolenzang van de heggemus, en voor je het weet tjiftjaft de tjiftjaf al over plantsoen of achtertuin.

Wordt het steeds vroeger lente?

Nee. En ja. Aan de seizoenen en de loop der planeten is niets veranderd. Aan de gemiddelde temperaturen wel: het wordt gemiddeld steeds warmer. Winters worden milder, ook voorjaar en zomer worden warmer. Daardoor doen de typische voorjaarsverschijnselen zich ook steeds eerder voor. Neem het sneeuwklokje, die ranke lentebode met dat gebogen witte kopje: de eerste bloei deed zich voor rond 25 januari, bijna drie weken vroeger dan gemiddeld over de afgelopen driehonderd jaar, zo concludeert het fenologisch waarnemingsnetwerk De Natuurkalender op basis van zesduizend waarnemingen uit die periode.

Dat fenomeen is niet iets van de laatste paar jaar. De gemiddelde jaartemperatuur neemt al ruim honderd jaar toe, voor de lentetemperatuur deed de ‘temperatuursprong’ zich vooral eind jaren tachtig voor. De laatste jaren lijkt de curve ietsje af te zwakken en gaat de opwarming minder hard, maar de trend blijft dezelfde.

Het KNMI schetste in 2018 ‘de nieuwe lente’ op het noordelijk halfrond: ‘Bijna overal zien we de temperatuur eerder in het jaar de 10 graden C bereiken. Gemiddeld is dit moment ongeveer twee weken opgeschoven, wat minder in Noord-Amerika en wat meer in westelijk Europa.’ Dat komt overeen met de laatst gemeten nachtvorst: die nacht lag begin vorige eeuw rond 22 mei, tussen 1981 en 2010 eindigde de winterse periode gemiddeld al op 8 mei, nog vóór de IJsheiligen.

Wat zeer van deze tijd is: de extremen en grilligheden nemen toe. Dit jaar is daarvan al een uitgelezen voorbeeld. In februari en maart hebben we in enkele weken tijd al een heel jaar beleefd: van (een week) fikse vorst tot (een week later) zomerse warmte, een lentestorm en alle gradaties daartussen. Op 24 februari werd in Arcen de hoogste temperatuur van 19,8 graden bereikt, in De Bilt was het met 18,7 graden niet eerder zo vroeg in het voorjaar zo zacht. Twee weken daarvoor werd tijdens de vorstperiode in de Achterhoek de laagste temperatuur gemeten. In Hupsel was het op 9 februari -16,2 graden.

Dit vroege voorjaar is een record: niet eerder telde de meteorologische winter van dit jaar zoveel zachte dagen op rij van boven de 15 graden. Het waren er zes, in de vorige eeuw kwamen nooit meer dan drie ‘officiële’ zachte dagen voor. De eerste lentedag, waarop het minimaal 15 graden wordt, valt in het huidige klimaat in De Bilt gemiddeld op 10 maart. Dertig jaar geleden was dit nog op 26 maart. In 2019 telde de winter vier van zulke lentedagen.

Wat betekent dit voor mensen?

Het energieke, opgewekte lentegevoel heeft alles te maken met de langere dagen. Wie voldoende buiten komt, schept meer zonlicht, waardoor het lichaam meer serotonine en dopamine aanmaakt. Dat zijn zogeheten ‘gelukshormonen’ die vrolijk stemmen en energie geven.

Toch is het niet alle dagen feest met een ‘vroeger’ voorjaar: hooikoortspatiënten (naar schatting tussen de 20 en 30 procent van de bevolking) hebben eerder en langer last van pollen (stuifmeel) van bomen, grassen en kruiden die door de hogere temperaturen vroeger in bloei komen. Tot de klachten horen onder meer niezen, jeuk, benauwdheid, tranende ogen, een ‘loopneus’, keelpijn en hoofdpijn. Vooral de warme week na de korte vorst in februari had een ‘explosie’ aan vroege bloei tot gevolg. Vanaf 18 februari steeg de concentratie van elzenpollen in de lucht snel. Op 23 en 24 februari registreerden het LUMC en het Elkerliek-ziekenhuis een zeer hoge piek van rond de 1.400 pollen per kubieke meter lucht. Die nam daarna snel weer af.

Vorige week publiceerde het wetenschappelijk tijdschrift PNAS een studie over 31 landen die erop lijkt te duiden dat hogere pollenconcentraties sneller tot coronabesmetting kunnen leiden. Niet alleen bij hooikoortspatiënten, maar bij iedereen met een verzwakte afweer door blootstelling aan rondzwevend stuifmeel. De besmettingscijfers liepen vorig jaar vier dagen nadat pollenconcentraties waren toegenomen ook op. Ook Nederland werd in dat onderzoek betrokken, maar om onderzoekstechnische redenen ontbreken nog voldoende gegevens om grote conclusies te trekken. Ook moet nog worden onderzocht of het verband tussen coronabesmettingen en pollenconcentraties wel oorzakelijk is. Als dat zo is, verhoogt een vroeg voorjaar de besmettingskans. Eerder is al aangetoond dat blootstelling aan pollen het afweersysteem voor andere virusinfecties in de luchtwegen, zoals verkoudheid, verzwakt.

null Beeld Marthe van de Grift
Beeld Marthe van de Grift

Kan de natuur de nieuwe lente aan?

Dat moet nog blijken. De kansen verschillen erg per soort, lijkt het. Het warmere voorjaar laat zoogdieren koud, denkt de Zoogdiervereniging. Daar is althans geen studie bekend die wijst op gedragsverandering door vroegere voorjaarstemperaturen, laat een woordvoerder weten.

Andere dieren en planten ontwikkelen bij hogere temperaturen wel eerder activiteit. Sommige blijven door een vroegere start ook langer actief, wat vragen oproept over de energie die dat vergt. De kernvraag is of de aanpassingen die ze mogelijk moeten doen synchroon lopen met de snelle veranderingen in het klimaat. Lang niet altijd: in 2019 concludeerden zeven onderzoekers dat broedvogels, dagvlinders, nachtvlinders en planten sinds 1990 gemiddeld tien keer zo langzaam reageren op de klimaatveranderingen in Nederland. Enkel libellen lijken de snelheid te kunnen bijhouden.

Het probleem blijkt uit het voorbeeld van de koolmees: die is gemiddeld een week eerder gaan broeden, maar na het uitkomen van de eieren zijn nog niet voldoende rupsen beschikbaar om de jongen te voeden. Gevolg: ze krijgen minder jongen.

Vorige week woensdag sloten beheerders Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer op stel en sprong een deel van het Nationaal Park Sallandse Heuvelrug voor het publiek. Door de zachte winter en de warme februaridagen liep de natuur een maand voor op schema. In het afgesloten gebied broeden beschermde vogels als korhoender en boomleeuwerik en tal van amfibieën. Volgens de beheerders waren de eerste eierklompen van deze dieren al gezien. Normaal gaat het gebied half maart op slot voor publiek.

Tussen 1986 en 2015 is de gemiddelde eilegdatum van zangvogels met acht dagen vervroegd, blijkt uit onderzoek. Mogelijk doordat ook insecten eerder beschikbaar zijn.

Ook de kievit gaat steeds vroeger broeden. Het eerste kievitsei wordt elk jaar vroeger gevonden. Dit jaar gebeurde het op vrijdag 5 maart, in polder Groot Mijdrecht in het Utrechtse Wilnis, vorig jaar drie dagen eerder. De trend is dat de kievit steeds vroeger broedt: de afgelopen honderd jaar is het eerste ei tien dagen eerder gevonden, inventariseerde het Compendium voor de Leefomgeving.

Door de hogere temperaturen (maar ook door meer mestgebruik in de landbouw) komt het groeiseizoen eerder op gang, waardoor kieviten eerder voedsel en dekking in de weilanden vinden.

Een interessant geval is de bonte vliegenvanger, een zangvogel die vanuit Afrika elk voorjaar komt aangevlogen. Christiaan Both, onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen, bestudeert ze met nestkastgegevens vanaf 1955. Wat bleek: vanaf de jaren tachtig kwamen bonte vliegenvangers steeds vroeger (tot ongeveer tien dagen eerder dan dertig jaar daarvoor) aan in Nederland, maar in eerste instantie onvoldoende om het tempo van klimaatverandering bij te benen.

De vraag is: hoe kan zo’n vogeltje in Afrika nu weten dat het hier, 5.000 kilometer verderop, eerder voorjaar lijkt? ‘Sinds vijftien jaar werk ik met een populatie vliegenvangers in Drenthe waarvan we in detail meten wanneer ze in het voorjaar aankomen. Daaruit leren we dat de vervroeging vermoedelijk werkt via overerving’, zegt Both. ‘We zien dat ouders die vroeg in Nederland komen, jongen krijgen die later bij benadering hetzelfde doen. Zo ontstaat dus evolutionaire verandering.’

De vogels hebben bij aankomst enige speelruimte en die benutten ze ook: ‘Als het bij hun aankomst in Nederland wat warmer is, beginnen ze snel met het maken van een nest en eieren leggen. Als het kouder is, duurt dat langer.’ Maar: de latere vogels hebben steeds slechtere broedresultaten, waardoor de natuurlijke selectie nog sterker wordt.

De bonte vliegenvanger is dus een geluksvogel die zich met enige vertraging nu voldoende lijkt te kunnen aanpassen. Dat zegt helaas niets over andere vogelsoorten. De fitis en de grauwe vliegenvanger hebben bijvoorbeeld hun broeddatum nog nauwelijks vervroegd. Both: ‘Uit Brits onderzoek blijkt dat soorten die niet vervroegen, sterk afnemen.’

Standvogels, de overwinteraars die niet wegtrekken, zijn in het voordeel bij minder strenge winters: ‘Bij warmer weer kan zo’n vogel meteen anticiperen en gaan broeden. Trekvogels moeten eerst die lange tocht maken.’

Vliegen vlinders vroeger?

Voor vlinders is het vroege voorjaar ook al gemengd nieuws. Hoe complex en fragiel ecosystemen in elkaar steken, blijkt onder meer uit een passage uit het biologisch tijdschrift De levende Natuur uit 2018: ‘Een hogere luchttemperatuur betekent niet dat dieren en planten dat ook zo ervaren. Warmteminnende soorten dagvlinders gaan achteruit in aantal, ondanks dat het klimaat opwarmt, omdat door de tegelijkertijd toegenomen stikstofdepositie de planten in het voorjaar ook eerder en sneller gaan groeien. Door een hogere en dichtere vegetatie is er minder kale bodem en meer beschaduwing aanwezig, wat voor de rupsen leidt tot een koeler in plaats van warmer microklimaat.’

Niettemin: voor het oranjetipje gaat de vlag uit. De vlinder is niet alleen gemiddeld anderhalf tot twee weken eerder gaan vliegen dan dertig jaar geleden, hij doet het ook nog eens veel beter. De grote vos – de vlindersoort, wel te verstaan – is op de warme februaridagen op honderden plekken gezien. ‘Dat is echt bijzonder’, zegt Kars Veling van de Vlinderstichting.

Warmere lentes leiden volgens hem tot nieuwkomers: het staartblauwtje is sinds een jaar of tien een geziene gast op de rode klaver. ‘Elk jaar komt hij tientallen kilometers noordelijker voor’, zegt Veling. Ook het kaasjeskruiddikkopje zit in de lift. Maar door de droogte (die ook samenhangt met klimaatverandering) legt onder meer de kleine heivlinder het loodje. ‘Vooral boreale soorten gaan het door warmte en droogte moeilijk krijgen. Maar over het geheel genomen zullen er in Nederland meer vlindersoorten bijkomen dan er verdwijnen’, aldus Veling.

Begin april verschijnt de atlas Dagvlinders in Fryslân. Daarin vergelijken onderzoekers de tijdvakken 1990-2000 en 2010-2020 met elkaar, met als mooie bijkomstigheid dat hun resultaten overeenkomen met die van de rest van Nederland. Zo’n 30 procent van de dagsoorten is eerder gaan uitvliegen, is een van de conclusies. 23 procent een week eerder, bij bijna de helft van de vlindersoorten is nog geen verschil opgemerkt.

De atalanta, dagpauwoog en gehakkelde aurelia verschijnen nu twee weken eerder dan in het vorige tijdvak. ‘Begrijpelijk’, zegt samensteller Siep Sinnema: ‘Ze overwinteren als vlinder en zijn dus al beschikbaar zodra het warmer wordt.’

Tot de ‘winnaars’ horen ook de soorten waarbij Nederland de noordrand van hun verspreidingsgebied was. Door hogere temperaturen schuift die grens naar boven, waardoor Nederland een aantrekkelijker gebied is. Onder meer de koninginnepage en keizersmantel profiteren ervan, zo blijkt uit de atlas (te bestellen op de site van Vlinderwerkgroep Friesland).

Het gentiaanblauwtje daarentegen (een zeldzame vlinder van heideterreinen waar de klokjesgentiaan bloeit) heeft een probleem met synchronisatie: die kan de snelle veranderingen niet bijbenen. ‘Uit Friesland is die helemaal verdwenen’, zegt Sinnema.

Bij het goede nieuws maakt hij nog wel een kanttekening: ‘Het totaal aantal vlinders is de laatste jaren wel met driekwart afgenomen. Dat heeft vooral te maken met verdroging, stikstofdepositie en bestrijdingsmiddelen. Klimaatverandering is ‘slechts’ nummer 4 op de lijst van grote problemen.’

null Beeld Studio V
Beeld Studio V

Is een vroeger voorjaar nu goed of slecht voor de natuur?

Dat is dus nog niet helemaal duidelijk. Nu alles in beweging lijkt, is voor elke soort de vraag of die in de pas kan blijven met het tempo van verandering. ‘Elke soort heeft zijn eigen ritmiek en kritische momenten’, zegt Arnold van Vliet, bioloog aan de Wageningen Universiteit en drijvende kracht achter Natuurkalender.nl. Als voorbeeld noemt hij de eikenprocessierups. ‘Die lijkt prima overweg te kunnen met lagere temperaturen in de winter, maar hij profiteert vooral van hogere temperaturen in het voorjaar.’

Veel hangt volgens Van Vliet niet alleen af van een vroeger of warmer begin van het voorjaar, maar ook van het vervolg van dat seizoen. ‘Dit jaar was het extreem met een week winter en een week zomer in één maand. Die grilligheid maakt het misschien lastiger voor de natuur. Als na een periode van vroege warmte de vorst terugkeert, zullen geactiveerde vlinders en insecten wellicht alsnog schade oplopen.’

De hazelaar en de els waren er dit seizoen extreem vroeg bij, volgens Van Vliet. ‘In het weekend waarin de sneeuwval en felle vorst hun intrede deden, stonden in het zuiden van het land de eerste zwarte elzen al in bloei. De vorst legde die bloei even stil, maar de katjes van de els waren nog niet ver genoeg geopend om te kunnen bevriezen.’

Vrolijk stemt dit alles Van Vliet niet: ‘Nu al reageren de meeste soortgroepen tien keer te langzaam op de waargenomen klimaatverandering. Voor tientallen procenten soorten zal Nederland aan het eind van deze eeuw te warm zijn. Dat is verontrustend en in combinatie met alle andere bedreigingen dus slecht nieuws voor de natuur.’

Een nieuwe lente, een somber geluid.

Meer over