Vaderland in de verte

DE REGELS BLIJVEN schitterend en de uitwerking ervan op de contemporaine lezers begrijpelijk:..

KEES FENS

And yet how lovely in thine age of woe,

Lands of lost Gods and godlike men! art thou!

Thy vales of evergreen, thy hills of snow,

Proclaim thee Nature's varied favourite now. . .

Griekenland als het van goden en godgelijke mensen verlaten paradijs. Byron riep het met zijn superieure grootspraak op in zijn in 1815 gepubliceerde Childe Harold's Pilgrimage. En hij lijkt de visie achter zich te hebben gelaten, verwoord in enkele regels uit het twee jaar eerder verschenen zeer romantische verhalende gedicht The Giaour:

Such is the aspect of this shore;

Tis Greece, but living Greece no more!. . .

Shrine of the mighty! can it be,

That this is all remains of thee?

Turner illustreerde de regels: onder een blauwe lucht staat de Acropolis, verlaten, vergeten, lijkt het, op de voorgrond een Turkse familie, geleund tegen een rots of een tent, in een verder lege wereld. Het landschap lijkt in een eentonigheid van geelbruin eerder oosters, waardoor de tempel en de ruïnes nog vreemder aandoen. Nature's varied favourite is onzichtbaar.

Turners illustratie staat, met de vier regels van Byron erbij, in het in 1981 verschenen boek The rediscovery of Greece van de Griekse kunsthistorica Fani-Maria Tsigakou. Het boek heeft als ondertitel Travellers and painters of the romantic era. Steven Runciman, de herontdekker van het Byzantijnse Griekenland, schreef er een voorwoord bij. In teksten en talloze reproducties van schilderijen en tekeningen krijgt het Griekenland als door West-Europeanen in de negentiende eeuw gezien gestalte. De tegenspraak die de twee teksten van Byron laten zien, kan karakteristiek heten voor het boek. Bevlogenheid door het grote verleden dat nog gelezen wordt in wat er overbleef, of in het arcadische landschap, wisselen af met nostalgie om de resten en dus de vergankelijkheid van alles. Maar allen wisten zich pelgrims naar hun oorsprong. Bij de romantici wijkt Rome voor Griekenland.

Het is niet moeilijk de regels van Byron te lezen als een verbeelding van zichzelf in het Griekse land, dat hij in 1811 bezocht. Hij is de gepassioneerde bewonderaar, maar de Griekse helden kregen ook een gelijkwaardige held op bezoek. Misschien is Byron voor de literaire beeldvorming van het toenmalige Griekenland, dat deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk, het meest verantwoordelijk. Voor die andere grote Engelse romantische dichter, Keats, die het land nooit bezocht, was de Griekse kunst een esthetische ervaring, maar ook een beleving van de eeuwigheid van de kunst tegenover de vergankelijkheid van liefde en geluk. Een schitterende synthese van de tegenstellingen schreef hij in zijn Ode on a Grecian urn. De relatie van de derde Engelse romantische dichter, Shelley, tot Griekenland is intellectueel genoemd. Zij is in elk geval de meest gecompliceerde, maar hij was van de drie ook de meest gecompliceerde dichter.

De inleiding bij The rediscovery of Greece geeft een uitstekend beeld van de 'Griekse beweging' in de Europese cultuur van de negentiende eeuw. Die begon in de tweede helft van de achttiende eeuw, de tijd van het classicisme dus, met het zichtbaar worden van Pompeï en Herculaneum (men vindt altijd wat past), met de grote studies van de Duitser Winckelman, die de Griekse beeldhouwkunst definitief normatief zou maken - de volmaaktheid werd ontdekt -, met het verzamelen door liefhebbers van Griekse oudheden, met reizen van vooral tekenaars naar Griekenland, met - in Engeland - ruimere aandacht voor het Grieks op de public schools. Griekenland wordt herschapen, onvermijdelijk naar eigen beeld en gelijkenis en dat is ook het eigen ideaal. Een van de grootste gebeurtenissen, het overbrengen door graaf Thomas Elgin van onder meer de Parthenon-sculpturen naar Londen, had plaats in 1812, maar is, kan men zeggen, typisch achttiende-eeuws van karakter. Toeëigening, in geestelijke en materiële zin is mede het gevolg van de aandacht voor Griekenland. Men kan het ook een vorm van imperialisme noemen. Het 'grote' Griekenland werd door de west-Europeanen in bezit genomen.

OOK VAN DE herontdekking van Griekenland door de romantici kan worden gezegd, dat ze een poging tot ontdekking van zichzelf is. Men zoekt ook wat moet passen. Het land was in vergetelheid geraakt, maar op de geestelijke erfenis van het klassieke Griekenland leefde men in het westen, grotendeels via Rome, dat het land overwon, maar door de geest van het land overwonnen werd. De Romeinse cultuur is zonder de Griekse ondenkbaar. En in tweede instantie geldt dat voor de hele westerse cultuur. De klassieke vorming was de culturele vorming, dat wil zeggen, de vorming van de elite. En daarmee een vorming met een reactionair karakter, want de macht van de elite bestendigend en die elite houdend of opsluitend binnen de eigen wereld. Hier doet zich een paradox voor: kennismaking met het andere versterkt alleen het eigene, zoals, kan men zeggen, later de koloniserende Engelsman zich meer in zijn Engels-zijn opsloot in de hem vreemde cultuur.

Dat er aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw in Engeland een strijd ontstond over het nut van die klassieke opvoeding, hoeft niet te verwonderen. Voor die strijd zijn verschillende oorzaken: de lage kwaliteit van het onderwijs, de ontdekking van de 'eigenlijke' wereld van met name de Grieken en natuurlijk vooral het vrije en naar gelijkheid strevende denken van de Franse Revolutie. De strijd over de klassieken was dus ook en misschien wel vooral een politieke strijd van, kan men zeggen, liberalen tegen conservatieven, open tegen gesloten geesten. De strijd werd zeer heftig toen de Engelse regering, bang voor het overslaan van de revolutie en later voor de ideeën ervan, steeds behoudender en onderdrukkender werd.

Het is geen grote stap de onderdrukking te confronteren met de vrijheid van de antieke Grieken, zeker waar kennis van Grieken en Griekenland steeds groter en intenser werd. Tegenover het eigene wordt het andere als ideaal gesteld. En het andere wordt gebruikt om het eigene te treffen. Men zoekt en vindt de verlangde bevrijdende identiteit elders. Juist wanneer kunstenaars voorgaan, wordt de literatuur zelf een politieke aangelegenheid. En dat kan bijvoorbeeld in de poëzie tot allegorisering leiden, gevolg van de beoogde dubbelzinnigheid.

Van de romantische dichters is Shelley niet alleen het meest een intellectueel, hij is ook, in zijn denken, het meest revolutionair (niet zo romantisch, zou ik haast zeggen, als Byron) en in zijn dichten de meest politieke. Zijn Romantisch Hellenisme onderscheidt zich in veel opzichten van dat van zijn tijdgenoten. De eigenheid ervan wordt zeer scherpzinnig aangetoond in de studie Shelley and Greece van Jennifer Wallace. Rethinking Romantic Hellenism is de ondertitel van haar studie. De eigenheid van dat Hellenisme wordt scherper zichtbaar naarmate de eigenheid van Shelley duidelijker wordt. De auteur corrigeert dus het algemene beeld en het beeld van Shelley. En de boven aangegeven paradox wordt voortdurend op verschillende wijzen en in verschillende vormen zichtbaar.

IN 1819 SCHRIJFT Shelley in een brief aan een vriend en geestgenoot onder meer: 'Ik beschouw poëzie als zeer ondergeschikt aan de morele en politieke wetenschap, en als het mij goed ging, zou ik zeker de laatste ambiëren.' Hij achtte poëzie belangrijk, vanwege het haar toegedichte vermogen meningen te veranderen, een revolutionaire verandering in de maatschappij aan te brengen. Elders schreef hij:'Poëzie wekt en verbreedt de geest door die geest een vergaarbak van duizenden onbegrepen combinaties van gedachten voor te zetten. Poëzie licht de sluier van de verborgen schoonheid van de wereld en maakt vertrouwde dingen alsof zij niet vertrouwd zijn.' Voor Griekenland geldt dat ook: het maakt het vertrouwde vreemd, mits de aandacht ervoor intellectueel is en niet idealistisch of zinnelijk, want dan conformeert men Griekenland aan zichzelf en versterkt het vreemde het eigene.

Shelley was zelf van adel; hij behoorde tot de heersende klasse en zijn opvoeding was er dus naar. Maar al meteen in Oxford verzet hij zich tegen de gevestigde orde: hij verklaart zich openlijk atheïst. En dat was meer dan een religieuze verklaring, het was ook een politieke, want het christendom heerste, in de staat. De gegeven hiërarchie werd ondergraven en daarmee ook de heersende moraal. Er werd gekozen voor vrijheid, voor andere levensvormen dan de vertrouwde en vigerende. In zijn belangstelling voor de Griekse cultuur van de oudheid zocht Shelley voortdurend die andere vormen en denkwijzen. Die daagden hem uit. De andere partij zocht in de Griekse cultuur eerder bevestiging van zichzelf, door het benadrukken van de ononderbroken historische lijn van Griekenland naar Engeland. Shelley zocht de breuk, de anderen de heelheid. De mogelijk dubbele interpretatie van het begrip Griekenland maakte het woord zelf een dubbelzinnige metafoor. Van die dubbelzinnigheid heeft Shelley in veel gedichten gebruik gemaakt, zoals de vaak scherpzinnige analyses van de auteur laten zien.

Shelley koos in zijn leven voor de morele vrijheid. En die vrijheid, vooral in de liefde, vond hij terug bij de Grieken. Maar geen verheerlijking ervan zonder de aanval op zijn tegenpartij; het gedicht heeft altijd een politiek doel. Dat maakt de dubbelzinnigheid, het allegorisch karakter ervan ook, haast vanzelf noodzakelijk. En voor de lezer valt er veel te duiden en te 'vereenvoudigen'.

De voortdurende ontdubbeling door de auteur van gedichten maakt de vraag naar het romantisch karakter van Shelleys poëzie wel erg dringend. Naar mijn idee wordt Shelley in deze studie gederomantiseerd - zijn poëzie lijkt dichter bij die van de achttiende eeuw te liggen. Jennifer Wallace trekt de conclusie niet, maar de hele opzet van de studie maakt de slotsom mogelijk: Shelley is als Hellenist anders, omdat hij geen romanticus is. En de anderen, vooral Byron, worden in hun eigenheid van romanticus versterkt.

SHELLEYS OPVATTINGEN EN poëzie worden getoetst aan de grote themata die de aandacht voor Griekenland bepalen: de opvoeding met de klassieken, met mooie deelinterpretaties van Queen Mab en Alastor, de democratie, met een heel sterke passage over dialoog - essentieel voor de Griekse democratische cultuur - en het drama. Misschien het mooiste hoofdstuk is het derde, waarin de aandacht voor de pastorale centraal staat, en voor het vertalen. En vertalen zelf wordt een metafoor voor het onbereikbare van een vreemde cultuur. Scherpzinnig is het hoofdstuk over de oriëntalisering van Griekenland. Het laatste hoofdstuk handelt over de Griekse onafhankelijkheidsoorlog, die alle nieuwe geesten in Europa al of niet letterlijk in het geweer bracht. Naar mijn smaak valt dit hoofdstuk enigszins buiten de studie; het gaat hier om een historische gebeurtenis en de reacties daarop. Alle anderen houden zich met ideeën, theorieën en intellectuele en politieke debatten bezig; ze zijn veeleer geestesgeschiedenis of politieke cultuurgeschiedenis.

Shelley zocht in zijn omgaan met de Griekse wereld confrontatie met het andere. Dat werd in zijn poëzie verwoord met politieke doeleinden: de ondergraving of bespotting van de gevestigde orde. Bij hem lijkt het algemene van belang en niet het persoonlijke, als bij Byron. De confrontatie is echter ook een ondermijnende: de grootheid van de dichters van eens kan verlammend werken op de dichter nu. Toenaderen en afstand nemen, ook uit zelfbehoud, is voor Shelleys omgang met de Griekse wereld kenmerkend. Misschien zijn grootste verzetsdaad (en zijn grootste eerbetoon!) - een zuiver literaire in dit geval - is zijn Prometheus unbound, waarin hij zichzelf ook losmaakt van Aeschylos en daarmee van de Griekse literatuur. Hij ontrooft de Grieken het vuur, hun held Prometheus. De nostalgie om het verdwijnen van de cultuur is hem niet vreemd en ook die eist zelfbescherming en dus afstandnemen. Hij was ook voortdurend op zijn hoede voor idealisering van het vreemde, maar daarmee ook van toeëigening. Misschien is hij zich meer dan wie van zijn tijdgenoten ook bewust geweest van het vreemde van het andere, van de ontoegankelijkheid ervan dus, wellicht juist omdat hij de paradox van bevestiging van het eigene door het vreemde zo scherp doorzag. De studie maakt hem in elk geval in zeer veel opzichten uiterst modern, vooral, lijkt mij, door zijn omgekeerde imperialisme: hij wilde het andere niet veroveren, maar het eigene veranderen en dus beheersen. Met de poëzie als machtsmiddel.

Wellicht vooral doordat hij niet paste - ook de kritiek en literatuurgeschiedenis vindt altijd wat past en vindt dat ook goed - is Shelley in Engeland als dichter altijd onder Keats gesteld. De politieke gedrevenheid van zijn dichterschap, waarover al vrij veel is gepubliceerd, heeft hem een eigenheid gegeven. Hij zal als een sterk intellectuele dichter - maar met welke superieure lyrische middelen vaak - aanvaard moeten worden. Dat lijkt of leek in Engeland moeilijk. Hij is dan ook, zoals ik eens gelezen heb, in het land waar de literatuur altijd een sterke filosofische kant heeft gekend, Duitsland, meer gewaardeerd dan in eigen land. Hij heeft bereikt wat hij wilde: zich niet conformeren en vreemdeling zijn in eigen land.

Heeft hij invloed gehad met zijn dubbelzinnigheid, in zijn poëzie en in zijn houding tegenover Griekenland? De bevestigers van het eigene in het vreemde lijken het te hebben gewonnen. De werkelijk alles omvattende studie van Richard Jenkins, The Victorians and Ancient Greece kan het bewijzen. De strijd, zeker over het onderwijs, gaat bijna de hele eeuw door.

Jennifer Wallace, Shelley and Greece, rethinking Romantic Hellenism. MacMillan Press, Londen, ¿132,00

Meer over