NieuwsEerste Wereldoorlog

Turks archiefmateriaal over WO I hertaald: ‘Door gebrek aan drinkwater dronken zij hun eigen bloed’

Het is deze maand honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog eindigde, en dat leidt tot nieuwe belangstelling voor archiefmateriaal. Zonder valkuilen is dat echter niet.

Australische soldaten, waarvan velen gewond en dood,  op de dag van de landing op het Turkse strand bij de slag om Gallipoli.  Beeld Fairfax Media via Getty Images
Australische soldaten, waarvan velen gewond en dood, op de dag van de landing op het Turkse strand bij de slag om Gallipoli.Beeld Fairfax Media via Getty Images

Op de vroege ochtend van 25 april 1915 stoomde een vloot van ruim tweehonderd schepen over de Middellandse Zee naar de ingang van de Bosporus. Aan boord waren Franse en Britse soldaten en de zogeheten ANZAC, Australische en Nieuw-Zeelandse troepen, onderweg naar de veldslag die de geschiedenis in zou gaan als ‘Gallipoli’. Het doel van de operatie, bedacht door de Britse minister van Marine Winston Churchill, was om de Turken een razendsnelle, verpletterende militaire nederlaag te bezorgen, waardoor het land, een bondgenoot van Duitsland, zich zou moeten terugtrekken uit de Eerste Wereldoorlog.

Het liep anders. De Turken waren goed voorbereid op een mogelijke invasie en de ANZAC kwamen acht maanden lang niet verder dan de stranden waar ze waren geland. Uiteindelijk besloten de geallieerden eind 1915 om hun troepen uit Gallipoli te evacueren. Stapje voor stapje werden de soldaten van de stranden gehaald, totdat op de vroege ochtend van 20 december, vlak voor zonsopgang, de laatste Australiërs in alle stilte het slagveld verlieten. In acht maanden tijd waren er bijna 131 duizend doden gevallen: 44.150 geallieerden en 86.692 Turken.

De geallieerde kant van de veldslag is uitgebreid beschreven; niet alleen met behulp van militaire rapporten en verslagen, maar ook aan de hand van bijvoorbeeld brieven en dagboeken van soldaten. Het Turkse perspectief op de gevechten is in het Westen grotendeels onbekend, onder meer doordat onderzoekers stuiten op een dubbele taalbarrière. De beschikbare bronnen zijn geschreven in Ottomaans Turks, dat gebruikmaakt van het Arabisch schrift.

De Australische schrijver en militair-historicus Harvey Broadbent kreeg in aanloop naar de honderdjarige herdenking van de slag toegang tot Turkse militaire archieven en slaagde er in om 2.500 pagina’s materiaal te translitereren naar modern Turks en vervolgens te vertalen naar het Engels. Het is maar een klein deel van alle beschikbare Turkse documenten, maar het werk leverde toch nieuwe inzichten op. Soms gaat het om relatief kleine dingen; zo blijkt uit een telegram van een van de Turkse commandanten dat het mistig was op de ochtend van de landingen, iets wat tot nu toe niet bekend was.

Andere ontdekkingen hebben meer gevolg voor de geschiedschrijving, zegt Broadbent. In het archief van de Turkse generale staf vond hij onder meer verslagen en geschetste kaartjes van dagelijkse verkenningsvluchten boven het front. ‘De Turken gebruikten veel vaker vliegtuigen voor verkenning en bombardementen dan we tot nu toe dachten.’

In het archief vond Broadbent ook stukken over ondervraging van geallieerde krijgsgevangenen. In een document schrijft een Turkse ondervrager dat volgens de krijgsgevangenen de ANZAC op het strand ‘moreel en fysiek uitgeput’ zijn. ‘Behalve gebrek aan voedsel is er ook gebrek aan drinkwater, waardoor ze gedwongen waren hun polsen stuk te bijten om hun eigen bloed te kunnen drinken.’

Broadbent is niet de enige die de afgelopen jaren werkte aan de ontsluiting van moeilijk toegankelijk archiefmateriaal over de Eerste Wereldoorlog. Vooral in de Engelstalige wereld maakten archieven en musea delen van hun collectie via het internet beschikbaar. Soms ging het daarbij om een kleine collectie topstukken die tijdelijk in de digitale etalage werden gezet, maar soms zijn het grootschalige projecten. Zo digitaliseerde het Canadese nationale archief in Ottawa tussen januari 2014 en augustus 2018 de persoonlijke militaire dossiers van alle 622.290 soldaten van het zogeheten Canadian Expeditionary Force, het Canadese leger dat vocht in de Europese loopgraven.

Die dossiers bestaan voornamelijk uit aanmeldingsformulieren, medische dossiers en gegevens over overplaatsingen, maar soms kwamen er persoonlijke brieven en kiekjes tevoorschijn. Een dossier bevatte zelfs een granaatscherf, die honderd jaar onopgemerkt in het archief had gelegen.

Aanleiding voor het Canadese project was tweeledig. Door de dossiers online beschikbaar te maken, hoeven geïnteresseerden – hoofdzakelijk familieleden, maar ook historici, scholieren en studenten – niet helemaal naar Ottawa te reizen om de documenten te raadplegen. Het andere argument was vooral pragmatisch: de zogenoemde service files zijn de meest geraadpleegde stukken uit de archiefcollectie, maar het is oud, kwetsbaar materiaal dat gemakkelijk beschadigd kan raken.

De Nederlandse hoogleraar militaire geschiedenis Wim Klinkert wijst op twee parallelle ontwikkelingen. Aan de ene kant zijn de technische mogelijkheden sterk toegenomen, waardoor grote digitale projecten ineens binnen bereik komen; aan de andere kant is er bij het brede publiek toegenomen belangstelling voor familiegeschiedenis en ‘kleine’ geschiedenis.

Klinkert, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam en de Nederlandse Defensie Academie in Breda, is voorzichtig met de vertaling van bronnenmateriaal. ‘Je kunt alleen vertalen als je heel nauwkeurig op de hoogte bent van wat de teksten betekenen. Neem bijvoorbeeld een begrip als ‘dienstplicht’. Internationaal zijn er zoveel verschillende vormen en invullingen van de dienstplicht geweest, dat je bij een vertaling het risico loopt dat je net niet het juiste fenomeen omschrijft.

‘Het komt voor dat ik schrijf over dingen uit de Nederlandse situatie die bijna onvertaalbaar zijn naar het Engels, omdat een vergelijkbaar fenomeen in de Engelse situatie niet bestaat. In Nederland bestond tijdens de Eerste Wereldoorlog bijvoorbeeld de Vrijwillige Landstorm, een soort vrijwillig reserveleger.’ Bij het vertalen moet je dergelijke begrippen zo goed mogelijk beschrijven, maar daarbij raak je van het oorspronkelijke begrip verwijderd, legt Klinkert uit.

Broadbent onderschrijft dat probleem. Zonder grondige kennis van de technische en culturele achtergrond is de vertaling volgens hem een ‘mijnenveld’. ‘Tijdens het werk heb ik bovendien advies gekregen van Turkse officieren en historici. Dat was essentieel om te begrijpen hoe het Ottomaanse leger functioneerde.’

De herdenking van de wapenstilstand leidt niet alleen tot extra aandacht van historici en archiefbeheerders. De Nieuw-Zeelandse regisseur Peter Jackson (The Lord of the Rings) bewerkte met digitale techniek meer dan honderd jaar oude filmbeelden van de Slag aan de Somme tot een nieuwe film, They Shall Not Grow Old. Jackson restaureerde en kleurde de filmbeelden en reconstrueerde met hulp van liplezers wat de in beeld gebrachte soldaten waarschijnlijk zeiden. Op een schietbaan van het Nieuw-Zeelandse leger maakte hij geluidsopnamen van inslaande granaten en het geratel van machinegeweren.

‘Zo’n film is wel een heel ruime interpretatie van de beschikbare bronnen’, zegt Klinkert. ‘Het heeft niet zoveel meer met historisch onderzoek te maken, maar als het de belangstelling voor de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog verhoogt, lijkt het me verder prima.’

Nietjes

De dossiers van de 622.290 Canadese soldaten uit de Eerste Wereldoorlog zijn samengebracht in een databank met meer dan dertig miljoen scans. Voor de digitalisering werd 260 kilo aan honderd jaar oude splitpennen en nietjes verwijderd uit de dossiers.

Meer over