Interview

Traumachirurg Marijn Houwert schrijft over zijn vak: ‘Er moet ruimte zijn om te verwerken wat we meemaken’

Marijn Houwert: ‘Nu pas realiseer ik me welke impact dit werk kan hebben, dat artsen een grens kunnen bereiken in wat ze aankunnen.’ 	 Beeld Judith Jockel
Marijn Houwert: ‘Nu pas realiseer ik me welke impact dit werk kan hebben, dat artsen een grens kunnen bereiken in wat ze aankunnen.’Beeld Judith Jockel

Na ernstige ongelukken, valpartijen of steekincidenten gaat Marijn Houwert aan het werk. De traumachirurg schreef een boek over zijn tamelijk onzichtbare vakgebied.

Traumachirurg Marijn Houwert rijdt geen motor meer sinds hij traumachirurg is. ‘Op een motor heb je geen airbag, je bent je eigen kreukelzone. De gevolgen zien wij hier.’ Drank en drugs, nog zo eentje: ‘Zelf weten, maar ga in je bed liggen daarna, stap in godsnaam niet in een auto en klim niet op een ladder.’ Afgelopen vrijdagavond had hij dienst: eerst een oudere man die na een ernstige val niet meer bleek te redden, daarna meteen door naar een man die met een krat bier op de vlieringtrap had willen beklimmen. Een gebroken nek, ook hij overleed. Houwert spreidt zijn handen en schudt het hoofd.

In de wereld van een traumachirurg bestaan geen standaarddagen. Samen met zijn collega’s behandelt Houwert (39) in het UMC Utrecht jaarlijks 1.800 patiënten op de traumakamer, van wie er 350 à 400 zwaargewond zijn. Het gaat bijna altijd om ernstige ongelukken en valpartijen, in een paar procent van de gevallen zijn het steek- en schietincidenten. Er is altijd haast bij.

De traumachirurgie is een tamelijk onzichtbaar vakgebied, met slechts een paar hoogleraren, geen patiëntenvereniging of collectebusfonds. Twee jaar geleden begon Houwert met een blog voor vakblad Medisch Contact, verhalen die opvielen door de vlotte schrijfstijl en de scherpe toon. Daarom is er nu een boek, over zijn vak, over zijn patiënten en over de verwondering waarmee hij soms de gang van zaken in zijn ziekenhuis bekijkt. Een gesprek aan de hand van zes citaten uit zijn boek.

‘De toch altijd wel goedgebekte en goedgehumeurde chirurgen kijken elkaar wezenloos aan. Dit meisje was vier jaar oud, en bijna iedereen heeft kinderen. Dit klopt niet.’

‘Ik schrijf over een moeder die haar dochtertje verloor na een aanrijding. De moeder raakte zwaargewond, ze gaf me toestemming om haar verhaal te vertellen. Jaarlijks worden 4.500 mensen ernstig gewond in een ziekenhuis opgenomen. Gemiddeld duurt het na een zwaar ongeval twee jaar voordat ze zijn hersteld, maar daar is niet veel aandacht voor. Traumapatiënten vallen nergens onder, hun letsels zijn te divers. Er is maar één overeenkomst: ze zijn uit het niets in een donkere put gevallen.

‘Kankerpatiënten en hartpatiënten hebben een patiëntenvereniging en lotgenotencontact, een traumapatiënt blijft alleen staan. Wie een pasgeboren kindje verliest, krijgt begeleiding van het ziekenhuis aangeboden, wie een kind verliest na een aanrijding niet.

‘Trauma is heel lang niet als ziekte erkend. Dat is pas kort geleden veranderd. Er blijken toch overeenkomsten tussen al die patiënten, met hun uiteenlopende letsels. We zien bijvoorbeeld dat na een zwaar ongeval het immuunsysteem reageert. Ik verwacht dat we binnen enkele jaren bij ernstig gewonde patiënten bloed afnemen en dan op basis van een immuunprofiel beslissingen kunnen nemen, bijvoorbeeld of ze een operatie aankunnen.’

‘Op het moment dat je niet meer kunt huilen, moet je stoppen.’

‘Mijn opleider had als chirurg in alle brandhaarden van de wereld gewerkt en was daarna traumachirurg geworden in een academisch ziekenhuis. Nergens bang voor, alles gezien, maar de ellende kende grenzen. Na twintig jaar was hij er wel klaar mee, hij vertrok, ging prettig werken in een ziekenhuis in de binnenstad. Destijds begreep ik zijn overweging niet, ik was bijna chirurg, ik zat vol adrenaline, ik wilde grote ongevallen doen. Nu pas realiseer ik me wat voor impact dit werk kan hebben, dat artsen een grens kunnen bereiken in wat ze aankunnen. Dat moment zou ook ooit voor mij kunnen komen.

‘Toen ik hier vanmorgen aankwam, sprak ik een collega die gisteren een kindje van 2 had opgevangen dat bijna was verdronken. Het liet hem niet los, vertelde hij. Dan weet ik: ik moet hem de komende tijd vragen hoe het gaat. Er moet ruimte zijn om te verwerken wat we meemaken en daar helpen we elkaar bij. Iedereen moet daar zijn eigen weg in vinden. Ja, natuurlijk, ook op onze afdeling wordt gehuild.’

Marijn Houwert: ‘Ik wil ver wegblijven van de heroïek die rond ons vak hangt. Daarmee doe je het team tekort.’ Beeld Judith Jockel
Marijn Houwert: ‘Ik wil ver wegblijven van de heroïek die rond ons vak hangt. Daarmee doe je het team tekort.’Beeld Judith Jockel

‘Het stereotype van de traumachirurg: grote mond, slap ouwehoeren en lekker opereren.’

‘Veel mensen gaan ervan uit dat wij een soort cowboys zijn, er hangt een heroïek rond ons vak, mede door tv-programma’s als ER. Daar wil ik ver van wegblijven, want daarmee doe je het team tekort. Als wij naar de spoedeisende hulp worden geroepen, dan staan daar artsen, verpleegkundigen en röntgenlaboranten klaar. Zij geven ons informatie, wij staan aan het hoofdeinde, houden overzicht, geven aanwijzingen en nemen beslissingen. Ook op de operatiekamer zijn we constant met collega’s aan het overleggen. Bij reguliere operaties weten artsen en verpleegkundigen vaak precies wat er gaat gebeuren, bij ons is het handelen naar bevinden, we weten vaak niet wat we tegenkomen.

‘In de geneeskunde gaan we toe naar een superspecialisatie, iedereen is keizer op zijn eigen postzegel. Voor traumapatiënten wil je dat niet, ze moeten niet eindeloos heen en weer worden geschoven tussen artsen en afdelingen. Wij zijn voor mijn gevoel de laatste generalisten in het ziekenhuis.’

‘Hoe moeilijk is het om mensen die in de frontlinie staan netjes te compenseren als het misgaat?’

‘Samen met mijn collega-chirurg Sander Muijs heb ik vorig jaar het initiatief genomen om een steunfonds op te richten voor de zorgverleners die het zwaarst zijn geraakt door corona. Tot nu toe heeft het fonds geld uitgekeerd aan 54 collega’s die op de ic hebben gelegen en aan tien nabestaanden van overleden zorgverleners. Er komen nog altijd aanvragen binnen. We hebben onlangs de doelgroep uitgebreid, het fonds is er nu voor iedereen die het mogelijk maakt om voor covidpatiënten te zorgen, dus ook voor schoonmakers, baliemedewerkers en laboranten.

‘We financieren ook de richtlijn die nu wordt geschreven voor de nazorg aan zorgverleners. Gek genoeg is zo’n richtlijn er wel voor politie, brandweer en militairen, maar niet voor zorgmedewerkers. Ieder ziekenhuis zoekt zelf zijn weg. Drie dagen na de tramaanslag in Utrecht heeft een van onze bestuurders hier in het Calamiteitenhospitaal op ons verzoek tachtig betrokkenen toegesproken. Dat was nodig, zagen we. De beveiliger bijvoorbeeld en de medisch secretaresse hadden alles gezien en die hadden het daar vreselijk zwaar mee. Het bijzondere van dit coronajaar is dat hulpverleners dichter bij elkaar zijn gekomen. Voorheen zaten de maatschappelijk werkers, de geestelijk verzorgers en medisch psychologen toch vaak op eilandjes, nu werken ze samen.’

‘Ik heb ongeveer tien jaar onderzoek gedaan naar gebroken sleutelbenen. Wat heeft dat opgeleverd? Je kunt ze opereren, maar je kunt het ook niet doen.’

‘Gerandomiseerd onderzoek, dat is in de geneeskunde de heilige graal. Je verdeelt je patiënten door loting in twee groepen en die ga je vergelijken. Dat werkt geweldig bij het beoordelen van een medicijn, maar inmiddels ben ik erachter dat er onderzoekstechnisch een essentieel verschil is tussen het geven van een pil en het uitvoeren van een operatie.

‘Ik heb onderzoek gedaan in het ziekenhuis waar ik ben opgeleid, daar waren twee traumachirurgen altijd aan het kissebissen over de fixatie van een gebroken sleutelbeen. De een gebruikte steevast een pen, de ander een plaat. Ik heb nagekeken hoe het hun patiënten verging, ik vond geen verschil. Maar aan dat soort observationeel onderzoek wordt minder bewijskracht toegekend, dus met vereende krachten hebben we toen een gerandomiseerd onderzoek opgezet. Er deden vier ziekenhuizen mee, het duurde drie jaar, het kostte tonnen, en tot mijn verbazing kwam er exact hetzelfde uit.

‘Ik ben in contact gekomen met Rolf Groenwold, hoogleraar klinische epidemiologie. Die was meteen enthousiast en samen zijn we alle observationele studies wereldwijd naar deze operatie gaan vergelijken met alle gerandomiseerde studies. Wat denk je? Precies dezelfde uitkomsten. We werken nog steeds samen, we hebben bijna het hele skelet aan botbreuken doorgenomen, we vinden steeds hetzelfde.

‘Voor die observationele studies hoef je niet een heel circus op te tuigen, je hoeft alleen maar secuur bij te houden wat je doet. Dat levert al een schat aan informatie op. Probleem is alleen dat dergelijk onderzoek in de academische wereld veel minder aanzien heeft. De grote subsidies krijg je voor de gerandomiseerde studies, daar worden we op afgerekend. Wie geen geld binnenhaalt, wordt niet gezien als een goede wetenschapper. Maar als jij je vak kunt verbeteren zonder dat het de maatschappij handenvol geld kost, dan moet dat toch worden toegejuicht?’

‘Laat je om te beginnen nóóit door managers (mensen in een paars pak met krulschoenen) vertellen dat aiossen geld kosten. Dat is namelijk niet waar: ze leveren geld op, en niet zo’n klein beetje ook.’

‘Er is in Nederland een enorm tekort aan verpleegkundigen, maar van jonge, pas afgestudeerde medisch specialisten, jonge klaren noemen we die, zijn er meer dan genoeg. Als aiossen, assistenten in opleiding tot specialist, na jaren keihard werken klaar zijn, vinden ze nergens plek. Er zijn alleen al 150 jonge chirurgen zonder vaste baan, en dat probleem speelt ook bij de jonge internisten, de radiologen, de cardiologen, de orthopedisch chirurgen, en de maag-darm-leverartsen. Een deel van hen gaat naar het buitenland, een deel zit thuis of doet ander werk, een deel zit in een enorme bus die van de ene naar de andere tijdelijke functie reist.

‘Om die jonge garde te helpen, moeten wij anders naar ons vak gaan kijken. Je kunt best drie dagen per week chirurg zijn, een fulltimebaan kan prima worden opgevuld door twee artsen. Mijn generatie staat daarvoor open, maar om me heen hoor ik nog veel ouderwetse argumenten: een chirurg moet 100 uur per week in het ziekenhuis zijn, want dat is belangrijk voor de continuïteit van zorg. Als je goed samenwerkt met je collega’s, hoef je er echt niet altijd te zijn, dan draag je als team zorg voor de continuïteit.

‘Ook het aantal opleidingsplekken moet naar beneden, de kraan moet dicht. Dat is ingewikkeld, want iedere arts in opleiding krijgt van de overheid een zak geld mee en daar houden ziekenhuizen tienduizenden euro’s aan over. Er is een financiële prikkel om ze te blijven opleiden en dat klopt gewoon niet. Want we weten dat we ze over een paar jaar weinig te bieden hebben. Dat is oneerlijk tegenover een grote groep jonge artsen die zich een slag in de rondte heeft gewerkt. Ik schat dat er nu tussen de vijfhonderd en de duizend jonge medisch specialisten zijn zonder vaste baan. We moeten ons echt verantwoordelijker gaan voelen voor die groep.

‘Dus nee, ik heb het niet zo op zorgmanagers die alleen naar geldzaken kijken. In een ziekenhuis zou de zorg centraal moeten staan, maar ik heb te vaak het gevoel dat de financiën leidend zijn.’

Marijn Houwert: Zorg voor je mensen. Arbeiderspers; €20,00. De royalty’s van het boek gaan naar Stichting Leading Doctors.

Meer over