Tot ontbinding in zingende zandduinen

JIM CRACE behoort, samen met onder anderen Salman Rushdie, tot de eredivisie van de fabulisten. Beide auteurs beschikken over een fenomenale verbeeldingskracht, met dien verstande dat die van Rushdie exuberant en kleurrijk is, en Crace's werk meer ingetogen....

Crace schrijft veelal over gebieden die aan zijn fantasie zijn ontsproten. Landen met een eigen flora en fauna, wetten en tradities, gewoonten en geschiedenis. In dat opzicht sprak de Nederlandse titel van zijn debuut, dat in het Engels verscheen als Continent, duidelijke taal: Het zevende werelddeel.

Over vertalen gesproken: Crace moet - net als Rushdie - het soort auteur zijn met wie je als vertaler een haat-liefde relatie opbouwt, want hij vraagt met zijn verbeelding dikwijls het uiterste van een vertaler. Wat moet die met 'sprayhoppers', 'swag flies', 'lissom grass', 'pintongue', 'sand hair' en 'angel bed'? Het woordenboek biedt geen soelaas, dus zit er niets anders op dan passende equivalenten te bedenken, zoals in eerdere boeken 'eendenmosselen', 'kamoesters', 'hongergras', 'ebvlees' en 'sluft'.

Being Dead, Crace's zesde boek, opent met twee geliefden. Geen 'star-crossed lovers', zoals bij Shakespeare, maar 'spreadeagled lovers'. Dertig jaar geleden hebben ze hier in de duinen voor het eerst met elkaar gevreeën. Opnieuw liggen ze nu in de 'zingende zoutduinen van Baritone Bay', maar ditmaal zijn ze dood.

De kranten weten het later mooi te zeggen. Het tweetal zou ongetwijfeld de liefde hebben bedreven, 'was niet de Dood, gewapend met een stuk graniet, te midden van hun kussen getreden'.

Hij heette Joseph, en was bij leven zoöloog en directeur van het Tidal Institute. Zij, Celice, was docent aan de universiteit. Een weinig opzienbarend, zeker niet bijzonder aantrekkelijk stel, en laat-middelbaar bovendien. 'Wie had kunnen denken dat onaantrekkelijke mensen van die leeftijd en die intellectuele achtergrond seks en moord in de open lucht op hun pad zouden ontmoeten? Ze betaalden een hoge prijs voor hun nostalgie.'

De twee lichamen blijven zes dagen in de duinen liggen en vallen in die periode ten prooi aan kevers, krabben, zeemeeuwen, vliegen en andere aaseters. Crace beschrijft in detail hoe beiden sterven, een snelle dood voor Celice en een langzame voor Joseph, en hoe hun lichamen beginnen te ontbinden.

De zin 'The universe could not care less' lijkt een rechtstreekse verwijzing naar het korte gedicht 'A Man Said to the Universe' van Stephen Crane, waarin een individu zijn bestaan kenbaar maakt ('Sir, I exist!'), maar daarmee niet de minste indruk maakt. Ons leven, onze dood, ze zijn betekenisloos in het heelal. Sterven is slechts het proces, zo lezen we verderop bij Crace, waarbij 'flesh' verandert in 'meat'.

Hoe betekenisloos een mensenleven volgens Crace ook is, hij neemt toch de moeite de levens van zijn twee hoofdpersonen te beschrijven. Want er mogen dan geen God en geen hiernamaals zijn, er bestaan wel tradities en rituelen waarmee wij proberen zin te suggereren, of op zijn minst de zinledigheid draaglijk trachten te maken, hoewel zelfs die op de terugtocht zijn.

Neem de 'quivering' (wederom een Craciaans verzinsel). Het gebruik is inmiddels uitgestorven, maar waren Joseph en Celice honderd jaar eerder gestorven, dan waren hun lichamen niet zonder plichtplegingen naar huis gebracht, maar had er een nacht lang een 'quivering' plaatsgevonden.

De dode lichamen zouden keurig zijn aangekleed, de wonden bedekt en Josephs handen zouden op die van Celice zijn gelegd. De kamer zou hebben geroken naar kamfer, waskaarsen en zeep. Er zou lawaai zijn gemaakt, door te roepen en door met 'uiver sticks' te slaan. Zo zouden de duivels worden uitgedreven. De matrassen van de doden zouden flink worden opgeschud, zodat hun zonden zouden verdwijnen. De buren zouden van alle lawaai niet kunnen slapen en zo hoorde het ook. En gedurende de hele nacht zouden de rouwenden hebben geweend en dierbare herinneringen opgehaald, steeds verder teruggaand in de tijd, om uiteindelijk, bij het krieken van de morgen, bij de geboorte van de overledenen te eindigen.

Maar Joseph en Celice zijn honderd jaar te laat geboren en er zijn geen 'quiverings' meer. Dus doet Jim Crace wat kunstenaars al honderd jaar doen: hij tracht de lacune te vullen die is ontstaan na de dood van God. Being Dead is Crace's 'quivering of sorts' voor Joseph en Celice.

Dus lezen we hoe de twee elkaar dertig jaar geleden ontmoetten, en hoe Joseph Celice in de duinen liet zien hoe je de 'sprayhopper' kunt laten springen: niet door naar hem te blazen of hem aan te raken, maar door hem nat te spatten. Hoe zoöloog Joseph op het instituut als een echte faculteitssnob neerkeek op botanici, 'plantenmensen' die zijns inziens een minder belangrijk leven leiden. Hoe Celice op amoureus en seksueel gebied haar weg vond in de 'futloze jaren zeventig'.

De levensverhalen van het tweetal worden afgewisseld met beschrijvingen van het ontbindingsproces van hun lichamen, waarbij vooral de afstandelijke en klinische toon opvalt.

Bij Crace maken de twee dode lichamen gewoon deel uit van het duinlandschap dat hij beschrijft. Ze voeden plant en dier, en zouden geheel door de natuur zijn opgenomen als ze niet na zes dagen door honden waren gevonden. 'Zelfs sterren ontbinden, vallen uiteen en verzengen de lucht. Alles werd geboren om weer te verdwijnen. Het universum heeft geleerd met de dood om te gaan.'

Being Dead blinkt, net als de andere boeken van Crace, uit door stilistische schoonheid, maar ditmaal is die schoonheid wel van een kille, steriele soort. Dat komt niet alleen door de meticuleuze beschrijvingen van twee ontbindende lichamen. Ook in de andere delen van het boek komen Joseph en Celice niet echt tot leven, worden ze geen mensen van vlees en bloed. In die zin is Crace's 'quivering of sorts' dan ook niet werkelijk geslaagd.

De uiteindelijke 'boodschap' van de roman, alle poëtische beschrijvingen ten spijt, is prozaïsch, banaal en onaangedaan. Net als de dichtregels van de fictieve dichter Sherwin Stephens, die hij als motto citeert.

Meer over