Sympathieke getuigenissen

'ALS verjaardagscadeau wens ik mij een bom, want de vrede komt toch niet. Ik kan wel huilen', schrijft de joodse onderduikster Rose Jakobs op 3 mei 1944 in haar dagboek, dat onlangs werd gepubliceerd onder de titel De Roos die nooit bloeide....

'Ik denk er dikwijls aan dat wij toch eigenlijk maar een betrekkelijk geringe kans hebben om levend uit deze hel van verschrikkingen te komen. Ten eerste is er voor ons steeds het gevaar dat alles ontdekt wordt. En dan de bommen. En de Moffen', had ze geschreven op 20 mei 1943.

Authentieke dagboeken van joden uit hun onderduiktijd in Nederland zijn er niet veel. Na meer dan een halve eeuw besloot Edith Samuel-Jakobs het dagboek van haar zuster te publiceren. Rose Jakobs was 17 toen zij in augustus 1942 onderdook en met haar dagboek begon. Zij had haar puberteit achter zich gelaten en emotionele of filosofische ontboezemingen zoals die van Anne Frank en Etty Hillesum komen in haar dagboek niet voor. Het is vooral een 'extern dagboek' naar de woorden van de historicus Jacques Presser, dus met minder aandacht voor de eigen zielenroerselen dan voor de gebeurtenissen in de wereld om haar heen.

Rose's dagboek geeft dan ook een representatiever beeld van het alledaagse leven van joodse onderduikers dan dat van Anne Frank, die tenslotte met het hele gezin tot haar deportatie in het kantoor van haar vader was ondergedoken. Rose Jakobs was ondergebracht bij vreemden en zag haar ouders pas weer toen ze in het laatste oorlogsjaar om veiligheidsredenen in Beek bij hen onderdook en ook daar alleen maar geduld werd. Zij beschrijft het fluisteren, de verveling, de voedselschaarste en de stijgende invasiekoorts; al vanaf begin 1943 leefde men in afwachting van de geallieerde invasie, die pas op 6 juni 1944 zou plaatsvinden.

Op haar onderduikadres wordt ze gebruikt als het dienstmeisje. Het gevoel afhankelijk te zijn van vreemden - 'jullie hebben van de week verschrikkelijk veel wc-papier gebruikt' - maakt het leven soms ondraaglijk. Maar klagen doet ze niet. 'Nee, dankbaar moeten we zijn, dat we hier nu zo stil op zolder mogen zitten.'

Deze verzuchting uit haar eerste dagboeknotitie is karakteristiek voor de wijze waarop zij zichzelf voortdurend tot de orde roept. Ze mag niet jaloers zijn op de mensen die buiten vrij in de zon rondlopen, ze mag niet ongeduldig worden: in Polen was het tenslotte nog heel wat erger. Maar in een van haar laatste dagboekaantekeningen wordt het haar te veel en barst ze uit: 'En toch kom ik ertegen in opstand. Ik kan het niet helpen. Het is ook zo'n gekke, onzinnige wereld.'

Niet klagen zou ook het motto kunnen zijn van het levensverhaal van Carolus Witmond: Prijsgegeven geheimen - Het levensverhaal van een Amsterdams verzetsman. Hij beschrijft hoe hij als jonge metaalbewerker vanuit zijn AJC-achtergrond min of meer vanzelfsprekend in het verzet rolde. Al in de zomer van 1940 was hij betrokken bij de verspreiding van het illegale blad van Frans Goedhart, Nieuwsbrief van Pieter 't Hoen, de voorloper van Het Parool.

Helaas is Witmond in zijn beschrijvingen van die verzetsstrijders van het eerste uur wel erg karig. Over de romantische atmosfeer die volgens Goedhart rond Arie Addicks hing, komt de lezer maar weinig te weten. Addicks en zijn vrienden uit AJC- en SDAP-kringen beperkten zich niet tot de illegale pers en andere vormen van geestelijk verzet, maar ze bereidden ook een semi-militaire verdedigingsorganisatie voor.

Deze onstuimige Parool-groep werd door speurwerk van het Bureau Inlichtingendienst van de Amsterdamse politie in het najaar van 1941 opgerold. Addicks werd meteen gefusilleerd en zeventien anderen volgden een jaar later na het eerste Parool-proces. Witmond ontsnapte door zijn jonge leeftijd aan de doodstraf en belandde via de kampen in Amersfoort en Vught in Neuengamme, het concentratiekamp voor politieke gevangenen die niet veroordeeld waren. Zij waren daar als Nacht und Nebel-gevangenen voor de buitenwereld onzichtbaar geworden, omdat elk contact met familie en bekenden verboden was.

Mede dankzij zijn in de crisisjaren ontwikkelde taaiheid overleefde Witmond dit zware kamp. Aan het eind van de oorlog belandde hij in Dachau. Daar verbaasde hij zich over het uitblijven van voedselpakketten en zelfs na de bevrijding moesten de Nederlanders, anders dan de gevangenen van andere nationaliteiten, lange tijd op een reactie van hun regering wachten.

Pas eind mei 1945 kon Witmond naar Amsterdam terugkeren. Daar trof hem het contrast tussen de hartelijke ontvangst van zijn buurt en de koele bureaucratische houding van de overheden. Dan vloeit de eerste klacht uit zijn pen. Lang na de oorlog moest hij zich laten behandelen voor een post-concentratiekampsyndroom.

Het dagboek van Rose Jakobs en de herinneringen van Carolus Witmond zijn de sympathieke getuigenissen van twee mensen die in benarde omstandigheden het hoofd hoog hielden.

Meer over