Subsidies hielpen 19de-eeuwse walvisvaart om zeep

Jaarlijks publiceren Nederlandse wetenschappers 172 duizend onderzoeken. In deze rubriek een greep uit de ontdekkingen die bijna onopgemerkt waren gebleven.

null Beeld de Volkskrant
Beeld de Volkskrant

In het vocabulaire van GeenStijl zouden ze subsidiesponzen heten. Nederlandse walvisvaarders die er in de eerste helft van de 19de eeuw op uittrokken, konden rekenen op ruimhartige ondersteuning door de overheid.

Tegenvallende opbrengsten werden genereus gecompenseerd. Het subsidiestelsel, bedoeld om de oer-Hollandse bedrijfstak na een inzinking nieuw leven te blazen, heeft ongewild bijgedragen aan ondermaatse prestaties van de walvisvaart in die periode.

In de 17de en 18de eeuw, vooral tussen 1680 en 1730, beleefde de Nederlandse jacht op walvissen hoogtijdagen. Het geld dat werd verdiend met walvistraan voor de productie van lampolie, zeep en kaarsen en de werkgelegenheid in deze industrie waren van groot belang voor de Nederlandse economie. Nadat baleinwalvissen als de Groenlandse walvis, de bultrug en de gewone vinvis vrijwel waren uitgeroeid in het Noordpoolgebied, zagen de Nederlandse walvisvaarders zich gedwongen hun werkterrein te verleggen. In de jaren twintig van de 19de eeuw gingen ze jagen op potvissen in de warmere wateren van de Stille Oceaan.

Om dit avontuur te doen slagen besloot koning Willem I (1772-1843) de bedrijfstak financieel bij te staan. Voor de uitrusting van een schip werd 2.000 gulden beschikbaar gesteld. Tegenwoordig zou dat neerkomen op een kleine 20.000 euro. Een behouden thuisvaart werd met hetzelfde bedrag beloond. Steun was er ook als er maar weinig of helemaal geen walvis-traan aan land werd gebracht.

Wie? Joost Schokkenbroek, hoofdconservator bij het Scheepvaartmuseum in Amsterdam en hoogleraar maritieme geschiedenis aan de VU.

Specialiteit? Walvisvaart, handelscompagnieën, oorlogsvaart en maritiem erfgoed.

Originele titel? Sailors in Wonderland: Dutch sperm whaling during the 19 th century, 1827-1849.

Vrij vertaald? De Nederlandse walvisvaart liet kansen liggen.

Het was een stimulans om niet optimaal te presteren, zegt maritiem historicus Joost Schokkenbroek. In The International Journal of Maritime History verklaart hij hoe het kwam dat de Nederlandse walvisjacht in de zeeën rond Nederlands-Indië en in andere delen van de Stille Oceaan zo weinig succes had.

De perverse prikkel van subsidies was niet de enige factor van betekenis. Grote delen van de zuidelijke wateren waren betrekkelijk onbekend gebied voor de Nederlanders. In dit deel van de wereld ontbrak het hun aan een infrastructuur voor het opslaan en afzetten van walvistraan. In de warmte was het walvisvet minder lang houdbaar dan in noordelijke streken. Daar komt bij dat potvissen zich over veel grotere gebieden verspreiden dan walvissen in de arctische zone. Schepen moesten grotere afstanden afleggen en langer op volle zee blijven.

Om dergelijke problemen te overwinnen, wendden de Nederlanders zich voor advies en expertise tot Amerikaanse collega's. De Amerikanen jaagden al veel langer in de Stille Oceaan. Ze wisten hoe je een potvis snel aan boord kon krijgen en verwerken. Ze beschikten over betere schepen, betere technieken om spek te snijden en betere handelsnetwerken. Maar de samenwerking met de Amerikanen verliep niet al te best.

Volgens Schokkenbroek speelde het ontbreken van de wil om te innoveren de Nederlandse reders parten. Ze maakten geen gebruik van de kans om - naar Amerikaans voorbeeld - schepen te bouwen die beter geschikt waren voor de jacht op potvissen. Of om - eveneens naar Amerikaans voorbeeld - een handelsnetwerk op te zetten in de buurt van de walvisgronden. Ze negeerden slimme (Amerikaanse) trucs om de inkomsten te vergroten. 'Nederland heeft niet veel geleerd - het heeft kansen laten liggen', aldus Schokkenbroek. 'Het conservatisme was de dood in de pot.'

Meer over