Smetius ontsloot Romeins Nijmegen

'Als er ergens een stad is, die de oude zeden bewaart, dan is het zeker Nijmegen.'..

Predikant en oudhedenverzamelaar Johann Smith, alias Johannes Smetius (1590-1651), deed graag mee aan de zeventiende-eeuwse mode om de lof van de eigen stad in gloedvolle bewoordingen te zingen. 'Want vroeger', vervolgde hij, 'vóór de oorlog die wij met de Spanjaard voerden, werd het burgerrecht aan geen enkele vreemdeling gegeven, tenzij hij óf de dochter van een burger getrouwd had óf, befaamd om zijn geleerdheid of vakmanschap, de stad tot nut of sieraad zou kunnen strekken. Zo hield de stad het zuivere, voorvaderlijke bloed in stand voor het nageslacht en hield ze, mét het vreemde volk, ook uitheemse zeden en gewoonten buiten de deuren.'

Dit laatste klonk uit zijn mond wat merkwaardig, want hij had zijn vooraanstaande positie in Nijmegen juist te danken aan het feit dat zijn ouders in 1614, nadat hun woonplaats Aken door de Spanjaarden was ingenomen, gastvrij als protestantse vluchtelingen waren opgenomen. Maar geen enkele lezer van zijn in 1644 en 1645 verschenen baanbrekende werk Oppidum Batavorum, seu Noviomagum, waarin hij omstandig duidelijk maakte dat Nijmegen de door de Romeinse schrijver Tacitus genoemde stad van de Bataven was, nam daaraan aanstoot.

Smetius' klassieker is nu ter gelegenheid van de opening van het nieuwe Museum Het Valkhof verschenen in een bijzondere uitgave: een cassette - Nijmegen, stad der Bataven - met daarin een boekje met een uitvoerige inleiding op leven en werk van Smetius (door Sandra Langereis), plus de volledige vertaling uit het Latijn (door Toon Bastaensen, Sandra Langereis en Leo Nellissen). De uitgave kwam tot stand door een samenwerking tussen het museum en uitgeverij SUN en is verkrijgbaar voor de weggeefprijs van fl. 29,50. 'Beschouw het als een cadeautje aan de Nijmeegse bevolking', aldus een SUN-redacteur.

Smetius was niet het type van een studeerkamergeleerde. Hij toonde een levendige belangstelling voor het Romeinse verleden van Nijmegen en trok er graag op uit om zelf archeologische overblijfselen aan het bodemarchief te ontrukken. Een belangrijke vindplaats was in die tijd de tufsteenafgraving bij de Winseling in Nijmegen-West. Zijn collectie oudheden bevatte onder meer zo'n tienduizend munten. Een deel van zijn verzameling inscripties en beelden bleef later bewaard in het archeologisch museum Kam, dat nu deel uitmaakt van Museum Het Valkhof.

Smetius oogstte veel waardering voor zijn werk. Na het verschijnen van zijn boek ontving hij een aantal lofdichten van Hollandse geleerden, onder wie Constantijn Huygens. Hij stelde zijn huis open voor bezoekers om een kijkje te komen nemen bij zijn verzameling. Langereis: 'Zo raakte Smetius vanaf de jaren dertig binnen én buiten de Nederlandse Republiek bekend als gerenommeerd oudheidkundige en Nijmegen als schatkamer van Romeinse oudheden.' Hij werd begraven in de Stevenskerk, waar zijn graf nog steeds te bezichtigen is. De in het Latijn gestelde inscriptie roemt hem als een sieraad voor de stad en de kerk: 'De stad gaf hij terug aan de oude Bataven, de kerk aan de rechtzinnige gelovigen.'

Meer over