Schopenhauers roman HOOFDWERK VAN DUITSE FILOSOOF VERTAALD

WIL MEN, schrijft Arthur Schopenhauer in het 'Woord vooraf bij de eerste druk' van zijn hoofdwerk, De wereld als wil en voorstelling, de in dat boek gepresenteerde gedachten doorgronden, dan heeft die 'men' slechts één keus: hij moet het boek meteen maar twee keer gaan lezen....

De lezer is gewaarschuwd.

Gewoon gaan zitten en lezen, hoe verleidelijk dat ook is, mag niet van de auteur. In zijn voorwoord doet hij nog even uit de doeken aan welke voorwaarden zijn lezer moet voldoen, wil het überhaupt zin hebben dat hij aan De wereld als wil en voorstelling begint.

Hij moet vertrouwd zijn met Schopenhauers eerdere boek, de filosofische verhandeling Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde. Hij moet bovendien thuis zijn in de filosofie van Immanuel Kant, 'het belangrijkste fenomeen dat zich de laatste twee millennia in de filosofie heeft voorgedaan'.

Ueber die vierfache Wurzel is het tamelijk ingewikkelde eerste boek van een jonge, chagrijnige, pas afgestudeerde filosoof, die in Berlijn college had gelopen bij J.G. Fichte en F. Schleiermacher: niet de minst verwarde figuren onder de warhoofden die in het begin van de vorige eeuw de Duitse filosofie hebben geterroriseerd.

De meest gangbare editie van Kants werken beslaat twaalf delen. Wie zich wil beperken tot zijn hoofdwerken, moet de Kritik der reinen Vernunft, de Kritik der praktischen Vernunft en de Kritik der Urteilskraft lezen, samen een paar duizend pagina's.

De lezer is andermaal gewaarschuwd: alleen voor de voorbereiding op de lectuur van De wereld als wil en voorstelling moet hij al een paar maanden vrij nemen.

Schopenhauer weet echter dat hij veel vraagt. Hij herinnert de lezer er enigszins jennend aan 'dat hij een boek, zonder het meteen te lezen, ook op allerlei andere manieren kan gebruiken. Het kan, net als zoveel andere boeken, een gat in zijn boekenkast opvullen, waar het, keurig gebonden als het is, zeker niet zal misstaan. Of hij kan het bij zijn geleerde vriendin op de kap- of salontafel leggen. Of hij kan het ten slotte nog altijd recenseren, wat van alle mogelijkheden stellig de beste is en wat ik dan ook ten zeerste kan aanbevelen.'

Is de lezer van Schopenhauers boek na kennisname van dat voorwoord al enigszins murw gebeukt, zijn recensent voelt zich, zacht uitgedrukt, bedremmeld.

Is het al die moeite waard, en: was die intimiderende toon nodig?

De wereld als wil en voorstelling is een klassieke metafysische verhandeling, waarin de auteur de even klassieke vraag 'wat kunnen wij kennen?' probeert te beantwoorden. Die onderneming is zo ambitieus en zo pretentieus dat wij, honderdtachtig jaar later, haar als antwoord slechts met enige schroom kunnen lezen - wij, dat zijn lezers met een zekere belangstelling voor filosofie.

Vakfilosofen, Diplomphilosophen, wenden bij het horen van die vraag alleen al het hoofd gegeneerd af. Voor hen heeft Schopenhauers werk hooguit historische waarde, als gestolde momentopname van hoe er op een zeker ogenblik, in de eerste helft van de negentiende eeuw, door een dwarse Duitse filosoof, tegen de Hegeliaanse geest van de tijd in, werd omgesprongen met het Verlichtingserfgoed van Kant. Historisch interessant, retorisch amusant: daar blijft het bij - nu ja, als we even afzien van die volslagen van de leg geraakte kletskousen die in Schopenhauer een 'pre-postmodern' filosoof willen zien, een filosoof die het postmodernisme al aanhing nog voordat het modernisme zelfs maar was uitgevonden.

Beide varianten van de huidige Universitätsphilosophen, de historisch geinteresseerden en de voorvadervereerders, roemen zijn stijl. Wie hun werk probeert te lezen nadat hij De wereld als wil en voorstelling heeft gelezen, begrijpt zonder problemen waarom.

Maar met die gêne over Schopenhauers project en het enthousiasme over zijn stijl - het laatste compenseert vermoedelijk het eerste - blijft de vraag gehandhaafd of die twee weken lezen en herlezen die De wereld als wil en voorstelling vergt, of de ruwweg vier maanden voorbereiding die daaraan voorafgaan, nodig en nuttig zijn.

Thomas Mann vond van wel - en wie al was het maar de inhoudsopgave bekijkt van het speciale nummer dat Armada - Tijdschrift voor wereldliteratuur maakte ter gelegenheid van de verschijning van de eerste Nederlandse vertaling van De wereld als wil en voorstelling, ziet dat hij daar als schrijver geenszins alleen in stond. 'Schopenhauer en Tolstoj', 'Schopenhauer en de Franse naturalisten', 'Schopenhauer en Borges' luiden de wat betreft de historische chronologie enigszins in de war geraakte thema's die erin behandeld worden. Alleen 'Schopenhauer en Eliot' kreeg een vraagteken mee: dat staat kennelijk nog te bezien.

Maar kopjes als 'Schopenhauer en Proust', 'Schopenhauer en Beckett', 'Schopenhauer en Reve' (Karel, niet Gerard: diens eigenhandig breed uitgemeten schatplichtigheid lijkt me een kras staaltje van mythevorming) hadden er eveneens gemakkelijk aan kunnen worden toegevoegd, met of zonder vraagteken.

Hij is een denker voor schrijvers, en geen filosoof wiens werk zich leent voor het vergelijkend komma-onderzoek van de universitaire filosofen die hij in zijn tweede belangrijke boek, de Parerga und Paralipomena, zo sardonisch te kijk heeft gezet. Er zijn, net als bij schrijvers, meer courante studies naar zijn leven voorhanden dan naar zijn filosofische leer. 'Was er lehrte, ist abgethan,/ was er lebte, bleibt bestahn', rijmde zijn belangrijkste leerling, Friedrich Nietzsche, al. 'Seht ihn nur an!/ Niemandem war er unterthan.'

Wat hij leerde was kentheorie, met uitwaaieringen naar de fundamenten van de esthetica en de ethica, geheel en al zoals het een klassiek filosoof betaamt. Je hebt objecten en je hebt subjecten, je hebt, anders gezegd, de dingen en lui die erover praten. De vraag is nu waar wij, die praters, het over hebben wanneer wij het over de dingen hebben, en wat de dingen zijn wanneer wij het niet over hen hebben. 'We mogen', zegt Schopenhauer, 'alle gegeven objecten, zonder uitzondering, ja zelfs ons eigen lichaam slechts als voorstelling beschouwen en met de term voorstelling aanduiden.' Duidelijker kan je de boel niet ordenen.

Het wantrouwen tegen de waarnemingen, tegen wat Kant de 'fenomenale wereld' heeft genoemd, zit er al vanaf de eerste bladzijde in. Een ding is slechts een ding, omdat wij dat zo noemen, en we noemen dat zo omdat we dat zo waarnemen en omdat we dat zo waarnemen, denken we ook nog dat het een ding is. Maar wat het ding op zichzelf is, dat weten we niet. 'Dat waarvan we iets abstraheren, is - en ik hoop dat dat straks voor iedereen duidelijk zal zijn - steeds alleen maar de wil, die als enige de andere kant van de wereld uitmaakt, want de wereld is enerzijds door en door voorstelling, alsook anderzijds door en door wil.'

De wereld als wil en voorstelling: het is, zo blijkt al in de eerste paragraaf, een titel die tegelijkertijd een adequate samenvatting van al die honderden bladzijden is, alsook een program voor dat massieve betoog; bouwwijze en bouwmateriaal zijn één. De 'dingen op zichzelf', die Kant in al zijn bescheidenheid en godsvrucht had getracht van de unieke rechtvaardiging door de menselijke kenvermogens te redden, door precies te beschrijven hoe dat kennen in zijn werk ging, komen bij Schopenhauer te vervallen. 'Een reëel iets, dat geen van beide zou zijn (dat wil zeggen: noch wil, noch voorstelling), is een gedroomd onding dat als een spook in de filosofie rondwaart.'

Dat mag je wel zeggen, ja, van Plato, bij wie het ding op zichzelf bijna een echt spook is, dat als idee zijn schaduwen op onze netvliezen werpt, tot Kant - tot, in de huidige tijd, Hilary Putnam, die enkele jaren geleden in zijn Realism with a Human Face en Words & Life een schitterende en veel te weinig opgemerkte poging deed om Kant alsnog te redden uit de houdgreep van sceptici en analytische begrippensleutelaars.

0 IJ SCHOPENHAUER verdwijnt het Kantiaanse ding op zichzelf, om plaats te maken voor de doorslaggevende functie van de wil. Het is nog altijd onthutsend te lezen met hoeveel zorg Schopenhauer zich van Kant ontdoet: hij wijdt er, al in de eerste editie van zijn boek, uit 1818, een appendix van honderdvijftig bladzijden aan. Het precieuze evenwicht dat Kant in zijn kritische filosofie geconstrueerd had en dat iedereen die de Kritik der reinen Vernunft leest met ingehouden adem en een laag hangende hoofdpijn ziet ontstaan en werken, als een met moeite opgebouwde buizenradio die het, zodra je de stroom aansluit, ook nog blijkt te doen, wordt door Schopenhauer even eerbiedig als drastisch verstoord.

Wat ervoor in de plaats komt, is een systeem waarin de wil de harde kern van het kenvermogen vormt - en daarmee van de kennis en daarmee van de hele werkelijkheid. Geen Platoonse herinnering aan ideeën, geen constructie van Kantiaanse 'vormen van aanschouwing' en 'categorieën' die als manieren van kennen, als voorwaarden voor het kennen, de garantie voor de deugdelijkheid van kennis afgeven - maar de wil.

De wereld en de dingen blijven net zo onbetrouwbaar als ze altijd al geweest zijn, maar ze stuiten, zodra we kennis van hen nemen, op de wil. Het is de wil die reageert op de voorstelling, en doordat de wil dat doet, komen we aan de weet dat de wil bestaat. De verschijnselen raken een harde pit, en uit die aanraking leiden we het bestaan van die pit af: we hebben, als wankelmoedige subjecten, ineens harde grond onder de voeten als het om onze kennis van de twijfelachtige objecten gaat. Het zijn de verschijnselen niet waaraan een 'ding op zichzelf' ten grondslag ligt, nee, wij zijn het zelf. Het subject neemt het over van de objecten en wordt, het is net goochelen, daardoor het meest hardnekkige object.

Dat lijkt wel een staaltje van die huichelachtige negentiende-eeuwse Duitse dialectiek, maar het mooie is dat dat slechts schijn is - en voor wie De wereld als wil en voorstelling leest lijkt het niet eens op schijn. Het is de onverbiddelijke en onvermijdelijke waarheid, en die wordt door het vervolg van Schopenhauers betoog alleen maar bevestigd. Wie van zijn lectuur opkijkt, vraagt zich af waarom niemand eerder op dit heldere en voor de hand liggende idee is gekomen en waarom er vandaag de dag mensen zijn die er niet mee instemmen.

'Ik beschouw deze gedachte', zegt Schopenhauer zelf, 'als datgene waarnaar men onder de naam van filosofie heel lang heeft gezocht, en waarvan de ontdekking juist om deze reden door de historisch onderlegden voor net zo onmogelijk wordt gehouden als het vinden van de steen der wijzen.' Het is aslof je die andere resolute filosoof hoort, die ervan overtuigd was dat het systeem dat hij ontwikkeld had, het enige juiste antwoord was op de vragen van de filosofie, Ludwig Wittgenstein.

'Ik ben dus van mening de problemen in wezen voorgoed te hebben opgelost', schreef Wittgenstein in het voorwoord van zijn Tractatus logico-philosophicus, op de kop af honderd jaar nadat Schopenhauer iets dergelijks in het voorwoord van zíjn boek had geschreven. 'En als ik me hierin niet vergis, dan bestaat nu de waarde van dit geschrift ten tweede hierin, dat het toont hoe weinig er eigenlijk is verricht door deze problemen op te lossen.'

Zoals Schopenhauer zijn filosofie met de titel van zijn boek samenvatte en dat ook klip en klaar zegt, zo vat Wittgenstein zijn Tractatus ook gemakshalve reeds in het voorwoord samen: 'Wat gezegd kan worden, kan duidelijk worden gezegd; en van dat waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen.' Wat voor de een de wil is, is voor de ander de taal: einde oefening.

De rest is uitwerking.

0 AAR WIL DUS, in academisch filosofische zin, niemand meer aan: noch aan Schopenhauers waarheidspretentie, noch aan die van Wittgenstein gelooft een geoefend eigentijds filosoof.

En toch, voor de duur van hun betoog oefenen beiden een onontkoombare greep op hun lezers uit. Zo compact als Wittgenstein is, zo uitvoerig is Schopenhauer - en hij werd er mettertijd, bij de eerste herziene uitgave van zijn boek in 1843/'44, alleen maar uitvoeriger op. Het deel aanvullingen dat dan verschijnt, is net zo omvangrijk als het oorspronkelijke eerste deel, en bij de derde editie, die in 1859, een jaar voor Schopenhauers dood, verscheen, deed hij er nog een schepje bovenop. Het zijn uitbreidingen, uitweidingen en toelichtingen, die het oorspronkelijke betoog niet aantasten, maar de losse, onvoltooide gedachten die erin zaten, alsnog uitwerken.

Het is ermee als met een romanschrijver die de lezer tegemoet komt door ook de bijfiguren uit zijn roman nader in te kleuren. Het verhaal verandert niet meer, maar het krijgt er meer reliëf door.

En in feite is dat wat de lezer bij zijn lectuur van De wereld als wil en voorstelling telkens overvalt, de gedachte dat Schopenhauers betoog weliswaar niet op het niveau van de zinnen leest als een roman - het is onmiskenbaar een betoog -, maar zich als boek gedraagt als een roman. Tegensputterend komen we het binnen - we gaan toch niet geloven wat ons aanstonds op de mouw wordt gespeld - en al gauw bevinden we ons zo in de greep van het verhaal, het betoog, dat het boek voor de werkelijkheid schuift. Zoals Wittgensteins Tractatus is op te vatten als een van de mooiste gedichten uit de wereldliteratuur van de twintigste eeuw, zo is Schopenhauers De wereld als wil en voorstelling een van de beste romans van de negentiende eeuw. Het verhaal rechtvaardigt zichzelf, voor de duur van het verhaal: wie zich afvraagt of het echt waar is, heeft de code niet begrepen.

Daar hoort die intimiderende toon bij - 'zit stil en lees', 'o muze, verhaal mij het lot' - en het verklaart die schrijversbijval.

En die stijl is glashelder, ook in deze respect afdwingende vertaling, en verdraagt een herlezing met gemak.

Michaël Zeeman

Arthur Schopenhauer: De wereld als wil en voorstelling.

Uit het Duits vertaald en toegelicht door Hans Driessen (met redactionele medewerking van Maarten Doorman).

Ingeleid door Patricia de Martelaere.

Wereldbibliotheek; 775 pagina's (deel 1) en 863 pagina's (deel 2); ¿ 225,-.

ISBN 90 284 1748 6.

Armada - Tijdschrift voor wereldliteratuur: Arthur Schopenhauer.

Nummer 7, juni 1997.

Wereldbibliotheek; 128 pagina's; ¿ 19,50.

ISBN 90 284 1770 2.

Meer over