Redt de data

Amerikaanse wetenschappers maken zich ernstig zorgen over nieuwe auteursrechtregels die in Genève worden opgesteld. Als die worden ingevoerd, kunnen onderzoekers elkaars gegevens niet meer vrij gebruiken, vrezen ze....

MARTIJN VAN CALMTHOUT

Besteedde The New York Times eindelijk aandacht aan zijn noodkreten, deden ze dat uitgerekend in het economiekatern. Nou vraag ik je, er is toch zeker geen academicus die dat leest!

Stephen Berry, hoogleraar in de chemie aan de universiteit van Chicago, klinkt hoorbaar opgelucht dat zijn noodkreet eindelijk in de wetenschappelijke media begint door te dringen. Dat is tenminste wát. Want als wetenschappers al niet weten wat er staat te gebeuren, hoe moet de politiek dan doordrongen raken van de dreiging voor het wetenschapsbedrijf die uitgaat van de nieuwe wereldwijde copyright-wetgeving?

De Amerikaanse National Academy of Sciences (NAS) in Washington heeft de laatste maanden de stormbal in top. Aanleiding voor de ongewoon strijdbare opstelling van deze gewoonlijk zo eerbiedwaardige organisatie is de stroomversnelling waarin het streven naar internationale auteursrechtregels is gekomen. De nieuwe regels dreigen de wetenschapsbeoefening en zelfs het onderwijs te gaan belemmeren, is de angst.

Afgelopen december was het in Genève al bijna zover. Het scheelde daar maar iets meer dan een haar of er was een verdrag getekend waarin het gebruik van wetenschappelijke databanken door derden niet meer zomaar zou zijn toegestaan.

Vooral slaande ruzies over twee andere verdragen maakten dat de gedelegeerden bij de VN-organisatie voor intellectueel eigendomsrecht, WIPO, de databanken maar even lieten voor wat ze waren. Maar het concept was veelzeggend.

'Volgens die tekst', zegt Berry, 'zouden bijvoorbeeld de kartering van de menselijke genen in het HUGO-project of veel internationaal klimaatonderzoek opeens berusten op illegale overname van gegevens uit een databank. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Wetenschap staat of valt met vrije uitwisseling. Het ís de uitwisseling van gedachten en gegevens.'

Nu is er, vermoedt Berry, geen zinnig mens die daadwerkelijk bezwaar zal maken tegen het onderlinge dataverkeer van goedwillende wetenschappers. 'Maar waar regels zijn, heb je in dit land advocaten die op een no cure no pay-basis spijkers op laag water gaan zoeken. Er komt gegarandeerd een moment dat ze bij nietsvermoedende onderzoekers op de stoep staan, omdat die van oneigenlijk gebruik worden verdacht.'

Om die reden, zo schrijft de NAS-werkgroep in het vorige maand gepubliceerde rapport Bits of Power, is het van het uiterste belang dat er in de internationale regels een expliciete uitzonderingsclausule staat, waarin gebruik voor strikt wetenschappelijke doeleinden wordt toegelaten.

Dat die opmerking in het rapport voorkomt, is eigenlijk stom toeval, bekent Berry. 'Wij werden vorig najaar net als iedereen overvallen door de WIPO-voorstellen voor databanken. Niemand uit Washington had de wetenschap geraadpleegd, terwijl het toch zo overduidelijk ook om wetenschappelijke belangen gaat. De politiek ziet bijna uitsluitend het handelsbelang.'

De Academy stuurde november vorig jaar alsnog een brandbrief aan de Amerikaanse toponderhandelaar in Genève, Bruce Lehman, over de kwestie van de wetenschappelijke databanken. Maar na een ontvangstbevestiging bleef het tot nog toe stil.

Dat is ook geen wonder, zegt Berry. Het is in Washington een publiek geheim dat Lehman volledig op de hand van de uitgevers is. Voordat hij zijn functie onder Clinton aanvaardde, was hij lobbyist voor de software-industrie, die keiharde maatregelen tegen piraterij voorstaat. Daarbij passen geen halfhartige uitzonderingsregels.

Berry: 'Maar het is nu of nooit. Met veel misbaar hebben we het Copyright Office bewogen tot een expert hearing, waar we eindelijk de gelegenheid hebben onze fundamentele bezwaren uiteen te zetten. Maar wat daarvan in Genève gaat doordringen; we hebben nog geen idee.'

Die hoorzitting, mede onder auspiciën van de nationale vereniging van wetenschappers AAAS, is inmiddels afgelopen maandag onder matige belangstelling in de Library of Congress in Washington gehouden. Pers was er nauwelijks. De vertegenwoordiger van de NAS, de jurist Jerome Reichman van de Vanderbilt University Law School in New York, heeft voor de zekerheid zijn getuigenis maar op Internet gezet.

In de strijd om auteursrechten in het digitale tijdperk is de wetenschap feitelijk maar een detail. Het grote gevecht gaat om de bescherming van film, muziek of video, Hollywood, kortom. Via digitale technieken is het zo gemakkelijk geworden om informatiedragers te dupliceren, dat vooral uitgevers en studio's al jaren aandringen op strikte regelgeving.

De WIPO-vergadering in december vorig jaar kende wat dat betreft een veelzeggende voorgeschiedenis. In 1994 presenteerde vice-president Al Gore zijn plan om Amerika op de digitale snelweg te zetten. De telecommunicatie-, informatie- en amusementsindustrieën zagen een gouden markt opdoemen, als er tenminste aan één voorwaarde was voldaan: dat hun producten via Internet niet ongelimiteerd zouden weglekken door het kopiëren. Iedere kopie is immers inkomstenderving, om van grootscheepse piraterij nog maar te zwijgen.

President Clinton, door kolossale verkiezingsdonaties uit Hollywood heel wat verplicht aan de amusementsindustrie, vaardigde een jaar later een White Paper uit waarin strikte auteursrechten voor elektronische netwerken werden opgelegd. Iedereen die zonder toestemming in het bezit was van een kopie van een beschermd werk, zelfs maar tijdelijk, was voluit strafbaar.

Dat klinkt begrijpelijk, maar het was voldoende voor een volksopstand in het digitale wereldje. Immers, het vervoer van gegevens via Internet berust op het tijdelijk opslaan van kopieën in computers tussen de zender en de ontvanger. Strikt genomen wilde de informatie-industrie dus het net lamleggen. Een lobby van de in Washington eveneens machtige telecombedrijven kreeg het Congres vorig jaar zover de wurgwet op het nippertje te verwerpen.

Clinton en Gore namen hun verlies, maar begonnen tegelijkertijd een offensief om door internationale regelgeving alsnog hun zin te krijgen. In september 1996 lag er een voorstel in Genève om nog vóór de Amerikaanse presidentsverkiezingen een internationaal verdrag af te sluiten over auteursrechten op Internet.

Het werd uiteindelijk december voor de WIPO bijeenkwam, na de Amerikaanse verkiezingen, maar de strijd was er niet minder fel om. De Amerikanen lobbyden tot in het kantoor van EU-voorzitter Jacques Santer voor een zo strikt mogelijk kopieerverbod. Een alliantie van Europese telecombedrijven ijverde juist voor soepelheid om digitale communicatie toch vooral zo vrij mogelijk te houden. Ook de Derde Wereld bepleitte zoveel mogelijk toegankelijkheid.

De laatste stroming won. Weliswaar werd er een copyright-verdrag getekend, maar de strikte definitie van 'kopiëren' was daarin geschrapt. In de tekst staat nu slechts dat 'ook in de digitale omgeving auteursrechten gerespecteerd zullen worden'. Dat was zo vaag dat iedereen ermee kon leven.

Het zakelijke belang bij informatie geldt echter niet alleen voor de nieuwste James Bond-film of cd van Michael Jackson, maar in toenemende mate ook voor databanken. Ook verzamelingen van gegevens, van satellietwaarnemingen tot demografische informatie, zijn op te vatten als intellectuele werken omdat ze gewoonlijk ontsloten en onderhouden moeten worden voor gebruik.

Tot nog toe konden onderzoekers, ook internationaal, in goed overleg gebruik maken van zulke databanken onder wat het fair use-principe heette. Er werd hooguit een kostenvergoeding betaald. En omdat digitale communicatie tot voor kort nog geen hoge vlucht had genomen, was het risico gering dat een handige ondernemer met het materiaal aan de haal zou gaan.

Sinds een paar jaar is dat anders. Het digitale tijdperk maakt van traditionele uitgevers opeens informatie-beheerders. Twee van de grootste uitgevers in Europa, Springer Verlag en Elsevier Science, brengen dit jaar niet alleen vrijwel hun hele tijdschriftenbestand op Internet, maar ook uitgebreide databanken op tal van terreinen. Moederconcern Reed Elsevier van Elsevier Science, dat in juli online gaat met het Science Direct-project, koopt al jaren alle mogelijke databanken die wetenschappelijke informatie bevatten. Als gevolg van de bezuinigingen zijn academische instellingen op hun beurt in toenemende mate tot verkoop bereid.

Sterker, de aankoop van het grootste databankenbedrijf ter wereld, Lexis-Nexis, heeft volgens ingewijden het project Science Direct pas mogelijk gemaakt. Elsevier wil tot de lancering in juli met geen woord spreken over de online-plannen, maar M. de Kemp, directeur nieuwe media van het concurrerende Springer Verlag in Heidelberg windt er geen doekjes om. Het moet uitgesloten zijn, zegt hij stellig, om zijn bestanden te kopiëren en er een eigen handeltje mee te beginnen.

De Kemp, onverbiddelijk: 'Het is niet meer dan gezonde bedrijfsvoering onze investering te laten renderen en te beschermen. Hoe moet ik weten of er een gebruiker aanklopt of een piraat?' Dat met strikte regelgeving ook openbare databanken onbereikbaar kunnen worden, zal hem een zorg zijn. 'Dat is hun probleem.'

Stephen Berry in Chicago kan er met zijn hersens niet bij. Zoveel halsstarrigheid. 'Ook bedrijfseconomisch lijkt het me kortzichtig om regels op te leggen die de producenten van je eigen grondstof, in dit geval wetenschappelijke kennis, belemmeren bij hun productie. Op termijn hebben ze zichzelf, geloof me. Dan laten de onderzoekers het afweten.'

En wonder boven wonder: dat idee lijkt breder post te vatten. Inmiddels groeit internationaal de vrees voor te strikte regulering voor gebruik van vooral niet-commerciële databanken. Azië en Zuid-Amerika hebben hun bedenkingen over de noodzaak van een databankverdrag geuit. En zelfs de Amerikaanse delegatie heeft onlangs laten weten eerst nationaal nader over de kwestie te willen spreken. Berry kan dus tevreden zijn, ook al is nog niet gezegd dat hij zijn zin krijgt.

Uiterlijk eind deze maand worden de WIPO-lidstaten geacht te reageren op een nieuwe voorstel uit Genève om te streven naar een verdrag in 1998. Nederland is voorzichtig vóór, maar heeft zeker geen haast. 'Zelfs 1998 is nog niet zo vanzelfsprekend', zegt mr. M. Bouwes van het ministerie van Justitie, lid van de Nederlandse WIPO-delegatie. 'Gezien de twijfels bij veel van de partijen kan het gemakkelijk veel langer duren.'

Nederland voegt zich, daarin gesteund door onder meer de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, volledig naar een Europese richtlijn voor databanken, die vorig jaar is uitgevaardigd. Daarin is de toegang tot gegevens uit een databank geaccepteerd voor zover de eigenaar dat toelaat, maar is het voor exploitatie kopiëren van de gegevens een strafbaar feit.

Bouwes: 'Het lijkt een zinnige gedachte zoiets in een uiteindelijk verdrag als uitgangspunt te nemen. Ook de wetenschap zal daarmee kunnen leven, lijkt ons.'

Martijn van Calmthout

Meer over