Proza als een melancholieke fado; NOBELPRIJSKANDIDAAT ANTONIO LOBO ANTUNES ZET PORTUGAL OP DE LITERAIRE WERELDKAART

'IK HEB GEEN enkele intellectuele ambitie met mijn romans. Ze zijn niet bedoeld om de geschiedenis te verklaren, noch om de samenleving begrijpelijk te maken....

'Ik ben dat allemaal niet. Ik ben een schrijver die dwangmatig moet schrijven. Minstens een aantal uren per dag, zelfs als ik op reis ben. Als ik voor mijn werk naar het buitenland moet, vraag ik mijn uitgevers mij ten minste drie uur per dag met rust te laten. Die heb ik nodig om te schrijven. Daar ben ik bovendien instinctief in: ik ga niet op onderzoek uit; als een van mijn personages in een bepaalde stadswijk woont, ga ik daar niet naartoe om te noteren hoe het er daar uitziet.

'De vervelendste tijd is de periode tussen het voltooien van het ene boek en het beginnen aan een volgend. Dan heb je maanden niks te doen. Ik lees dan wat en neem de tijd om op mijn plannen te broeden. Maar na verloop van tijd vrees ik nooit meer een roman te zullen schrijven. Je weet immers nooit of het niet ineens ophoudt.'

António Lobo Antunes (55) is een van de beroemdste levende schrijvers van Portugal. Zij naam prijkt sedert jaren op de schimmige lijstjes met gedoodverfde kandidaten die in de weken voorafgaand aan de bekendmaking van de Nobelprijs voor de literatuur met veel aplomb openbaar worden gemaakt. Zijn werk werd vele malen bekroond, in Portugal en ook daarbuiten.

In de Portugese oorlog in Angola liep hij een verwonding aan zijn oor op. Zijn gehoor is er mede daardoor met de jaren niet beter op geworden: hij is inmiddels, frank en vrij gezegd, stokdoof. Dat verleent een vraaggesprek met hem een enigszins bizar karakter: er zijn intimiteiten bij nodig die de interviewer doorgaans liefst vermijdt, zoals het binnen een afstand van twee duim van zijn oor op orkaansterkte brullen van kort afgemeten vragen.

Hij is een kleine, gedrongen man, zichtbaar emotioneel, op het sentimentele af. De eenzaamheid die om hem heen hangt als de weemoed om een Portugese avond wordt nog eens versterkt door het isolement waarin zijn doofheid hem onmiskenbaar heeft weten te manoeuvreren.

Lobo Antunes is bang zijn vrienden te bedriegen door zichzelf schrijver te noemen. 'Straks kan ik het niet meer. En het belangrijkste voor mij is geweest dat ik door boeken te schrijven vrienden heb gemaakt. Je lezers, dat zijn toch je beste beoordelaars? Het handboek van de inquisiteurs is voor hen geschreven: zij zijn de inquisiteurs. Zij moeten mij geloven of veroordelen. Je weet als schrijver zelf nooit of een boek goed is of niet. Hoe meer je werkt, hoe beter je ziet dat je nog altijd een lange weg te gaan hebt, en dat het nog altijd een stuk beter kan dan de vorige keer.

'In de liefde kan je bedrogen worden, maar niet in vriendschap. Verleden jaar, toen al die geruchten de ronde deden dat ik de Nobelprijs voor de literatuur zou krijgen, en die prijs plotseling naar een onbekende Poolse dichteres bleek te gaan, werd ik vlak nadat dat bekend was geworden gebeld door mijn literair agent. Mijn eerste woorden tegen hem waren: ik bied mijn verontschuldigingen aan, het spijt me werkelijk heel erg. Dat kwam uit de grond van mijn hart, want ik dacht: als ik goed genoeg geweest was, had ik die prijs wel gekregen.

'Ik voelde me schuldig. Zij waren teleurgesteld en dat kwam door mij. Werken moet ik, werken en geduld oefenen, en een beetje moed verzamelen om de momenten te overleven waarop ik mij volslagen wanhopig voel, wanneer je voelt dat je niet in staat bent te vertellen wat je wilt vertellen. Maar ik heb nog geluk gehad: al die dingen waarvan we dromen als we zestien zijn, heb ik gekregen en nog veel meer waarvan ik nooit had kunnen bedenken dat ze me ten deel zouden vallen. Al die boeken, die vertalingen, die prijzen, die lezers. Het is zo verbazingwekkend.

'Ik vind het moeilijk om over Het handboek van de inquisiteurs te praten, want er is daarna alweer een ander boek verschenen en ik werk inmiddels aan het boek dat daar weer op volgt. Wanneer je aan een nieuw boek begint moet je het oude vergeten. Ik werk het liefst binnen de vorm van een cyclus. Dit keer wilde ik een cyclus van romans schrijven over de macht, over relaties tussen mensen met en mensen zonder macht. Het eerste is er nu in het Nederlands, het tweede, dat al wel in Portugal uit is, gaat over het kolonialisme. Over blanke mensen die in Afrika leven en over hun relatie tot de zwarte mensen daar.

'De titel van dat tweede deel heb ik ontleend aan het Portugese volkslied: De grootheid van Portugal. Dat is nogal ironisch bedoeld. Nu werk ik aan het derde deel, over de rechtse bewegingen in Portugal, vlak na de Anjerrevolutie. Mensen die bommen plaatsten, die probeerden de minister-president te vermoorden.

'Al gaan mijn boeken over de geschiedenis van Portugal, ze zijn niet bedoeld als therapieën. Ik heb geprobeerd een techniek te ontwikkelen die gebaseerd is op wat je in de film ziet. Vele verhalen tegelijkertijd vertellen, verhalen die elkaar bovendien weerspiegelen. Ik gebruik mijn personages om elkaar te weerspiegelen, om ze iets over elkaar te laten zeggen door de manier waarop ze op elkaar reageren. Dan kan je iets kwijt van de complexiteit van het menselijk bestaan, van de wijze waarop mensen met elkaar samenleven. Je kunt tegenspraken handhaven.

'Portugal vormt de achtergrond voor mijn boeken. Dat komt doordat dat het land is dat ik het beste ken. Maar ik heb een moeizame verstandhouding met Portugal. Mijn vader is de zoon van een Braziliaan en een Duitse, en daardoor was het voor mij als kind vreemd in een groot huis in Portugal op te groeien. Want in het huis van mijn grootouders waren Brazilianen, Duitsers en Italianen, die allemaal tot mijn familie behoorden. Iedereen zat er voortdurend brieven te schrijven, zodat ik dacht dat dat hun manier was om geld te verdienen.

'Van kindsbeen af heb ik geleerd dat nationalisme niet bestond en dat mensen die zich nationalisten noemden altijd fascisten waren. Dat was trouwens ook zo in Portugal, althans gedurende de dictatuur, toen de politie concentratiekampen inrichtte uit naam van abstracte begrippen als eer, vaderland, trots en zo voort.

'Ik ben geboren in een land waarin vrijheid ontbrak: dat ontdekte ik pas toen ik voor het eerst naar het buitenland reisde.'

0 OBO ANTUNES stamt uit een artsenfamilie uit Lissabon en studeerde zelf ook medicijnen. Als jong chirurg verbleef hij 27 maanden in Afrika, tijdens de koloniale oorlog die Portugal in Angola wenste uit te vechten. Het zou een traumatische ervaring blijken.

Dat geldt evenzeer voor de Anjerrevolutie, die van de ene dag op de andere al het bekende en vertrouwde in het dagelijks leven in Portugal op zijn kop zette. Gewoontes en tradities die, hoe onaangenaam en onwenselijk ook, tientallen jaren hadden bestaan, moesten pardoes wijken. De revolutie betekende een bevrijding van een hard en despotisch regime, maar ze bracht ook de bevrijding van een grote reeks zekerheden, die tot op zekere hoogte zelfs veiligheden waren geworden. De dictator Salazar, zo laat Lobo Antunes in zijn roman Het handboek van de inquisiteurs zien, was voor de Portugezen die niets anders gewend waren, met de jaren ook een soort vaderfiguur geworden.

In Het handboek van de inquisiteurs trekt Lobo Antunes verhalenderwijs lange lijnen door de Portugese geschiedenis van de twintigste eeuw. Die behelzen de geschiedenis van een aantal individuen, hoog en laag, die zijdelings of rechtstreeks allemaal iets met elkaar te maken hebben. Hun geschiedenissen zijn soms met elkaar verweven, soms raken ze elkaar slechts eventjes aan.

Maar ze komen samen in dat roemruchte jaar van de Anjerrevolutie, 1974. Dan verandert alles - de steunpilaren van de maatschappij wankelen, of dat nu de instituties van clerus, bourgeoisie en leger zijn, of de hooggeplaatste en machtige personen zelf. 'Ik doe alles wat ze willen, maar houd wel mijn hoed op, zodat ze weten wie de baas is', laat Lobo Antunes zijn voornaamste personage keer op keer zeggen. De man is een minister geweest onder Salazar, en een potentaat op huiskamerschaal op zijn eigen landgoed. Binnen het bestek van zijn huishouden en zijn familie wordt de sociale, psychologische en morele ruïne zichtbaar die vele tientallen jaren dictatuur hebben bewerkstelligd. Zijn zoon kan niet op eigen benen staan, zijn vrouw heeft hem systematisch bedrogen en hijzelf heeft zich her en der vergrepen aan het vrouwelijke huispersoneel.

Maar wat er ook gebeurt, hij houdt zijn hoed op. Als de revolutie ook zijn landgoed bereikt, is dat van plechtig via potsierlijk al weer bijna aandoenlijk geworden: een verliezer, een slachtoffer is hij dan, ook hij - maar wel eentje met een hoed op. En het merkwaardige is dat hij ondanks de revolutie in zekere zin inderdaad nog altijd een beetje de baas is.

Want de revolutie doet hoop gloren, maar zaait tevens grote onzekerheid. Zowel de voormalige onderdrukkers als de onderdrukten blijven in ontreddering achter. In Het handboek van de inquisiteur doen ze om beurten hun verhaal, telkens in de vorm van een 'verslag' en een 'commentaar'. Lobo Antunes schrijft die in lange, slepende zinnen op, die gaandeweg gaan zingen, al is jeremiëren vermoedelijk een beter woord. Zijn proza krijgt daardoor onwillekeurig het karakter van zo'n clichématig melancholieke fado.

'De revolutie bevrijdde ons van alles. Ineens kon alles wat daarvoor onmogelijk was geweest. Iedereen die wilde scheiden, is toen gescheiden, we waren vrij. Maar wat bracht die vrijheid ons? Mij bracht ze grote onzekerheid, een soort droefenis. Er waren geen aanknopingspunten meer. Het was de tijd waarin een streng georganiseerde communistische partij opkwam en rechts niet meer bestond. De socialistische partij koos stelling tegen de communisten, al was het maar bij gebrek aan andere tegenstanders, en ten slotte was het het leger dat alles besloot. De hele samenleving stond op zijn kop.

'Ik probeer in mijn romans altijd mensen met een verschillende sociale achtergrond te laten zien. Naar een advies van Balzac, die gezegd heeft dat de roman de privé-geschiedenis van de natie is. Dat interessert me ook buitengewoon, vooral de geschiedenis van al die variëteiten van de kleinburgerlijkheid die wij in Portugal kennen. Dat is nog niet eenvoudig uit te leggen aan een buitenlander. Het feodale zit er bij ons nog altijd sterk in. Het domineert de omgangsvormen, het dicteert de mogelijkheden. Dat reikt zelfs tot aan de huwelijken: je kunt een maitresse hebben uit een lager sociaal milieu, maar geen vrouw.

'Dat is zelfs vandaag de dag nog zo; wat dat betreft hoort Portugal nog altijd niet bij Europa. De regering heeft geen referendum over Europa willen organiseren: dat zou ze verloren hebben. Europa speelt geen rol voor de Portugezen: ze hebben genoeg van abstracte zaken. Zelfs als het gaat om partijprogramma's. De mensen stemmen op je om je gezicht, niet om je programma of je ideeën. Dat verklaart ook waarom Soares al zijn moeilijkheden overleefde: hij beschikte over een immense charme, charisma.

'Helden tellen voor ons Portugezen: Che Guevara was belangrijk, maar ook Willy Brandt. Heinrich Böll was voor ons een ethisch ijkpunt. Dat was vooral van belang voor ons, wij die deelnamen aan een links idealisme, een romantisch soort links.

'Ook ik had een heel romantisch idee van links. Voor mij was dat de politiek van de generositeit, maar toen ik het van nabij leerde kennen, als kandidaat voor de communistische partij, werd ik natuurlijk teleurgesteld. Pas later heb ik begrepen dat politici niet van mensen houden. Ze houden van de macht en ze houden ervan macht na te streven. Wanneer je die horribele frase van Mitterrand hoort, toen hij zichzelf met De Gaulle vergeleek en zei dat hij het ongeluk had gehad geen oorlog te hebben gekend, weet je hoe erg het is. Dat is een vreselijke opmerking: hij wilde desnoods wel zes miljoen doden hebben om er zelf beter uit te komen.

'Voor mij is het geen geintje geweest, een oorlog meemaken. Ik heb er een oor door verloren en een deel van mijn redelijkheid, maar ben er althans nog levend uitgekomen. Ik ben nooit erg sectarisch geworden. Ik heb verscheidene vrienden die rechts zijn, maar voor mij telt dat niet. Wat telt is de mens; die is belangrijker dan de politicus.

'Het lijkt nu alsof ik er bij hoor in Portugal. Vandaag de dag biedt men mij fraaie posities aan, zelfs op een presenteerblaadje. Maar dat is slechts schijn. Van alle levende en dode Portugese schrijvers ben ik de meest vertaalde, dus het zou een beetje moeilijk zijn mij te negeren.

'Mijn beroep als arts heb ik opgegeven. Dat was ook niet meer te doen. Ik kwam thuis om een uur of elf en moest dan nog eens gaan schrijven. In 1985 ben ik mij gaan associëren en ten slotte ben ik uit mijn praktijk gestapt. Met angst en beven, want een dokter verdient veel geld en is daar bovendien zeker van, terwijl een schrijver niet weet waar hij volgend jaar aan toe zal zijn. Maar al ben ik niet rijk, ik hoef ook niet te bedelen.

'Als jongen schreef ik op een blokje dat ik op mijn boek legde zodat het voor mijn ouders leek alsof ik aan het studeren was. En nog, nog altijd als ik schrijf, ligt er een boek onder mijn handschrift - dat kan zelfs het telefoonboek zijn. Als ik maar duidelijk kan maken dat ik met iets nuttigs bezig ben, alsof het met schrijven om een niet erg serieuze activiteit gaat. Alsof er ieder moment iemand binnen kan komen die er iets van zegt.'

0I ETS IN MIJ zegt. . . Dokter zijn is iets serieus, maar dit, dit. . . Dat maakt ook dat ik altijd zo'n achting heb voor mijn uitgevers. Iets in mij verbaast zich erover, een deel van mij is er nog altijd onzeker over. Ik heb natuurlijk veel geleerd. Zoals ik romantische ideeën had over het politieke leven, had ik die ook over het artistieke. Ik had niet het geringste idee van de rivaliteit, van de competitie, van de wreedheid in het artistieke milieu.

'Aan het begin van mijn loopbaan had ik welomlijnde ideeën over hoe je een roman moest schrijven en daardoor ben ik heel onrechtvaardig voor collega's geweest. Je doet alsof je de oplossing op zak hebt, of je een grote ontdekking hebt gedaan. Ik dacht dat ik uitgevonden had hoe je de actie kon versnellen door de dialoog. Later las ik Jane Austen, die precies hetzelfde doet.

'Mijn personages zitten verknoopt in hun eigen eenzaamheid. Dat komt door het fascisme, fascisme in een niet-politieke zin. Aan hun manier van doen zit een oneindige eenzaamheid. Ik wilde laten zien wat er van hen geworden is, na de revolutie, ik wilde een proletariaat schilderen dat voor rechts gekozen heeft. Na de revolutie heeft mijn grootmoeder haar bedienden gevraagd waarom ze toch allemaal rechts bleven stemmen. Ze deden dat om zich veilig te voelen. Ze kozen voor zekerheid. Als hun patroon verdwijnt, komt hun bestaan in gevaar.

'Dat is mijn verhaal, mijn versie van hun verhalen - en het is zeker geen verhaal dat er aanspraak op maakt geschiedenis te zijn, laat staan dé geschiedenis. Ik leg mijn verhaal voor aan de lezers, zij maken de dienst uit. Die lezers moeten argwanend blijven, ze moeten de schrijver blijven verdenken. De lezer oordeelt.

'Muziek verbreekt de stilte; zodra dat gebeurt moet je op je hoede zijn. Ik probeer er voor te zorgen dat de lezer leest wat ik niet schreef. Beter kan ik het niet uitleggen. Ik probeer steeds meer stilte in mijn nieuwe boeken te krijgen, steeds minder te zeggen. Kent u het verhaal van die prins, die op Mozart reageerde met: uw composities hebben te veel noten?

'Ik denk dat er veel romans zijn waar te veel woorden in staan. Het moet met minder kunnen.'

Michaël Zeeman

António Lobo Antunes: Het handboek van de inquisiteurs.

Vertaald uit het Portugees door Harrie Lemmens.

Ambo; 379 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 263 1495 7.

Meer over