Over financiering van opgravingen bestaat nog veel onduidelijkheid Archeoloog schuift aan bij bouwproject

Geschiedenis verkoopt. 'Wonen op Romaanse grond', prijst een projectontwikkelaar in Utrecht zijn appartementencomplex aan dat staat op een plek waar in de oudheid ook al werd gewoond....

Van onze verslagever

Mac van Dinther

ARNHEM

Maar niet iedereen is opgetogen als er op een nieuwbouwlocatie historische bodemschatten worden aangetroffen. Opgraven kost tijd en geld, twee schaarse goederen bij bouwprojecten.

Binnenkort is er echter geen ontkomen meer aan. Een paar jaar terug heeft Nederland zijn handtekening gezet onder het Verdrag van Valetta. In dat verdrag verplichten de ondertekenaars zich om het archeologisch erfgoed in stand te houden.

Het verdrag is al in 1992 getekend, in de hoofdstad van Malta, maar nog niet in werking getreden. Staatssecretaris Nuis van Cultuur heeft de Tweede Kamer onlangs laten weten hoe hij het verdrag wil vertalen in Nederlandse wetgeving. Het komt erop neer dat bij het maken van bouwplannen voortaan ook een archeoloog aanschuift. Net als een Milieu Effect Rapportage (MER) komt er ook een soort Archeologische Effect Rapporage.

Voorlopig geldt dat alleen grote projecten. Dat is jammer, vindt Mieke Smit, stadsarcheoloog in Arnhem en secretaris van het Convent van stadsarcheologen. Ze is tevens medeorganisator van een congres vandaag in Kampen, dat geheel gewijd is aan de gevolgen van het Verdrag van Valetta voor gemeenten.

'Nuis wil de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag alleen invoeren voor projecten waarvoor ook een Milieu Effect Rapportage gemaakt moet worden. Wij zijn bang dat de binnensteden in de kou komen te staan. Dat zijn vaak kleinere projecten, waarvoor geen MER-plicht geldt.' Voor archeologen is in binnensteden juist het meest te halen.

Bovendien bestaat over een cruciaal punt, de financiering van eventuele opgravingen, nog veel onduidelijkheid. Archeologie is een taak van het rijk. Als een bepaald terrein van grote waarde is, kan het rijk de vindplaats aanwijzen. De staat draait dan ook op voor de kosten.

Maar als het rijk niet bijspringt, wat steeds vaker gebeurt, is het aan de gemeenten om in de buidel te tasten. Strikt genomen geschiedt dat op vrijwillige basis. Niemand dwingt gemeenten om opgravingen te betalen.

Het Verdrag van Valetta gaat uit van het principe: de verstoorder betaalt. Degene die graaft, draait ook op voor de kosten van archeologisch onderzoek. 'Maar wie is de verstoorder?', vraagt Smit zich af. 'Neem de Vinex-locaties. Het rijk heeft die aangewezen. Is de verstoorder dan het rijk, de gemeenten, of de projectontwikkelaar?'

Het probleem speelt in Nijmegen dat aan de overkant van de Waal een immens nieuwbouwproject plant op een plek waar duizenden jaren geleden al mensen woonden. Nu al is zeker dat de grond veel bodemschatten verbergt die meer licht zullen werpen op de geschiedenis van Nijmegen en omgeving. Dat kost volgens stadsarcheoloog J. Thijssen wel de lieve duit van 32 miljoen gulden. En wie zal dat betalen?

Nuis heeft voorgesteld om een 'Malta-fonds' op te richten voor elk project. Een percentage van de kosten van een bouwproject moet worden besteed aan archeologie. Dat kan worden verhaald op de uiteindelijke huizenprijs.

Maar volgens Nijmegen worden de huizen daardoor te duur en prijst de stad zichzelf uit de markt. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft al eens berekend dat nieuwbouwhuizen honderden gulden duurder kunnen worden als gevolg van het Verdrag van Valetta. Reden waarom veel gemeenten kopschuw zijn geworden.

Smit, die op het moment druk doende is met een nieuwbouwproject in Arnhem, waar resten zijn gevonden van een zevenduizend jaar oud jagerskamp, vindt die getallen overdreven. 'Ik ben ervan overtuigd dat het minder is. Maar de bezorgdheid is terecht. Het rijk zou ook een bijdrage moeten leveren. Bodemonderzoek is een taak van de hele overheid.'

Gemeenten doen er wel goed aan kennis in huis te halen, zegt ze. Een aantal heeft dat al gedaan: 28 gemeenten hebben een eigen stadsarcheoloog in dienst. Hun aantal groeit nog. Maar het is niet nodig dat alle gemeenten een eigen dienst optuigen, zegt Smit. 'Ze kunnen ook de diensten van een archeoloog van een stad in de buurt huren of iemand voor een paar dagen per week in dienst nemen.'

Als archeologen bijtijds worden ingeschakeld, kan een goede inventarisatie gemaakt worden van wat er te verwachten valt. Dat spaart tijd en geld. 'Een verrassinkje blijft mogelijk. Maar dat komt zelden voor.'

Het gaat goed met de archeologie in Nederland, zegt Smit. 'Archeologie is een succestory. Er gaat wel eens iets per ongeluk verloren, omdat de waarde niet wordt onderkend, maar dat gebeurt sporadisch. Er is ontzettend veel bereikt op basis van goodwill en overredingskracht.' Het zou jammer zijn als die goodwill wordt verspeeld door de invoering van plichten.

Hoe dan ook zal het gereedschap van archeologen de komende tijd niet de kans krijgen om te roesten. Nederland gaat op de schop, overal wordt gebouwd en gegraven. Een buitenkansje voor archeologen, zou je zeggen. Maar wie denkt dat Smit en haar collega's zich in de handen wrijven, heeft het mis.

De trend onder archeologen is juist om zoveel mogelijk te laten zitten. 'Anders zit je straks met een bodem zonder geschiedenis, want je vernietigt je eigen archief. Bovendien moeten ze in de toekomst ook nog wat te onderzoeken hebben.'

Meer over