Oude zalf met modern etiket

De discussie over de evolutietheorie en Intelligent Design was misschien niet gevoerd als het modernisme in de theologie van 150 jaar geleden het pleit had gewonnen....

Terwijl de Canadese filosoof Michael Ruse manhaftig poogt aanhangers en tegenstanders van de evolutietheorie tot elkaar te brengen, en de Australische wetenschapsjournalist Robyn Williams de beweging rond Intelligent Design (ID) van terrorisme beschuldigt, verschijnt in Leiden zonder veel gedruis een dissertatie die een bijzonder licht werpt op deze oeroude discussie. Oeroud, want weinigen weten dat deze kwestie 150 jaar geleden ook al speelde.

God van vooruitgang, het voorbeeldige proefschrift van kerkhistorica Mirjam Buitenwerf-Van der Molen, geeft alle aanleiding voor deze boud lijkende bewering. Zij koos het modernisme tot onderwerp; een theologische stroming die in de tweede helft van de 19de eeuw de gemoederen korte tijd bezighield en een versmelting van natuurwetenschappelijke inzichten en godsgeloof beoogde. Hadden de modernen destijds het pleit in hun voordeel beslecht, dan was een discussie over ID nu misschien niet aan de orde.

De vraag waarom het anders liep vormt de rode draad in het boek. Het antwoord ligt vooral besloten in de ambivalenties van deze beweging. Het modernisme werd uitgedragen door hoog opgeleiden, voornamelijk predikanten. Hun boodschap was echter nadrukkelijk geadresseerd aan gans het volk, dat van wetenschap geen kaas gegeten had en in de godsdienst troost zocht die de modernen niet langer konden en wilden geven. En terwijl de modernisten, met hun amalgaam van geloof en wetenschap, het christendom dachten te redden, nam door hun toedoen de onverschilligheid toe en verlieten velen de kerk.

De modernen waren vervuld van de tijdgeest die doordrenkt was van een optimistisch vooruitgangsgeloof. In wonderen geloofden zij niet. Zij baseerden zich op de historische bijbelkritiek en betoogden dat geloof en wetenschap elkaar niet hoefden te bijten, als men maar bereid zou zijn het mythische karakter van de bijbel te doorzien. Zolang de kern van Gods Woord maar behouden bleef. Die kern lag besloten in de bijbelse ethiek en niet in de dogmatiek. Het nut van godsdienst was voor de modernen dan ook vooral maatschappelijk van aard, en paste naadloos in het beschavingsoffensief van de 19de eeuw.

Het mag nauwelijks toeval heten dat het begin van de moderne theologie nagenoeg samenvalt met de verschijning in 1859 van Darwins hoofdwerk, On the Origin of Species. Het darwinisme werd door de modernen niet alleen omarmd en warm verdedigd, maar zelfs geïncorporeerd in een eigen intellectuele creatie, die zij onbekommerd ‘evolutietheologie’ doopten. De mens was het hoogtepunt in de evolutie want had, anders dan het dier, een natuurlijke aanleg voor het religieuze. Hetzelfde gold voor het christendom, dat als meest ontwikkelde godsdienst werd gezien. Daarbinnen was het theologisch modernisme weer de meest ontwikkelde stroming, die de beste geestelijke toerusting bood in de struggle for life.

Maar de 19de-eeuwse goegemeente had weinig oog voor de rationele argumentatie van de theologische nieuwlichters. Het modernisme geraakte tussen twee vuren. De rechtzinnige gelovigen en hun voormannen verwierpen het modernisme als verkapt atheïsme dat de heilige Schrift versneed tot een humanistisch manifest.

Fel was echter juist ook de kritiek van atheïstische vrijdenkers die hun puur natuurwetenschappelijke wereldbeeld te vuur en te zwaard verdedigden tegen deze vorm van religieus geïnspireerde annexatiedrift. Het modernisme was, zoals vrijdenker Multatuli het sarcastisch formuleerde, ‘de oude zalf met ’n modern etiket’, waarmee het darwinisme ‘van-pas geknoeid’ werd tot een nieuwerwets ogend ‘zwendel-systeem’.

Niets nieuws onder de zon, want zo denken ook de hedendaagse ID-bestrijders over hun tegenstanders. Beide partijen bekennen zich weliswaar tot de evolutietheorie. Maar waar de rechtgeaarde evolutionist het blinde toeval ziet als Leitmotiv in het evolutieproces, houdt de ID-aanhang vast aan het idee van een Veroorzaker, c.q. Intelligente Ontwerper. Dit laatste impliceert echter doelmatigheid en valt, hoe men het ook wendt of keert, niet te rijmen met toeval als basisprincipe.

Veel modernistische predikanten, onder wie bekende namen als Conrad Busken Huet en Allard Pierson, kwamen daar 150 jaar geleden ook al niet uit en trokken de ultieme conclusie. Zij verlieten de kerk en hielpen dusdoende het modernisme, product van hun eigenzinnige mix van geloof en evolutie dat zij zo meeslepend hadden uitgedragen, definitief om zeep.

Hoe vooruitstrevend de hedendaagse christenheid zich ook voordoet en hoe modern het geloofsleven van de gemiddelde Nederlander volgens het recent verschenen God in Nederland ook mag zijn, met het modernisme als serieus te nemen theologische stroming is het nooit meer goed gekomen. Gert J. Peelen

Meer over