ColumnIonica Smeets

Op een gegeven moment mochten mijn moeder en ik Jeroen zeggen, in plaats van ‘meneer Van Merwijk’

null Beeld

Het moet ongeveer 1993 zijn geweest en Jeroen van Merwijk trad op in Maasland. Hij speelde in het zaaltje van het lokale café en ik zat naast mijn moeder op de eerste rij. Zij kende hem al van zijn liedjes en ze nam me mee omdat ze dacht dat ik hem ook goed zou vinden. Ik was een jaar of 13 en Jeroen van Merwijk vroeg zich aan het begin van zijn voorstelling hardop af welke malloot een kínd had meegenomen. Maar toen ik vol bewondering naar zijn liedjes luisterde en lachte om de juiste grapjes, mocht ik blijven.

De jaren daarna bezochten mijn moeder en ik trouw al zijn voorstellingen. Ik schreef flarden van zijn teksten in mijn meisjesdagboek: ‘Ik ben niet zo dol op de padvinderij en D66 is ook niks voor mij. Maar als jij erbij zat, dan ging ik erbij, want jij bent alles voor mij.’ Het zal niet de bloemlezing van zijn beste teksten halen, maar als puber vond ik dit romantisch en praktisch tegelijk.

Op een gegeven moment begon Jeroen ons te herkennen en toen mochten we dus Jeroen zeggen, in plaats van ‘meneer Van Merwijk’. We dronken samen thee (of jenever) na afloop van zijn voorstellingen. Ik bewonderde hoe hij grote en kleine gedachten in geestige woorden kon vatten en hoe rücksichtslos principieel hij was. Toen ik wiskunde studeerde, snauwde hij me eens toe dat hij het onbegrijpelijk vond dat iemand die zo slim was als ik tóch dieren at. Ik schrok, niemand was ooit zo direct. Maar hij vond dat en dan zei hij het ook.

Net zo hard als om zijn voorstellingen moest ik lachen om zijn actie om maandenlang ongevraagd linkse columns naar De Telegraaf te sturen: ‘Waarom las hij wel rechtse columns in het hem vertrouwde dagblad dat vroeger zo uitgesproken links was? En waarom plaatste de onveranderlijk rechtse krant van de buurman nooit een linkse column?’ Het is tegelijk volkomen logisch en volkomen idioot – zoals zoveel in het werk van Jeroen van Merwijk.

In februari 2020 maakte Jeroen bekend dat hij darmkanker had. Ik dacht aan mijn moeder, die zich al een tijd niet goed voelde en hoe verdrietig zij moest zijn dat een van haar helden uit haar generatie binnenkort zou sterven. Ik bestelde twee schilderijen van Jeroen, één voor mijn moeder en één voor mij. Tijdens de lockdown was het een troost dat we ieder een werk van hem in onze woonkamer hadden hangen en zo een beetje samen waren.

En toen bleek mijn moeder in juni óók uitgezaaide kanker te hebben. Haar prognose was net zo belabberd als die van Jeroen. We volgden hem samen in de media, lazen zijn boek Kanker voor beginners en luisterden opnieuw naar al die vertrouwde liedjes. Het was troostrijk om te zien hoeveel aandacht er was voor Jeroen en hoeveel mensen nu met enige vertraging alsnog zijn werk ontdekten. We schreven hem om hem te bedanken voor alles wat hij voor ons had betekend. Hij stuurde lieve berichten terug.

En hoewel ik niet geloof in dat soort dingen, was ik heel bang dat mijn moeder en Jeroen tegelijk dood zouden gaan. Dinsdag voelde mijn moeder zich heel ziek. ‘Ik denk dat Jeroen doodgaat’, zei mijn moeder die avond. En daar geloof ik ook niet in, maar ze had wel gelijk. Woensdag huilden we samen terwijl we in gedachten weer op de eerste rij in dat lullige zaaltje zaten.

Meer over