Om wat onvergankelijk, ongenaakbaar is

VERMOEDELIJK IS er geen Europese cultuur zo ongenaakbaar als de Siciliaanse, zoals er ook maar weinig cultuurlandschappen zijn in dit oude, vermoeide werelddeel, die zo gelaten en onaangedaan als Sicilië de tijd doorstaan....

Michaël Zeeman

Vlak onder een zich enigszins lijzig presenterend aanpassingsvermogen schuilt een harde pit die alle aanpassing tot een schijnvertoning maakt, een geduldig opgebrachte pose. Maar die relativeringszin en die lijdelijkheid zijn tegelijkertijd zo ondoordringbaar dat je je na verloop van tijd moet gaan afvragen of de schil geen deel uitmaakt van de pit.

Het maakt de bezoeker van Sicilië, hoe vaak hij er ook komt en hoe lang hij er ook blijft, tot een buitenstaander. Nooit is het deelgenoot worden van een andere cultuur een sinecure en misschien maakt de cultuur waarin wij worden geboren wel zozeer deel uit van onze opperhuid, dat volledige assimilatie aan een andere principieel uitgesloten is, maar op Sicilië kun je zelfs als je over het meest kameleontische acteertalent beschikt niet veinzen erbij te horen. Voor geen moment, in geen enkele situatie. Zij zijn Sicilianen, jij bent anders - of liever gezegd: zij zijn anders.

Op zichzelf is dat al even raadselachtig als bewonderenswaardig, want Sicilië is de oudste kolonie. Zelfs toen de Grieken er voet aan wal zetten om het eiland metterdaad te koloniseren en het te hullen in het monumentale gewaad van de Helleense beschaving, was het in zekere zin al een kolonie.

De geschiedenis van Sicilië is een geschiedenis van invasies en bezettingen, van kolonisering door vreemde mogendheden en beschavingen. Van de bijna naamloze cultuur die bijna drieduizend jaar geleden in de ravijnen op het zuidoostelijke deel van het eiland die eigenaardige, hooggelegen grafspelonken achterliet, die er als slechte plekken in een reusachtig gebit tot op de dag van vandaag liggen te gapen in de zon, via het komen en gaan van Grieken, Romeinen, Arabieren, Noormannen, Byzantijnen, Spanjaarden en Italianen, tot aan de jaarlijkse intocht en uittocht van horden toeristen nu, is het eiland telkens overspoeld door anderen.

Maar het bleef zichzelf. En de vraag wat dat dan wel is, is onvermijdelijk.

Onvermijdelijk en een tikje belachelijk - want wat het is, dat zie je zo, aan de mensen en aan het landschap, aan hun gedrag en aan zijn gesteldheid. Je ziet het en je ondergaat het, maar probeer het maar eens te benoemen. De Siciliaanse cultuur is bij uitstek een vergaarbak van andere culturen, zozeer zelfs dat niet te achterhalen is wat er oorspronkelijk is en wat import. Sicilië bestaat, maar wat is het?

Kijk, zegt don Fabrizio, de prins van Salina, hoofdfiguur in De tijgerkat van Giuseppe Tomasi de Lampedusa, als hij aan het begin van de jaren zestig van de negentiende eeuw wordt uitgenodigd zitting te nemen in de senaat van het pas verenigde Italië, kijk, wij zijn Sicilianen, en daarom doe ik, met alle respect, niet mee.

'Op Sicilië', zegt hij, 'gaat het er niet om of je iets goed doet of verkeerd. De zonde die wij Sicilianen niemand ooit vergeven is eenvoudig die van het 'doen' zelf.' Geduldig en, opnieuw, enigszins gelaten legt hij zijn van het vasteland van Italië gekomen bezoeker uit hoe dat zit. 'Al minstens vijfentwintig eeuwen lang torsen wij op onze schouders het gewicht van allerlei prachtige beschavingen, alle reeds compleet en vervolmaakt van elders gekomen, geen enkele door onszelf voortgebracht, geen enkele waarop wij ons stempel hebben gedrukt.'

Voor alle duidelijkheid voegt hij daar even later aan toe dat hij zich daar niet over beklaagt, omdat het, zoals hij zegt, 'grotendeels aan onszelf' ligt.

En dus zijn we weer terug bij af, want wie zijn ze dan precies en wat is hun eigenaardige duldzaamheid dan wel?

Losers zijn het niet, slachtoffers evenmin - en toch is er dat torsen van wat van elders gekomen is, die afkeer van het doen. Maar wie torst er en wie ziet er af van actie en op welke gronden dan wel?

In De tijgerkat, dat weergaloze en ook na herhaalde herlezing in laatste aanleg ondoordringbare boek, wordt het verhaal verteld van een Siciliaanse edelman en zijn familie ten tijde van het Risorgimento. Garibaldi is in het voorjaar van 1860, als het boek begint, aan de westkust van Sicilië geland en forceert met zijn befaamde tocht over het eiland en, even later, door Zuid-Italië de eenheid van het land, een eenheid waar ook Sicilië een plaats in heet te krijgen.

De prins van Salina ziet het aan, keurt soms af en soms goed, maar blijft uiteindelijk onaangedaan. Hij is vanuit een eeuwenoude traditie verbonden met het eiland, hij bezit er paleizen, villa's en landgoederen. Maar als het erop aankomt, ziet hij af van deelname en kijkt hij naar de sterren.

Zijn neef en stiefzoon Tancredi stort zich energiek op de vrijheidsstrijd die er geen is: met de beweging van Mazzini, Cavour en Garibaldi wordt een einde gemaakt aan het regime van het huis Bourbon en komt een telg uit het huis van Savoye op de troon. Sicilië wordt van de ene hand overgedaan in de andere - en blijft Sicilië. Aan beide, machtswisseling en onveranderlijkheid, waren de Sicilianen gewend. 'Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden', houdt Tancredi zijn oom voor.

Zo'n vervelende paradox, ja, openlijke tegenspraak kun je wegzetten als een romantische kreet van een puberale jongen, zoals je ook dat hele beeld van onveranderlijkheid onder telkens wisselende culturen kunt afdoen als nodeloos en ergerlijk sentimenteel. Tancredi's oom wacht af, hij handelt - en beiden doen dat zowel uit behoudzucht als uit gelatenheid. Zoveel tegenstrijdigheden, daar is niet meer uit te komen, maar de ellende is dat wie De tijgerkat leest het venijnige gevoel overhoudt dat ze desalniettemin allebei gelijk hebben. Tertium non datur, maar radicaal veranderen om resoluut te behouden kan kennelijk wel.

De tijgerkat is een geniaal boek, dat met een bijkans opdringerige onverschilligheid geschreven lijkt. Als roman is het tartend, soms op het pesterige af: Tomasi vertelt een verhaal dat zich in de negentiende eeuw afspeelt, maar is nooit te beroerd om commentaar te leveren dat bruusk twintigste-eeuws is. Er is een scène die hij beschrijft en dan in één moeite door doodgemoedereerd becommentarieert met een verwijzing naar de films van Eisenstein. Er is een andere waarin hij het even over de transportmogelijkheden in het tijdperk van de straalmotor heeft en weer een andere waarin hij met de opvattingen van Freud op de proppen komt.

Zijn lezer kijkt ervan op, van zoveel anachronistische bemoeizucht van de auteur - maar het raadselachtige is dat het niet stoort, ja, zelfs vrij leuk is, zoals het enigszins brommerige, monkelende commentaar van Tomasi op de prins van Salina's gedachten en dagdromen altijd nogal geestig is. De tijgerkat is een historische roman die je nooit het gevoel geeft een historische roman te zijn.

In zijn eveneens postuum uitgegeven causerieën over de Engelse literatuur, die hij zeer bewonderde, doet Tomasi vergelijkbare verboden dingen: hij vertelt in de inleiding ervan dat hij lang gedraald heeft zijn opvattingen op te schrijven en dat dat vooral komt door de hitte! Wat hebben wij daarmee te maken, met die prietpraat?

Alles! Dat is nu juist het punt - zoals die schijnbare anachronistische bemoeizucht precies de kracht van De tijgerkat uitmaakt, althans een van de vectoren van die kracht. De tijd is bijzaak. Het gaat om wat onvergankelijk, ongenaakbaar is.

Verder kan een relativist, die geen cynicus is, niet gaan.

De wordingsgeschiedenis en de drukgeschiedenis van De tijgerkat zijn bekend, en voor wie ze niet kent doet de huidige vertaler, Anthonie Kee, ze in een nawoord nog eens uit de doeken: Giuseppe Tomasi di Lampedusa schreef zijn boek helemaal aan het eind van zijn leven, dat overigens werd besteed aan lezen en reizen. Het boek werd na zijn dood onder de aandacht van verschillende uitgeverijen gebracht, die het stuk voor stuk weigerden, totdat Giorgio Bassani zag wat hij in handen had en het boek in 1957 liet verschijnen. De eerste Nederlandse vertaling, van mevrouw J.C. Romein-Hütschler, verscheen al in 1959, en ofschoon dat een passabele vertaling was, kan je die niet vergelijken met wat Anthonie Kee nu heeft gepresteerd.

Dat komt in de eerste plaats doordat er twee oerversies van het boek zijn, een gedicteerd typoscript en een later door de auteur bewerkt manuscript. Mevrouw Romein vertaalde de eerste, ook nog eens geredigeerde uitgave, Anthonie Kee de editie van het laatste door de auteur gemaakte handschrift. De tweede grond is, dat de tijd niet de taal van Tomasi onder handen nam, maar wel die van ons.

En de derde dat Anthonie Kee een met een bijna niet te evenaren en soms zelfs geniaal vertaaltalent gezegend is. De vier boeken vergelijken, de twee Italiaanse edities en de beide Nederlandse, is een onuitputtelijk genoegen.

Je leert er wat talen van - maar je leert er vooral van bewonderen: een boek, een schrijver, een vertaler - en, bovenal, een cultuur.

En je leert dat de afstand tussen bewonderaar en het bewonderde onoverbrugbaar is, in welke bochten je je ook wringt. Misschien drukt dat uit waarom een eiland onneembaar blijft, hoeveel invasies of vakanties je er ook op loslaat.

Meer over