Om de lelijkheid heenkijken Het flaneerproza van Eric de Kuyper

EEN DOORSNEE schrijver of journalist die om een wandelverhaal is gevraagd, komt aanzetten met een verslag over wie en wat er onderweg is waargenomen....

De verklaring hiervoor is dat de meeste mensen niet weten wat wandelen is. Met de benenwagen van A naar B gaan, denken ze primitief. Helemaal fout. De zeldzame ware wandelaar, de bewuste, heeft nu juist geen doel voor ogen. Pas als je niet zonodig ergens heen moet, komen lichaam en omgeving nader tot elkaar. De geest wordt ontvankelijk voor invallen en zintuiglijke ervaringen. Je wandelt, en beseft dat ook, hetgeen de wandeling promoveert tot een gebeurtenis die om zichzelfs wil aandacht vraagt en verdient.

Denk er maar eens over na. Of lees Met zicht op zee, waarin Eric de Kuyper deze en andere onderwerpen aansnijdt die mensen doorgaans links laten liggen, omdat ze ongrijpbaar zouden zijn. De Kuyper houdt van Oostende, de voormalige koningin der badsteden, waar hij al veertig jaar geleden als kind in de vakanties kwam. Nu heeft hij er een flat, in een van die kolossen die het aanzicht van de kustplaats brutaal schenden. De koningin is een sloerie geworden. Op zo'n ontwikkeling kun je op twee manieren reageren: roepen dat het een schande is, dat de verantwoordelijke architecten gevierendeeld moeten worden, en er met gebalde vuist vandoor gaan. Maar je kunt ook in zo'n stuitende flat met zicht op zee je intrek nemen. Want als je er zelf in zit, hoef je er niet naar te kijken.

De Kuyper koos het tweede antwoord. Zijn boekje is gelukkig niet de litanie geworden van een hoofdschuddende dandy die zijn droom van belle époque aan flarden gereten ziet. Hij kijkt zoveel mogelijk om de lelijkheid heen. Het gaat hem om andere dingen.

Om het wandelen, bijvoorbeeld. Waarom wandelen mensen graag op het strand, en waarin verschilt de strandwandeling van een straatwandeling. Het gaat hem om de sfeer van een plaats aan de rand van de wereld, blikkend op een eindeloze einder; iets waar iedereen wel ervaring mee heeft, maar zelden iemand woorden voor vindt. Het gaat hem om de nabijheid van de elementen. Om zilte lucht, golfbrekers, zonsondergangen. Om alles wat er ook al was toen Oostende nog een grote faam genoot. Dankzij die benadering krijgt de stad zowaar weer koninklijke trekjes. Alle ramparchitectuur en platte kustcommercie hebben het mysterie er niet onder kunnen krijgen. De zee laat zich door niets of niemand ringeloren, ook niet door de mens.

Je moet wel oog voor hebben voor zulke mysteriën. De Kuyper, dat wisten we al uit zijn vorige publicaties, heeft een uitstekend observatievermogen, dat is aangescherpt door zijn kennis van de semiotiek en de film. In zijn literaire debuut Aan zee (1988) verhaalde hij in de hij-vorm over de strandspelen en andere rituelen van het Brusselse kind dat hij is geweest. Vanwege zijn broze gezondheid moest hij op den duur niet alleen in de zomer, maar elke vakantie naar zee. Aan het eind van het boekje staat de herinnering aan de bioscoop in De Panne, waar hij La rue du dauphin vert zag, die geen andere was dan Green Dolphin Street, een liefdesgeschiedenis met Lana Turner. Overigens in zwart-wit, waardoor de groene-dolfijnenstraat des te intrigerender werd.

Na veertig jaar terug in De Panne schiet de Amerikaanse filmtitel hem weer te binnen, die 'bij ons beter bekend was als La maison du dauphin vert'. Een kleine correctie achteraf op het geheugen, waar hij uitsluitend op voer toen hij Aan zee schreef, of moet dat huis toch gewoon straat zijn?

Hoe dan ook, in het overige blijven de herinneringen op afstand. De Kuyper, die zich met zijn kleine fijne boeken profileert als een soort zondagsschrijver, heeft een nog onnadrukkelijker vorm gevonden om zijn subtiele bespiegelingen over te brengen dan in de autobiografische boeken over vroeger is gebeurd. Met zicht op zee zijn aantekeningen, schijnbaar losjes en voorlopig gemaakt. Het ziet eruit als materiaal 'waar nog eens wat mee gedaan kan worden'. Het is een vorm die past bij de kabbelende zee, en bij wandelen over de Koninklijke Galerijen van Oostende. Dit is flaneerproza. Arabesken. Hier is over nagedacht. Aan de achteloosheid van Eric de Kuyper ligt een uitvoerige studie ten grondslag.

Hij zit op de flat om in eenzaamheid te kunnen werken aan een tekst over de cineaste Jacqueline Veuve. Dat schrijft hij - maar in Met zicht op zee! Zo dringt hij sterk de suggestie op dat dit boekje slechts krabbels in de marge van het echte werk zijn. Net zoals al zijn boeken, meestal van geringe omvang, iedere verwijzing naar hard werken en transpiratie weten te vermijden. Dat is de dandyeske kant van De Kuyper, die hem verbindt met die andere arabeskenschrijver en hartstochtelijke reiziger Louis Couperus. Die poseerde met graagte als iemand die alleen even aan de schrijfarbeid ging tussen twee flaneersessies in. Ook hij verried zich door zijn productie.

Als kind schreef Eric met een schep tekens in het zand, en hij zong er een schlager bij. Als volwassen flatbewoner leest hij van twaalf hoog het strand als een vel papier, betekend met andermans raadsels, en noemt hij de kolkende golven Jugendstil. Ook leest hij het weer, dat elke dag een ander verhaal vertelt, en probeert dat kort, bondig, eenvoudig weer te geven, wat niet eenvoudig is. Hij wandelt en mediteert over het wandelen, vertelt over de schilder Léon Spilliaert, die veel ergerniswekkende Oostendse architectuur op zijn doeken wegliet, over de grootse plannen die koning Leopold II met de stad had en over het Casino uit de jaren vijftig van Léon Stijnen.

Wie dat ooit heeft gezien, een wanproduct met die afgebladderde kont dom naar de zee gekeerd, schiet in de lach om niet in tranen uit te hoeven barsten. Hoe heeft Stijnen het in zijn bolle hersens gehaald de voormalige majesteit zo onbehouwen aan te randen? Maar nee, legt De Kuyper uit, het ligt anders: het Casino is de uitkomst van vele compromissen waar Stijnen zelf ongelukkig mee was, en bovendien is het bunkerachtige gebouw na de twee wereldoorlogen die aan Oostende niet onopgemerkt voorbijgingen, te waarderen 'als een gedenkteken voor een vervlogen tijd van geweld en verwoesting'.

De Kuyper mijmert door, over de plannen van Stijnen en Leopold, en komt met bouwsuggesties die het waarschijnlijk niet zullen halen, maar hem aangenaam laten verwijlen bij een eleganter aanzicht dan waar hij het mee heeft te doen zodra hij zijn ogen weer opent. Een estheet met zicht op zee is zulk aanstekelijk mijmeren vergund. Dan krijg je van die zinnen die eindigen met drie Couperus-puntjes, dat zwierige versierinkje als een zucht, dat wij bonkige Hollanders ons zo zelden permitteren. . .

'Om een klein stukje Oostende te doen oprijzen uit het alfabet, heb je al bijna een heel boek nodig (zie Aan zee van Eric de Kuyper)', schreef Charlotte Mutsaers in de essaybundel Paardejam (1996). Er zijn mensen, andere dan hijzelf, die hun James Ensor-fantasieën op het Oostende van nu afstemmen, 'bijvoorbeeld Charlotte Mutsaers', schrijft De Kuyper nu terug. Er is derhalve alle reden voor Mutsaers zo'n boek daadwerkelijk te schrijven. Iets met maskers, grimassen en taalbuitelingen erin, stel ik mij voor. Samen met de twee boeken van De Kuyper is Oostende dan in elk geval op papier weer een badplaats die tintelt en meetelt.

Arjan Peters

Eric de Kuyper: Met zicht op zee - Aan zee, veertig jaar later.

SUN; 113 pagina's; ¿ 24,50.

ISBN 90 6168 489 7.

Meer over