Nieuws

‘Nederlandse’ robotarm na succesvolle lancering op weg naar ISS

Woensdag even na vijf uur Nederlandse tijd, enkele minuten nadat op de lanceerbasis in Baikonur, Kazachstan, vlammen ontstoken onder een krachtige Russische Proton-M raket, was het zover. Na ruim 35 jaar plannen, bouwen en testen betrad de European Robotic Arm, de ‘Nederlandse’ robotarm, de ruimte.

Het ISS op een foto uit 2018. Beeld Reuters
Het ISS op een foto uit 2018.Beeld Reuters

De European Robotic Arm (ERA) vertrok samen met Nauka, de nieuwe module voor het Russische deel van het internationaal ruimtestation ISS. Beide koppelen pas over een aantal dagen aan hun nieuwe thuis. ERA wordt dan de eerste robotarm op het Russische deel, en de derde in totaal op het station.

Het is lang geleden dat een lancering als deze plaatsvond. De laatste ISS-module vertrok elf jaar geleden, de laatste robotarm zelfs nog een jaartje eerder. Bovendien is het, gegeven de relatief hoge leeftijd van het ISS, waarschijnlijk dat het de laatste keer is dat het station nog op deze manier wordt uitgebreid.

Rood-wit-blauw-gehalte

Nederland speelde bij de ontwikkeling van ERA een bijzondere rol. ‘Je mag ERA gerust een Nederlandse robotarm noemen’, zei Sytze Kampen, ERA-projectmanager bij Airbus, het bedrijf dat de werkzaamheden aan de robotarm coördineerde daarover eerder tegen de Volkskrant. Ons land deed grofweg tweederde van het werk en betaalde ook tweederde van de kosten. Nederland bekostigde in totaal zo’n 235 miljoen van de totale 360 miljoen euro die het project heeft gekost. Een ander ISS-onderdeel met zo’n groot rood-wit-blauwgehalte bestaat niet.

Eenmaal op het ISS moet ERA onder meer helpen bij werkzaamheden aan het station waarvoor astronauten anders risicovolle ruimtewandelingen zouden moeten uitvoeren. Ook zal de arm wetenschappelijke experimenten van binnen het station naar buiten verplaatsen, waar ze worden blootgesteld aan de onherbergzame omstandigheden in de ruimte. Op die manier onderzochten wetenschappers in het verleden bijvoorbeeld of schimmels en bacteriën in de ruimte kunnen overleven, een belangrijke kwestie voor wie bang is met ‘onze’ microben andere planeten te besmetten, en voor wie zich afvraagt of het aardse leven wellicht een buitenaardse oorsprong kent.

Lange weg naar de ruimte

Maar het meest bijzonder aan ERA is wel de enorm lange weg die de arm aflegde richting ruimte. Ruim 35 jaar kostte het, van de eerste plannen in de jaren tachtig, toen de arm nog was bedoeld voor ruimteveer Hermes (de Europese tegenhanger van de Amerikaanse Space Shuttles die uiteindelijk nooit zou worden gebouwd), tot nu. Daarbij leidden vooral de ontwikkelingen in Rusland, waar na de uitval van Hermes afspraken mee werden gemaakt, tot oplopend uitstel.

De arm zou daar namelijk op Mir-2 komen, de geplande opvolger van het Russische ruimtestation MIR. Later werd dat toch het ISS, nadat Rusland besloot aan dat internationale project deel te nemen en het eigen station te schrappen. Rond 2001 werd de ISS-module waarop de arm zou komen – het Science Power Platform – echter óók geschrapt, waarna het wachten op een nieuw thuis begon. Dat thuis kwam uiteindelijk in de nu gelanceerde module Nauka, een reserve-onderdeel dat de Russen alsnog oplapten voor deze ruimtereis.

Zo’n oude module klaar krijgen voor lancering, bleek echter moeilijker dan gehoopt. De motoren bleken te lekken, de brandstoftanks bevatten metaalvlokken, de garantie op allerlei onderdelen verliep. Maar nu, na jarenlang uitstel, herstel- en schoonmaakwerk, was de module dan toch klaar voor vertrek. Mét ERA. ‘We begonnen hiermee toen we allemaal nog jong waren’, zei Kampen daar over. ‘Het voelt bijzonder dat we nu, na al die jaren, eindelijk lanceren.’