Columngeorge van hal

Natuurkunde moeilijk? Mwah. Zelfs een hond kan het

George van Hal Beeld George van Hal
George van HalBeeld George van Hal
George van Hal

Ach, natuurkunde. Een vak dat generaties scholieren knarsetandend uitzitten totdat ze het mogen laten vallen. Een vak bovendien, als we de clichés mogen geloven, dat in het latere leven wordt uitgeoefend door zonderlinge, sociaal onhandige figuren die het liefst de hele dag voor een schoolbord staan terwijl ze daar met een stuk krijt volkomen ontoegankelijke formules op kalken.

En, natuurlijk: áls we dan een keer een nationale knuffelnatuurkundige vinden, mag hij meteen op primetime televisiecollege geven op ’s lands grootste publieke zender. Sterker nog: we ontvangen hem zelfs met open armen in het landsbestuur, zo bleek eerder deze week. Maar Robbert Dijkgraaf, met zijn kraakheldere retorische vermogens en natuurlijke charisma, is de uitzondering die de regel bevestigt.

Nee, dat lastige gegoochel op school met zwaartekracht, wrijving, de zoveelste wet van Newton, en het eindeloze geblader in tabellenboek Binas... dat is toch niks? En wat die rare fysici doen, met hun voorliefde voor ongrijpbaar kleine deeltjes, dat is toch ondoorgrondelijk complex?

Mwah. Iedereen kan natuurkunde. Sterker nog: zelfs een hónd snapt het, zo tekenden biologen onlangs op in het vakblad Biology Letters.

De dieren staarden bij een experiment langer, met zich verwijdende pupillen, naar virtuele balletjes als die op een beeldscherm ineens iets opmerkelijks deden. Uit het niets rollen, bijvoorbeeld, of raar stuiteren. Als die balletjes zich, kortom, niet aan de basale wetten van de natuurkunde hielden, toonden de honden zich verbaasd.

En ook wij herkennen in zo’n geval direct dat er iets niet klopt. Al tijdens onze babytijd ontwikkelen we een feilloze intuïtie voor wat wel en niet kan. Valt pappa spontaan omhoog, of vliegt een flesje zo, hops, van tafel, dan snapt ook iemand met slechts een paar maanden levenservaring dat er iets raars aan de hand is. Daar heeft zo’n baby weliswaar niet direct de correcte formule in Binas bij paraat, maar het begrip is er.

Of, zoals de onderzoekers het zelf zeggen: ‘Van jongs af aan beschouwen mensen ruimtelijk-tijdelijk aaneengesloten lanceringsgebeurtenissen als causaal.’ Waarmee ze overigens onbedoeld illustreren dat het vaak niet de wetenschappelijke inhoud is, maar de overdreven gewichtigdoenerij in de vakliteratuur die deze kennis voor leken zo ontoegankelijk maakt.

Het is pas lang na de babytijd, en een abstractieniveau verder, dat natuurkunde plots ‘moeilijk’ lijkt. Tegelijk heeft die wiskundige abstractie ervoor gezorgd dat fysici ook zaken kunnen bestuderen waarbij onze ingebakken intuïtie tekort schiet – gedragingen op deeltjesniveau, bijvoorbeeld, of op de schaal van het gehele universum.

Is dat dan moeilijk? Och, de wiskunde is voor fysici uiteindelijk vooral een stuk gereedschap. En net zoals je niet zélf hoeft te kunnen timmeren om een mooie kast op waarde te schatten, heeft een hond geen vergelijkingen nodig om te snappen wanneer een bal de zoveelste wet van Newton aan z’n spreekwoordelijke laars lapt.

Meer over