Na massale sterfte overleven de kleintjes

Van een uitsterfgolf gaan soorten niet alleen massaal dood - het leven wordt er ook letterlijk kleiner van. Dat blijkt uit een analyse van 1.120 vissenfossielen rondom een rampzalige periode diep in de prehistorie.

null Beeld Thinkstock
Beeld Thinkstock

Aan het einde van het Devoon, zo'n 360 miljoen jaar geleden, stierf om onbekende redenen zo'n 74 procent van alle soorten zeedieren uit. Maar wat overbleef, ontdekten wetenschappers onder leiding van Lauren Sallan van de universiteit van Pennsylvania, was opvallend veel kleiner. Dat is een bevestiging van het zogeheten Lilliputeffect, het idee dat het na een uitsterfgolf altijd de kleintjes zijn die overblijven, waarschijnlijk omdat die een kortere levenscyclus hebben, zich sneller voortplanten en zodoende als soort minder kwetsbaar zijn voor rampspoed.

Lilliputeffect

En inderdaad. Vóór de uitsterfgolf van het Devoon werden vissen langzaam steeds groter, tot er beesten rondzwommen 'als een schoolbus zo groot', aldus Sallan in een persverklaring bij haar onderzoeksartikel in Science. Maar na de ramp 'was het resultaat een oceaan waarin de meeste haaien minder dan een meter lang waren en de meeste vissen en in zee levende viervoeters minder dan tien centimeter, wat extreem klein is.' Het Lilliputeffect hield zeker 40 miljoen jaar stand, veel langer dan Sallan had verwacht.

Ook voor vandaag is dat een belangrijke les, schrijven de onderzoekers: ook in ons tijdperk sterven immers veel soorten uit. 'Dit soort verstoringen verschuiven de natuurlijke selectie zodat kleinere, sneller voortplantende vissen blijven voortbestaan. Het kan zeer lang duren om de grotere vissen in fatsoenlijk formaat terug te krijgen.'

Meer over