biologie

Met de ooievaars gaat het nu beter dan met de ooievaarsstations die ze voor uitsterven behoedden

Zo goed als uitgestorven was de vogel, daarom werden er ooievaarsstations opgezet. Nu is de ooievaar geen bedreigde soort meer, terwijl de stations langzaam verdwijnen. Zijn die niet meer nodig?

Frits en Els Koopman bij een jonge ooievaar op hun ooievaarsstation De Lokkerij, een van de oudste van Nederland, in het Drentse buurtschap De Schiphorst. Beeld Els Zweerink
Frits en Els Koopman bij een jonge ooievaar op hun ooievaarsstation De Lokkerij, een van de oudste van Nederland, in het Drentse buurtschap De Schiphorst.Beeld Els Zweerink

Een zonnige voorjaarsdag, in het landje rond de boerderijwoning van Frits en Els Koopman in het Drentse buurtschap De Schiphorst (nabij Meppel) wemelt het van de ooievaars. 53 paar zitten er te broeden op de vele palen en bomen in het grasland, en dat is geen toeval: we zijn op De Lokkerij, een van de oudste Nederlandse ooievaarsstations. Het station hoort tot de erfenis van de herintroductie in de vorige eeuw van de toen bijna uitgestorven wit-zwarte sprookjesvogel.

Op 22 mei bestaat De Lokkerij 40 jaar. Ondanks het feestelijk geklepper van de vogels zit een jubileumfeestje er niet in: door corona is het station al lange tijd gesloten voor bezoekers en is die inkomstenbron vrijwel opgedroogd. De beheerders, krasse tachtigers die hun administratie nog met pen en papier doen, moeten soms geld toeleggen om ‘hun’ dieren te verzorgen. Bestuursleden en vrijwilligers verouderen, jarenlange donateurs overlijden.

Ooievaars in nesten in De Lokkerij, het station van Frits en Els Koopman, dat op 22 mei 40 jaar bestaat.  Beeld Els Zweerink
Ooievaars in nesten in De Lokkerij, het station van Frits en Els Koopman, dat op 22 mei 40 jaar bestaat.Beeld Els Zweerink

Een jubileum kortom dat stemt tot nadenken, ook over de stand van de ooievaar en de rol van dit soort stations.

Hoe het begon, vertelt het paar aan tafel in de woonkeuken, met uitzicht op grote bonte spechten, eekhoorns en ‘Maarten’, de ooievaar die samen met zijn ‘Elsje’ al sinds 1984 vaste gast is op De Lokkerij.

Toen ze hier in 1978 kwamen wonen, wisten ze als Amsterdammers van niets. ‘Mussen en drijfsijsjes kenden we, verder niks’, zegt Frits. Zoals ze lid werden van de lokale zangvereniging, werden ze ook lid van de natuurbeschermingsvereniging. De ooievaar was zo goed als uitgestorven, onder meer door pesticidengebruik in de landbouw, toen de natuurbeschermingsvereniging op zoek was naar locaties voor een herintroductieprogramma dat Vogelbescherming Nederland in 1969 naar Zwitsers voorbeeld was gestart. Frits: ‘We hadden liever geiten gehad, maar ooievaars vonden we ook leuk. We dachten aan één nestpaal in de tuin. We hadden geen idee waar we aan begonnen.’

Het Reestdal (de Reest is een beek) bleek een ideaal broed- en leefgebied voor de ooievaar. Het halfopen landschap biedt afwisselende begroeiing met ruig en vochtig grasland. Een paradijs voor muizen, kikkers, regenwormen en grote insecten, en daarmee een wegrestaurant met de hele menukaart voor de ooievaar.

Ooievaarsstation De Lokkerij. Het Reestdal bleek een ideaal broed- en leefgebied voor de ooievaar. Beeld Els Zweerink
Ooievaarsstation De Lokkerij. Het Reestdal bleek een ideaal broed- en leefgebied voor de ooievaar.Beeld Els Zweerink

Twee broedparen kregen ze en tien eenjarige, gekortwiekte ooievaars. Els: ‘Een paar noemden we Diederik en Miesje. We hebben nog nooit zo’n goed stel gehad. Diederik was wel een felle. Hij kon gemeen naar je pikken. Nee, lieverdjes zijn ooievaars niet.’

Het waren vogels uit het fokstation Het Liesveld in Groot-Ammers, met ouders uit Oost-Europa. Frits: ‘Het jaar daarop mochten we één paar vrijlaten. Een ooievaar vloog zich te pletter tegen een zendmast van de politie. Toen zei Els: haal die zooi maar weg hier, dit gaat niet goed.’

Met toch doorgaan, vallen en opstaan leerden ze de kneepjes van het vak. ‘In 1987 hadden we al zeventien paar’, zegt Frits. Allemaal uit zichzelf bij het station komen aanvliegen, want ooievaars zijn groepsdieren die elkaar aantrekken en opzoeken. Er komt van alles mee: soms zwarte ooievaars, vorig jaar heeft er maandenlang een pelikaan op De Lokkerij gezeten.

Ooievaarsstation De Lokkerij.  Beeld Els Zweerink
Ooievaarsstation De Lokkerij.Beeld Els Zweerink

De stijgende lijn zette zich alleen maar voort en niet alleen in De Lokkerij. De herintroductie van de ooievaar was een succes, zij het geen onverdeeld genoegen: biologen, wetenschappers en sommige beschermers uitten kritiek. Aan de opgekweekte dieren zou niets ‘wild’ meer zijn. In plaats van tegen de winter naar Afrika te trekken, bleven verreweg de meeste ooievaars in Nederland, waar ze werden bijgevoederd en niets te klagen hadden.

De Vogelbescherming beschouwde het doel (‘Meer dan driehonderd vrij vliegende zelfstandige broedparen met de kenmerken van de wilde soort’) als bereikt en stopte na een paar jaar afbouwen in 2009 officieel met het herintroductieprogramma. Inmiddels zitten naar schatting tussen de 2.000 en 2.500 ooievaars in Nederland, waarvan volgens de laatste schattingen tussen de 1.125 en 1.225 broedparen. De continuering van de ooievaarsstations wordt nu overgelaten aan vrijwilligers, zoals Frits en Els Koopman.

Zij kijken tevreden terug op successen. De aanvankelijke kritiek is wat gesmoord: de ooievaar is langzaam weer trekvogel geworden. Althans: ‘Het percentage thuisblijvers daalde van 90 procent naar 40 tot 45 procent’, stelde onderzoeksorganisatie Sovon in 2016 vast. De ooievaar is dus langzaam weer aan het verwilderen, zo lijkt het.

Ooievaarsstation De Lokkerij.  Beeld Els Zweerink
Ooievaarsstation De Lokkerij.Beeld Els Zweerink

‘Elke keer als ik een terugmelding krijg uit het buitenland van een bij ons geringde ooievaar, voel ik weer trots’, zegt Frits. Afgelopen jaar kwamen meldingen onder meer uit Frankrijk en Duitsland. De verste kwamen uit het Spaanse Huelva, 1.971 kilometer van De Lokkerij vandaan.

Nee, dat is geen Afrika meer, zoals van oorsprong, beaamt Koopman. ‘Soms krijgen we een terugmelding uit Afrika, maar de meeste van onze vogels overwinteren in midden- en zuid-Spanje en zuidwest-Frankrijk. Daar schijnt genoeg te eten te zijn op onder andere vuilstortplaatsen, die veel insecten en ongedierte aantrekken.’

Dat ze niet zuidelijker gaan, heeft ook met klimaatverandering te maken, denkt Koopman. ‘Ooievaars bouwen ook hun nesten steeds noordelijker.’ Vandaar dat De Lokkerij twee jaar geleden een paar Zweedse ooievaars op bezoek had, die op trek waren naar het zuiden.

Frits en Els Koopman. Beeld Els Zweerink
Frits en Els Koopman.Beeld Els Zweerink

Als een jong De Lokkerij verlaat, duurt het vaak twee, drie jaar voor het weer terugkomt, áls dat al gebeurt. ‘Ze wachten tot ze geslachtsrijp zijn, anders is de trektocht verspilde energie’, zegt Frits. Hij noemt een van de huidige gasten: ooievaar ‘6E082’. ‘Die is drie jaar geleden hier geboren op een appelboom, en nu voor het eerst terug.’

De kernvraag: hebben ooievaarsstations als deze nog een rol en functie? In De Lokkerij weten ze het wel zeker. Ja, de waterkwaliteit is verbeterd, pesticiden als DDT zijn verboden, de ooievaar is geen bedreigde vogel meer. Hij is nog wel ‘een schaarse broedvogel’. En er zijn nieuwe bedreigingen, zegt Koopman: ‘Meer hoogspanningsmasten, windmolens, mestinjectie in landbouwgronden, bebouwing en grote velden met zonnepanelen waaronder de ooievaar geen voedsel kan vinden.’

Koopman: ‘De kunst is niet om ooievaars in de lucht te krijgen, maar om ze in de lucht te houden. Wij werken bijvoorbeeld met een bijvoederprogramma. Na slechte periodes als strenge winters of zeer droge zomers zijn ooievaars dan toch in staat nageslacht voort te brengen.’

Ooievaarsstation De Lokkerij.  Beeld Els Zweerink
Ooievaarsstation De Lokkerij.Beeld Els Zweerink

Bovendien, zegt hij: ‘In onze rol als asiel hebben wij in totaal nu zo’n zeshonderd gewonde of zieke vogels opgevangen. 12 procent daarvan heeft het niet gehaald, de rest is door ons gered. Dan kun je zeggen: laat natuurlijke sterfte maar gebeuren, er zijn al genoeg ooievaars. Maar wat is genoeg? Er zijn zo’n 14 duizend blauwe reigers in Nederland, en maar 2.500 ooievaars.’

Daarnaast is het echtpaar een bron van informatie voor anderen. ‘De telefoon gaat hier de hele dag. Asiels of particulieren, over ooievaars met problemen, of gedragingen die ze niet kunnen verklaren. Wij kunnen precies vertellen wat ze wel en niet moeten doen’, zeggen Els en Frits Koopman.

Natuurlijk: het einde dreigt. ‘Als wij overlijden, is het hier waarschijnlijk voorbij. Het is niet zo dat mensen hier staan te dringen om beheerder te worden. Ja, als ze een gouden salaris zouden krijgen, maar dat zit er niet in.’

Ooievaars in Nederland

In 1969 opende het eerste Nederlandse ‘ooievaarsdorp’ Het Liesveld, in Groot-Ammers. Vanaf 1979 verrezen twaalf buitenstations, waarvan De Lokkerij in De Schiphorst een van de oudste nog bestaande is, samen met Herwijnen en Eernewoude. Sinds 2008 overkoepelt de Stichting Ooievaars Research & Know-how (Stork) de belangen van de ooievaarspopulatie in Nederland. Dit voorjaar toont Beleefdelente.nl 24 uur per dag webcambeelden van een ooievaarsnest in Gennep.

Meer over