reportage

Met de insecten in Nederland gaat het slecht, toch? Dat hangt ervan af aan wie je het vraagt

Wereldwijd hebben insecten het moeilijk. Hoe zit dat in Nederland? Dat is nog niet zo makkelijk te zeggen. Met dronetellingen proberen biologen een beter beeld te krijgen van de insectenstand – ook op minder voor de hand liggende plekken.

Ronald Veldhuizen
In het Geuldal wordt aan de hand van dronebeelden een schatting gemaakt van het aantal insecten. Met een klikapparaatje en een vangnet tellen biologen de aantallen na. Beeld Sas Schilten
In het Geuldal wordt aan de hand van dronebeelden een schatting gemaakt van het aantal insecten. Met een klikapparaatje en een vangnet tellen biologen de aantallen na.Beeld Sas Schilten

Een luid gezoem stijgt op tussen de paardebloemen. Wie niet beter weet en even verderop staat, zou misschien denken een passerende hommel of een vlieg te horen, die dit weiland in het Zuid-Limburgse Geuldal ook veelvuldig bezoeken. Maar vandaag zijn de op afstand bestuurbare drones van Wageningen Universiteit hier de luidruchtigste vliegmachientjes. Het onderzoeksteam kijkt vanaf het melkveeperceel toe hoe het gevaarte wegvliegt en bochtjes maakt.

Met de dronebeelden doet het team iets nieuws: schatten hoeveel oppervlak de bloemen op het veld beslaan en daarmee de hoeveelheid bloembestuivende insecten die er leeft, zoals zweefvliegen en bijen. Dat kan ook met de hand, maar hopelijk is de drone-aanpak op den duur preciezer – en vooral sneller.

Even later steekt bioloog Reinier de Vries zijn hoofd in een vangnet vol bijen en vliegjes. Af en toe schiet er een rakelings langs zijn gezicht. ‘Zo kan ik ze beter zien. Er zit een soort zandbij in het net, maar ik weet niet welke.’ Om te controleren of de droneschattingen straks kloppen, doen hij en masterstudent Remco Ploeg met handwerk alles zo precies mogelijk over. Ze tellen met een klikapparaatje de bloemen en vangen met netjes de insecten. ‘De meeste wilde bijen steken niet, hoor’, zegt De Vries eerder die dag, als hij een wespbij tussen duim en wijsvinger vasthoudt. Van de 360 wildebijensoorten in Nederland zijn er grofweg 20 verdwenen en is bijna de helft bedreigd.

Onderzoekers bekijken een insect in het Geuldal.  Beeld Sas Schilten
Onderzoekers bekijken een insect in het Geuldal.Beeld Sas Schilten

Er is een speciale reden dat De Vries en Ploeg juist bij graslanden van boerderijen zoeken naar bijen, hommels en zweefvliegen: daar kijkt vrijwel nooit iemand. Insecten tellen gebeurt in Nederland vooral in aangename natuurgebieden, waar enthousiaste experts doorgaans ‘aaibare soorten zoals vlinders’ turven, zegt bijenhoogleraar David Kleijn, ook van Wageningen Universiteit, die ’s ochtends de ploeg bezoekt. ‘Van andere insectensoorten in andere gebieden hebben we eigenlijk geen idee.’

Zo’n gigantische blinde vlek maakt veel biologen een tikkeltje zenuwachtig. Klein grut, die insecten, maar bij elkaar wegen ze naar schatting zeventien keer zo veel als heel de mensheid op aarde. Daarnaast zijn de miljoenen soorten insecten op talloze manieren verstrengeld met álles wat er in de natuur gebeurt: niet alleen bestuiven ze bloemen en gewassen, maar ze eten ook plaagbeestjes van planten, zijn voedsel voor vogels en recyclen voedingsstoffen. Als dat maar goed blijft gaan.

De eerste signalen, vooral uit het buitenland, zijn niet gunstig. In onder meer de Verenigde Staten en Duitsland is de afgelopen decennia het aantal bijen, vlinders en zweefvliegen grofweg gehalveerd of meer, aldus een serie overzichtsstudies in het blad PNAS vorig jaar. Klimaatverandering maakt het sommige insectengroepen moeilijker, aldus een nieuw onderzoek in Nature. Waar sommige families zoals muggen juist oprukken met de warmte, zullen kwetsbare insectengroepen met speciale eet- en vochtbehoeften het moeilijker krijgen, omdat hun leefomgeving er sneller door verdwijnt.

Het meest alarmerende insectenonderzoek stamt uit 2017. Daarin zagen biologen dat in Duitse natuurgebieden vlak bij de Nederlandse grens het aantal vliegende insecten met 75 procent is afgenomen sinds 1989. De vraag is: treft dat lot ook de insecten in Nederland?

Met de dronebeelden kan het onderzoeksteam schatten hoeveel oppervlak de bloemen op het veld beslaan en daarmee de hoeveelheid bloembestuivende insecten die er leeft, zoals zweefvliegen en bijen.  Beeld Sas Schilten
Met de dronebeelden kan het onderzoeksteam schatten hoeveel oppervlak de bloemen op het veld beslaan en daarmee de hoeveelheid bloembestuivende insecten die er leeft, zoals zweefvliegen en bijen.Beeld Sas Schilten

Netje

Alle biologen die we spreken zijn het erover eens dat Nederland waarschijnlijk steeds minder landschap biedt waar insecten het naar hun zin hebben. Met versnipperde natuurgebieden, ingeklemd tussen landbouw en asfalt, zullen zeldzame en kwetsbare soorten het waarschijnlijk knap lastig hebben. De stikstofuitstoot en bestrijdingsmiddelen bereiken ook natuurgebieden, veranderen daar de samenstelling van wat er aan planten groeit en zullen dus ook hun weerslag op de insectenstand hebben.

Maar hoe dramatisch de situatie in Nederland precies is, hangt af van wie je het vraagt. Bijzonder optimistisch is niemand. ‘We zien echt een patroon van achteruitgang’, zegt onderzoeker Theo Zeegers van EIS Kenniscentrum Insecten. Hij maakt zich zorgen: als het mee zou vallen met de insectenstand, zou je geregeld een meevaller in de tellingen moeten vinden. ‘Tot nu toe zijn die er nauwelijks.’

Zeegers is in opdracht van Natuurmonumenten samen met universiteiten en vrijwilligers gaan zoeken naar langlopende en oude tellingen om insectentrends in Nederland te ontdekken, na het verontrustende nieuws uit Duitsland. Dat is – althans voor sommige groepen insecten en locaties – gelukt. ‘Langdurig tellen komt vaak op vrijwilligerswerk neer’, zegt Zeegers. ‘Je moet toevallig iemand hebben die al jaren heel precies bijhoudt wat-ie doet. Als je je netje twee keer door het water haalt, vang je twee keer zo veel insecten. Dat moet je dus opschrijven, anders valt niet te zeggen of er meer of minder beesten zitten.’

In een Veluws bos hebben zweefvliegen in elk geval ­behoorlijke klappen gekregen, bleek onlangs uit onderzoek naar een goed vastgelegde telling daar. In Nederland leven ruim driehonderd soorten zweefvliegen die van alles doen, van bladluizen opruimen tot bloemen bestuiven. Landschapsecoloog Aat Barendregt van de Universiteit Utrecht loopt al sinds 1982 hetzelfde rondje van 3 kilometer, maar ving in 2020 en 2021 bijna 80 procent minder zweefvliegen dan toen hij in 1982 begon, en nog maar de helft van de soorten. ‘In het boek Silent Spring wordt een beeld geschetst van stilgevallen natuur als we doorgaan met vervuilen’, zegt Barendregt. ‘Ik had niet gedacht dat verschijnsel zelf mee te maken. Maar ik vang nu bijna niks meer. Het is echt stiller geworden.’

En dan zijn er nog de motten, oftewel nachtvlinders. Vlak bij Tilburg ligt de Kaaistoep, sinds 1994 een natuurgebied, waar vrijwilligers onder leiding van Paul van Wielink in zomernachten met een wit doek en een felle lamp meer dan twintig jaar lang de fladderende insecten hebben verzameld. Inmiddels vangen de vrijwilligers zo’n 61 procent minder nachtvlinders en zijn er minder soorten te vinden, laat onderzoek van die telling zien. De nachtvlinders op de Kaaistoep gaan duidelijk achteruit.

Ook loopkevers op de Drentse heiden rond het plaatsje Wijster zijn nauwgezet bijgehouden sinds de jaren negentig. En jawel, ook die kukelen opvallend minder vaak in ingegraven potvalletjes, blijkt uit dezelfde studie: na een korte piek zijn de aantallen kevers en soorten teruggelopen, elk jaar met een paar procent.

null Beeld Sas Schilten
Beeld Sas Schilten

Mozaïek

Maar wil dat nou zeggen dat de Nederlandse insectenpopulaties instorten? Ho even, zegt bioloog Roel van Klink van het Duitse biodiversiteitsinstituut iDiv in Leipzig, die aan het loopkever- en mottenonderzoek meewerkte en geregeld insectentellingen doorrekent. ‘Dat het aantal insecten afneemt als je een woonwijk aanlegt waar eerst natuur lag, is natuurlijk logisch’, zegt hij. ‘Maar alle Nederlandse tellingen gaan over natuurgebieden en wat daar gebeurt, ligt altijd complexer dan we denken.’

Een probleem is volgens Van Klink dat vooral nieuwe en relatief onbeheerde natuurgebieden snel veranderen, wat onvoorspelbare gevolgen heeft voor de insectenpopulaties. Sommige insectengroepen zullen toenemen en andere afnemen, en zonder ze allemaal te tellen en precieze metingen aan de natuur zelf te doen, is het onduidelijk wat er aan de hand is. Als bijvoorbeeld graslanden boomrijker worden, kunnen typische grasinsecten achteruitgaan, terwijl bosminnende soorten toenemen. Dat het totaalplaatje zo’n grillige optelsom is van insectengroepen, zag Van Klink zich aftekenen in een internationale overzichtsstudie die hij in 2020 in Science publiceerde. ‘Er gebeuren allerlei dingen tegelijk. Ik maak me ook zorgen, maar over de complexiteit hoor je erg weinig, vind ik.’

Als een stuk landschap veel langer min of meer hetzelfde is gebleven, zou dat insectentellingen al waardevoller maken. De zweefvliegenstudie in het Veluwse bos is daar een voorbeeld van, maar Van Klink denkt dat het Mantingerbos in Drenthe nog meer in de buurt komt. Daar groef onderzoeker Piet den Boer al in 1959 grote blikken in de grond om loopkevers te vangen. De vrijwilligers van Stichting WBBS doen dat nu, zestig jaar later, op dezelfde manier in hetzelfde bos, en de resultaten zijn net binnen. Daar was, zo rekende Van Klink uit, geen enkele afname te zien: er worden ongeveer evenveel kevers en keversoorten per jaar gevangen als vroeger.

‘Het gebied eromheen is wel ontgonnen en afgewaterd, dus we zien dat de keversoorten die van heide of vocht houden verdwijnen, maar daar komen andere soorten voor terug’, zegt Van Klink. Het is maar een klein bos, benadrukt hij, maar het laat volgens hem wel zien dat insectenafnamen niet overal even alarmerend zijn, mits wetenschappers beter begrijpen wat er in een bepaald gebied aan de hand is.

Junkfood

Op de plek waar de drone de landing inzet, stuwen de vier propellers van het apparaat het weilandgras plat, dat wild wuivend lijkt tegen te stribbelen totdat de machine wordt uitgeschakeld. ‘Wij rijden vast vooruit naar het volgende perceel’, zegt bioloog Reinier de Vries, terwijl hij potjes met gevangen bijen in de auto laadt.

De eerste veldmetingen vandaag deed de groep bij een grasland van een biologische boer met redelijk wat bloei (‘Op deze strook van 150 bij 1 meter telde Remco 6.500 paardebloemen’, zegt De Vries). De volgende metingen vinden plaats bij een reguliere melkboer en op een veldje waar de natuur min of meer haar gang kan gaan. Op dat relatief natuurlijke veldje, blijkt later, staan nog nauwelijks bloemen waar de bijen iets aan hebben. Zonder mest komt de bloei er namelijk later op gang.

Onderzoekers bekijken de beelden die de drone verzamelt in het Geuldal.  Beeld Sas Schilten
Onderzoekers bekijken de beelden die de drone verzamelt in het Geuldal.Beeld Sas Schilten

Dit soort uiteenlopende landschappen zijn precies van die ontbrekende puzzelstukjes in het grote insectenvraagstuk. Niet voor niets doen De Vries en hoogleraar David Kleijn dit onderzoek in Zuid-Limburg. Naast melkveegrasland – typisch Nederlands – liggen in de buurt ook relatief veel stukjes gras waar minder wordt gemaaid en enkele Natura-2000-gebieden waar op de hellingen al snel unieke kalkgrond tevoorschijn komt. Daar kunnen wilde insecten zoals de grijze zandbij in de grond nestjes bouwen. De nabijheid van die gebieden maakt vergelijkingen binnen dezelfde regio makkelijker en gaat hopelijk aanwijzingen opleveren voor wat landbouw voor de bestuivende insecten betekent.

De oorzaken van waarom insecten het in Nederland moeilijk lijken te hebben, zijn talrijk. Landbouw komt in bijna elk rapport en onderzoek naar boven als boosdoener. Maar pas op voor te grote versimpelingen, vindt bijenonderzoeker David Kleijn. ‘Natuurlijk heeft landbouw invloed op de insectenstand’, zegt hij. ‘Veel van de bestrijdingsmiddelen zijn gemaakt om insecten te doden. Maar sinds de jaren vijftig zijn sommige wildebijensoorten al moeilijker te vinden, dus de achteruitgang begon al voordat er massaal met landbouwgif werd gespoten. Er is meer aan de hand.’

Bijvoorbeeld klimaatverandering, of landbeheer. Dat laatste is, denkt Kleijn, voor bestuivende insecten minstens zo bepalend geweest. ‘Bestuivers hebben bloemen nodig. Wat je nu ziet, is dat gemeenten en provincies grasstroken langs bermen en dergelijke in de eerste voorjaarsmaanden laten bloeien en dan in mei plots wegmaaien. Zo’n wilde bij komt niet verder dan 500 meter van zijn nest en ineens is al z’n voedsel weg. Dat is niet goed.’

- Beeld -
-Beeld -

Toch blijven bestrijdingsmiddelen een probleem, waarschuwt Theo Zeegers van Kenniscentrum Insecten. ‘Ze vloeien af uit de landbouwgrond, zo de natuur in. Dat kun je gewoon meten.’ De giffen stapelen zich op in insecten, bleek afgelopen jaar uit Duits onderzoek in Scientific Reports. Sommige insecten dragen tientallen soorten gif bij zich. Ook mogen boeren in sommige situaties nog steeds zogeheten systemische middelen gebruiken: die zitten op gewaszaden en komen vervolgens in elk blaadje en elke stengel van een plant, wat het moeilijk maakt voor insecten om ze te vermijden.

En dan is er nog stikstof. Uitgestoten door industrie en veehouderijen bedekt stikstof Nederland als een deken, luidt het cliché. Maar dat cliché klopt wel, zegt ook bioloog Roel van Klink. ‘We weten nog niet precies wat de effecten van stikstof op insecten zijn, maar invloed heeft het zeker.’ Een mogelijkheid, denkt hij, is dat planten die veel stikstof opnemen relatief weinig andere voedingsstoffen bevatten. De insectenlarven die van de blaadjes moeten leven, krijgen dan ook te weinig van deze voedingsstoffen binnen, zelfs al eten ze veel. Overdreven gesteld: de planten veranderen in junkfood voor insecten.

Nieuw beleid

Wat te doen? Wachten op betere insectencijfers voordat er actie wordt ondernomen is geen optie, vindt hoogleraar entomologie Marcel Dicke van Wageningen Universiteit. Dat kan tien of twintig jaar duren. ‘Het beleid moet anders’, zegt Dicke. ‘Niet morgen pas en ook niet vandaag, maar gisteren al.’ Zeegers sluit zich daarbij aan: ‘De stikstofkraan en de bestrijdingsmiddelenkraan staan wagenwijd open. En wij maar dweilen.’

Er zijn wel lichtpuntjes. Zo lijken de Nederlandse zoetwaterinsecten zich alweer te herstellen, blijkt uit een recent rapport van het waterschappenkenniscentrum Stowa. Vooral zeldzame insectensoorten, zoals kokerjuffertjes, libellen en waterkevers zijn erop vooruitgegaan. De verklaring ligt voor de hand: hoewel de Nederlandse waterkwaliteit nog steeds achterloopt vergeleken bij andere EU-landen, stond in de jaren zeventig nog het schuim op de Nederlandse sloten omdat er afvalwater in werd gedumpt. Nu is het water iets schoner en een stuk helderder. Fijn voor libellenlarven die op zicht jagen. Muggenlarven, die baat hebben bij troebel water, zijn achteruitgegaan.

‘Het laat zien dat natuurbeleid zin heeft’, zegt populatie-ecoloog Eelke Jongejans van de Radboud Universiteit, die samen met zijn collega Caspar Hallmann aan het rapport heeft gewerkt. In dat opzicht is het ook positief dat een groot deel van de zogeheten neonicotinoïden, een speciale klasse insectengiffen, verboden is. Uit recent Leids onderzoek blijkt namelijk dat Nederlandse waterinsecten ook daar last van hebben.

Cruciaal om te bepalen of natuurbeleid succesvol is, vindt Zeegers, is dat er geld komt om serieus bij te houden hoe het met insecten gaat. ‘Met alle respect: iedereen doet zijn best, maar het blijft vaak houtje-touwtjewerk.’

Er komen wel enkele langdurige telprogramma’s bij. EIS Kenniscentrum Insecten blijft nieuwe vrijwilligers trainen, al zijn het er nog maar half zo veel als twintig jaar geleden. Machines gaan ook helpen tellen. Zo is er biodiversiteitsproject Arise, gefinancierd door de overheid. Onderzoekers plaatsen onder meer zo’n 160 zogeheten Diopsis-camera’s in natuurgebieden en weilanden, die elke 30 seconden vastleggen wat er aan insecten langsvliegt. Dat loopt minstens tien jaar. ‘Daarmee vinden we ook de minder aaibare soorten’, zegt Chantal Huijbers, die het project leidt. Een computer gaat de insecten op families indelen en het gewicht inschatten – iets dat met puur mensenwerk niet had gekund.

Terwijl de drone zijn laatste baantjes over het paardebloemenveld trekt, schijnt de middagzon aangenaam laag tussen de heuvels van het Geuldal door. Kleijn werkt hier aan een tweede project, waarbij de provincie en gemeente beloven om niet overal tegelijk de bermen te maaien, zodat wilde bijen en hommels altijd bloemen hebben om te bezoeken. Op de resultaten van dat onderzoek wacht hij nog, maar hij is hoopvol: vorig jaar keerde de boshommel in het gebied terug, een zeldzame soort die uitgestorven leek. Deze profiteert waarschijnlijk wél van de toegenomen warmte, zegt Kleijn. ‘Nu is het de kunst om haar hier te houden.’

Meer over