ColumnIonica Smeets

Mentaal was ik afscheid aan het nemen van mijn moeder. Maar toen ging het ineens minder slecht

null Beeld

Precies een jaar geleden hoorden we dat de rug van mijn moeder vol met tumoren zat. Ze kwam met tergende rugpijn en een vermoeden van een beklemde zenuw bij een rugpoli en ging naar huis als een terminaal zieke patiënt. Dat weekend in juni zat ik verslagen op de bank bij haar en mijn stiefvader. Ze bleek centimeters gekrompen in de paar maanden dat ik haar niet gezien had (we waren zo voorzichtig geweest met corona) en ze was hartverscheurend broos. Haar diagnose was nog niet definitief, maar we hadden weinig hoop.

De weken daarna volgde een reeks ziekenhuisbezoeken die bevestigde dat het uitgezaaide borstkanker was en dat genezen niet meer kon. Tijdrekken met chemo- of hormoontherapie was nog wel een optie, maar mijn moeder was resoluut en wilde geen zware behandelingen om iets langer te leven. Gelukkig trof ze een oncoloog die dat snapte en zei: ‘Dan vertel ik u alleen over wat er mogelijk is om de pijn te bestrijden en ga ik zorgen dat u een goed palliatief team om u heen krijgt.’

Een palliatief team, dat klonk alsof het einde snel naderde. Mijn moeder ging ook hard achteruit. Al snel kon ze geen trappen meer lopen en moest ze beneden slapen. In juli liep ze met me mee naar het einde van de straat en dat was de laatste keer dat ze nog zo’n stukje zelf kon lopen. In augustus besloot ze om zich toch te laten bestralen tegen de pijn. Dat hakte erin en ze ging nog verder achteruit.

We praatten die zomer over alles wat ze nog had willen doen en regelden alles zo snel mogelijk. Jan Rot gaf een privéconcert in haar woonkamer, met de stichting Ambulance Wens ging ze nog één keer naar zee, familie en oude vrienden zochten haar op. We bekeken samen haar oude fotoboeken, haalden mooie herinneringen op, praatten over de dood en planden haar uitvaart.

Mentaal was ik afscheid aan het nemen van mijn moeder. Maar toen ging het ineens minder slecht. Mijn moeder kon in oktober weer wat beter lopen. Een maand later liep ze zomaar de trap op om een vestje voor me te halen. We vierden nog een Kerst samen. In maart gingen we samen wandelen en duwde mijn moeder eventjes haar eigen rolstoel waar mijn zoon in zat. Nu is het weer juni en zat mijn moeder in onze tuin, waarvan ze had gedacht dat ze hem nooit meer zou zien.

Soms voel ik me schuldig als vrienden vertellen over ouders die wel een loodzware chemokuur kozen en desondanks snel overleden. Mijn moeder krijgt zonder zo’n levensrekkende behandeling toch zomaar een heleboel extra tijd.

Het is geweldig en soms moeilijk. Hoe ga je enigszins terug naar je dagelijks leven als je eerst je hele agenda had leeggeveegd om bij elkaar te zijn? Hoe praat je over kleine dingen nadat je van die diepe, betekenisvolle gesprekken over de dood hebt gehad? Hoelang kan iedereen in haar omgeving zo lief en betrokken blijven? En vooral: hoeveel dagen krijgt ze nog?

Als wetenschapper zou ik dat laatste het liefst heel precies weten, maar als dochter ben ik blij dat ik geen idee heb en de dagen kan nemen zoals ze komen.

Meer over