Mensen zoals ze niet gezien willen worden

HET IS EEN oeroud probleem van het korte verhaal. In de beste traditie van de short story wordt met minimale middelen een groots effect bereikt....

Maar de lezer die veel van zulke verhalen heeft gelezen, of heeft gezien in films, is moeilijk te verrassen. De codes van de ficties zijn tot zijn alledaagse bagage gaan behoren. Vakkundig voorgeprogrammeerd, ziet hij overal zulke pasklare 'verhalen' om zich heen: kleine drama's, wrange ongerijmdheden. Gefundenes Fressen, misschien nog net leuk voor een reclamefilmpje van een halve minuut.

Maar literatuur mag geen invuloefening zijn, zij moet de alwetende lezer zijn potloodje uit handen slaan. Subtielere prikkels zijn vereist: de 'onverwachte' gebeurtenis blijft uit of komt uit onvermoede richting, de spanning blijkt bedrieglijk, de hoofdpersoon ageert ongehoorzaam tegen het lot, of zelfs dat gebeurt allemaal niet. Ook het afstraffen van de verwachtingen van de lezer mag niet voorspelbaar zijn. Het is een lastig, maar nog lang niet uitgeput genre.

Anna Enquist koos voor enkele van haar tien verhalen in haar nieuwe bundel De kwetsuur een gegeven dat volmaakt lijkt toegesneden op het korte verhaal. Eén keer 'vond' ze het echt, een 'authentiek verhaal der wonderbare redding van Klaas Klaassen Bording en zijn beide zonen', gedrukt te Zwolle in 1849. Zij gebruikte het als bron voor 'De oversteek', maar maakt de ware gebeurtenis flink wat dramatischer: slechts één van de Noord-Hollandse vissers overleeft de barre tocht over de Zuiderzee, als ze bij het 'bot kloppen' op het ijs zijn losgeraakt van de wal, en op een ijsschots in twee weken richting Vollenhove drijven. De overlevende, Jacob, is de zoon die niet van vissen houdt, maar van boeken. En van Katrien.

Het verhaal is met toewijding ingevuld. De personages zijn knoestig negentiende-eeuws. Broer Klaas heeft 'stevige kuiten', 'enorme dijen', 'hij kan niet lezen en hij stinkt naar vis'; de vader is nors en zwijgzaam; de moeder wrijft haar bezige handen in met vet. Er is een authentieke wasketel, een bedstee, een 'beurs bol van munten'. Trouwhartig denkt Jacob: 'Mijn broer is twintig', want híj weet dat wel, maar zijn lezers van anderhalve eeuw later niet, vandaar. Daarom schrijft hij ook: 'Het is zaterdag 13 januari. Van het jaar 1849.' Er zijn machtige elementen, de zee geeft vis met gulle hand, en de zee neemt naar behoren. Maar het verhaal wil maar niet boeien. Geen moment waan je je Jacob op zijn drijvende schots, met naast zich het lijk van de vader, kluivend aan het allerlaatste visje, een onbereikbare haven aan de einder, een onbereikbare Katrien. Geen verbeelding tilt dit Hollands drama uit z'n pittoreske zompigheid. Het is een aflevering in de serie 'vissersverhalen' op het kinderuurtje.

In andere verhalen kiest Enquist voor klassiek puberleed. De 14-jarige Hanna in 'Honger' droomt van mooie Jaak, de snackbarman: 'Hoe eenzaam is het achter de frituurbak.' Op zondag is hij de held op het voetbalveld en Hanna gaat kijken. 'Rammen, Jaak, rammen. Hij moet erin!', schreeuwt de trainer. Jaak scoort, maar het is niet genoeg. Na de wedstrijd volgt hij het advies nog eens op in de kleedkamer, met een verbijsterde Hanna onder zich. 'Je vroeg er toch om?' Zo ging het en zo zal het altijd gaan.

Dit verhaal wordt echter gered, doordat het niet gaat om de voorspelbare gebeurtenis, maar om Hanna's ontgoocheling. Ook dat is vaker verteld, maar Enquist zet het moment dat het meisje, in een naar schimmel en zweetsokken riekend hok, de hand met de vuile nagels in zich voelt graaien, ineens koel en hardhandig neer. Medelijden is niet vereist. En daarom is ze ineens iemand, deze Hanna. Ze trekt haar kleren recht, zet haar brakende vriendin Dee af en gaat naar huis. 'Nooit meer honger, denkt Hanna', en je gelooft haar.

Enquist is op haar best als de 'plot' van een verhaal er niet toe doet omdat alle aandacht uitgaat naar de verwarring van haar personages. Mensen die zijn gebutst, die graag fluitend meedoen met de anderen, maar daar niet op gebouwd zijn. Zij gunt hun in deze verhalen kleine momenten van triomf, en van die opflakkeringen moet dit onhandig vormgegeven proza het hebben. 'De kwetsuur', een verhaal over een moeder en haar 18-jarige zoon die zijn been breekt bij een voetbalwedstrijd, is een naar jongenslief en -leed geurende bijdrage aan Hard Gras.

'Enorme, vierkante mannen stormen briesend op de tengere tieners af en ontfutselen hun keer op keer met een korte kreet de bal.' Herkenbaar en verwarmend in de tien minuten voor het slapen gaan. Toch is het niet meer dan een dun verhaaltje over de belazerde medische consument, over chirurgen die staan te trappelen om met zaag, pennen en bouten aan de slag te gaan en de moeder die daarbij siddert.

Mooi wordt dit verhaal als de hardnekkige weigering van de moeder om te laten 'snijden in gezond vlees' - háár vlees, want haar kind - een beetje pathologisch wordt. Ze laat de jongen tegen beter weten in met een 'tijdbom' in zijn been rondlopen. En ze krijgt gelijk, niet omdat ze het heeft, maar omdat ze het gelooft: het bot groeit weer recht. De magisch denkende doordrammer wint.

Op dezelfde manier laat Enquist een personage gloriëren in 'Ontkoppeld koken'. Een administrateur wil per se bewijzen dat een experiment in de keuken van een psychiatrisch ziekenhuis tot enorme verspilling leidt. Intussen gaat thuis van alles mis; zijn vrouw zinkt weg in een depressie, hij verliest de greep op zijn kinderen. Als hij naar de inrichting wordt geroepen omdat zijn vrouw een zelfmoordpoging heeft gedaan, schiet hij de psychiater, zijn baas, nog even aan: 'Nu we elkaar toch spreken, zeg ik, kan ik je vertellen dat het geheim van het ontkoppeld koken is opgelost. Ik heb een ernstige fout in de informatieverwerking opgespoord.'

De psychiater is verbijsterd: een vrouw ligt in coma, maar haar echtgenoot staat voor zijn neus te bazelen over het werk. Een gek, maar een gek die zichzelf op de been houdt. Jammer dat er een langdradige, uitleggerige aanloop nodig was om hem even te laten schitteren.

In 'Een haven', een verhaal waarvoor Enquist het procédé 'patiënt praat tegen therapeut' onnodig uit de kast haalt, is er ook één zo'n verfrissend schaamteloos moment. De patiënt, zoon van de ontsporende vader uit 'Ontkoppeld koken' gaat met zijn opleider uit het ziekenhuis (de orthopeed uit het voetbalverhaal) een dagje zeilen. De man krijgt een hartaanval. Vier jonge mensen uit een andere boot schieten te hulp; een meisje probeert met mond-op-mondbeademing het hart aan de praat te krijgen.

Net op dat ongelegen moment wordt hij verliefd op haar: 'Mijn gedachten gingen uit naar het naakte lijf van Hanna (. . .) Naar haar mond, vlak voor ze haar adem in Dick ging blazen. Naar haar hand om zijn kin en hals. Ik zon op manieren om haar later weer te ontmoeten, ik zag haar zonder kleren rondscharrelen in mijn keuken, liggen in mijn bed. Dat dacht ik terwijl ik bij mijn gestorven opleider zat.'

Mensen tonen zoals ze niet gezien willen worden, als ze irrationeel, instinctief of dwangmatig handelen om hun huid te redden, dat is het grootste talent van Anna Enquist. En dat maakt het ook begrijpelijk dat haar werk zo gretig verslonden wordt: iedereen is wel eens zo iemand. Andermans gêne is een verademing. Maar het is iets anders dan schrijftalent. Geen verbeelding, maar inlevingsvermogen, geen stilistische brille, maar een scherp luisterend oor, geen suggestiviteit, maar de ruiterlijke bereidheid om in iedere zwakte de kracht te zien.

Meer over