Meer vrouwen laten tweede borst weghalen

KANKER Het aantal vrouwen dat bij borstkanker in één borst ook de tweede borst uit voorzorg laat verwijderen, is in de VS in zes jaar verdubbeld....

Gosschalk, zelf net 40 geworden, stelde zichzelf direct de vraag: ‘Welk effect heeft deze dood op mij? Moet ik mezelf zorgen maken? Toen ik ’s avonds in bed tegen mijn vriend aankroop, dacht ik verontrust: hij zou niet meer wakker kunnen worden. Gelukkig doet je lichaam aan zelfbescherming. Het duwde de paniek weg.’

Hij leerde Ragas kennen in 1993, toen de acteur auditie kwam doen voor een rol in een tv-serie. Gosschalk werkte toen nog bij het castingbureau van Harry Klooster. Er ontstond een hechte vriendschap. ‘We lachten veel, corrigeerden elkaar, spraken vaak over ouders en familie en zijn passie voor literatuur. Puur privé was die vriendschap, het werk speelde ons nooit parten.’

In de film Alles is liefde, die maandag 8 oktober in première gaat, speelt Ragas geen rol.

‘Hij is wel ter sprake gekomen. Maar iemand anders leek geschikter.’

Toch zijn acteurs vast gebaat bij een innig contact met jou. Er wordt jou, als voorman van het grootste castingbureau van Nederland, veel macht toegedicht.

‘Die macht bestaat uit de kennis van en de relaties met acteurs, regisseurs en producenten. Als je die invloed wilt behouden, zul je werk en privé moeten scheiden. Ik kan me niet verweren tegen verdachtmakingen. Zolang ik mezelf maar in de spiegel kan blijven aankijken. Wat niet wil zeggen dat ik af en toe niet gefrustreerd was door kritiek die ik kreeg. Ik kies niet alleen vrienden – ik kan je zo een aantal door mij gecaste acteurs noemen die ik privé niet zie zitten.’

Wat is de essentie van casten?

‘Voor mij: uiteenlopende werelden en acteurs bij elkaar brengen die samen weer een nieuwe wereld vormen. De gave is niet dat je een goede acteur herkent, of dat je iemand ontdekt. De gave is dat je een familie creëert. Daarna is het aan de regisseur of de chemie tussen de acteurs verzilverd wordt.’

Gosschalk zit in zijn kantoor. Medewerkers brengen bagels en sigaretten. Kemna Casting, dat hij begin 2000 overnam van naamgever Hans Kemna, heeft inmiddels 17 mensen in dienst. Naar schatting wordt 80 procent van alle relevante toneel-, tv- en fi lmproducties door het bureau gecast: voorstellingen van het Nationale Toneel, tv-series als All Stars, Circus Waltz, Gooische Vrouwen en ’t Schaep met de 5 Pooten, films als Phileine zegt sorry, Minoes en Zwartboek.

Gosschalk heeft de naam commerciëler te casten dan zijn voorganger Kemna en wil ook grenzen verleggen. Zo bracht hij voor een aflevering van Baantjer indertijd soap- en toneelacteurs samen. ‘Niks tegen hokjes, maar mensen hebben meer dan één kant.’ Zijn gsm gaat. Hij mijdt vanmiddag telefoontjes, maar dit gesprek wil hij beantwoorden. Het is Bastiaan, de broer van Roef Ragas. Een grapje wordt, ondanks alles, niet geschuwd. Als Gosschalk het gesprek heeft beëindigd: ‘Ik geloof niet in het hiernamaals, maar iemand die doodgaat, is niet weg – die verinnerlijkt. Dat wil niet zeggen dat het geen pijn doet. Zelfs praten met goede vrienden neemt dat niet weg. Ik heb nogal de neiging om alles te analyseren en onder controle te houden, en dat is niet altijd goed.’

Zegt de man die als geen ander aan touwtjes trekt.

‘Dat ik dat vrijwel dagelijks doe, wil nog niet zeggen dat ik het ook altijd wil. Ik heb geregeld verlangd naar iemand die me resoluut bij de arm neemt en tegen me zegt: ‘Nu gaan we even iets anders doen.’’

Het scenario van Alles is liefde werd geschreven door Kim van Kooten. Het is een romantische, soms ook hilarische komedie, geregisseerd door Joram Lürsen, met in hoofd- en bijrollen veel sterren: Daan Schuurmans, Wendy van Dijk, Paul de Leeuw, Marc-Marie Huijbregts, Carice van Houten. De fi lm is gebaseerd op soms nogal autobiografi sche verhalen van Gosschalk. ‘Alles is liefde gaat onder meer over beeldvorming, over hoe je almaar aan de veronderstelde verwachting van de ander wilt voldoen, en hoe je ernaast kunt zitten, zodat relaties dreigen te mislukken.’

De film was jouw idee. Heb je zelf niet geprobeerd het scenario te schrijven?

‘Aanvankelijk zouden Kim en ik het samen doen. Maar het vlotte niet, ik draaide steeds om de hete brij heen, terwijl zij al hele verhaallijnen klaar had. Ik was aanvankelijk niet zo groots dat ik vooral dacht aan het enige echte belang: dat het eindproduct zo goed mogelijk moest worden. Ik kon er niet tegen dat het mij niet lukte. Ik vond het moeilijk dat Kim het beter kon dan ik en zette m’n hakken in het zand. Pas toen Kim zei dat het script haar de vriendschap niet waard was, was de kou uit de lucht en het pleit beslecht: ze ging er alleen mee verder.’

Jaloers geweest?

‘Toch wel even. Maar zo erg is dat niet – zolang je het maar onder ogen ziet en het accepteert van jezelf. Een groot deel van het leven wordt toch al gedomineerd door de angst dat je erachter komt dat je anders bent dan je wilt zijn.’

Aanvankelijk wilde je ook acteur worden. Maar na een jaar moest je van de toneelschool af.

‘Dat verhaal is onderhand vaak genoeg verteld. Een tijd lang heb ik volgehouden dat ik, bij gebrek aan beter, toen maar casting ben gaan doen, om zo alsnog in de buurt van de schijnwerpers te verkeren.’

Je bent vaak geportretteerd als de roddelkoning die venijn niet schuwt, die ferme meningen heeft, bij wie mooie jongens een streepje voor hebben.

‘Wat ík geregeld heb gemerkt: dat journalisten zogenaamd een vraag stellen, maar dat het een als vraag verpakte veronderstelling is die bij voorkeur bevestigd dient te worden.’

Ik heb de indruk dat je in interviews geregeld met je valsheid gekoketteerd hebt.

‘Paul de Leeuw zei ooit in een interview: ‘Ik deug.’ Toen ik dat las, dacht ik: gadverdamme, zó ijdel. Maar intussen raakte het me wel, omdat ik hem daarmee op een bepaalde manier ook kwetsbaar vond. Ik heb het jarenlang eenvoudiger gevonden te zeggen dat ik níét deug – dan kun je vervolgens alleen maar meevallen.’

Je hebt ook gezegd dat je jarenlang een oppervlakkig, op de buitenkant gericht leven hebt geleid.

‘Als in een tredmolen, als een paard dat aan een stok vastzit en almaar rondjes loopt – geen ontsnapping mogelijk.’

Waardoor is dat veranderd?

‘Bepalend was het moment waarop Pim (zijn vriend, adjunct-directeur televisie bij BNN, CM) en ik samen naar een documentaire over mij van Fons de Poel zaten te kijken. De hele buitenkant, waar casting erg over gaat, kreeg vanaf toen een andere kleur en invulling. Pim, die toch al paal en perk had gesteld aan de hoeveelheid werk en mensen om mij heen, zei opeens hardop tegen de tv: ‘Zeg ’ns iets grappigs!’ Hij miste in mijn aanwezigheid elke vorm van relativering. Ik was furieus, op dit soort feedback zat ik niet te wachten, maar ik realiseerde me ineens dat hij gelijk had: ik nam het allemaal veel te serieus, en dat was het maar ten dele waard. Casting was steeds mijn leven geweest, misschien werd het nu tijd dat het mijn werk werd.’

Sindsdien: nauwelijks nog premières en rode lopers?

‘Naarmate je je meer richt op jezelf en minder bang bent om niet gezien en gekend te worden, heb je minder dingen van buiten nodig. Dat je je gekend weet, heeft bovendien niks met bekend te maken, weet ik nu. Het betekent iets anders: dat iemand van je houdt, en dat is op vertrouwen gebaseerd, daar is die hele buitenkant niet bij nodig. Als iemand me vroeger zei dat hij ondanks alles van me hield, draaide mijn maag zich om; nu beschouw ik het als een groot goed.’

Gosschalk, nakomertje in een gezin met vier dochters, verloor dit jaar zijn oudere zussen Esther en Eva, beiden aan longkanker. ‘Tijdens de begrafenis van Esther, in februari, was er nog ruimte voor een vrolijke anekdote; Esther had ook nogal van het leven genoten. De begrafenis van Eva, in mei, was kleiner en confronterender – er was geen muziek, er waren maar twee toespraken, het schuurde méér; deze klap kwam na de dood van Esther te snel. Wat ik lang niet meer hoop te zijn: de brenger van slecht nieuws. In beide gevallen heb ik het mijn moeder – mijn vader is zeven jaar geleden overleden – moeten vertellen: dat de diagnose onverbiddelijk was, dat Esther en Eva het niet zouden halen.’

Hoe overleeft een moeder de dood van twee dochters?

‘We hebben vaak aan een half woord genoeg, we kennen elkaar heel goed. Maar ik vraag haar niet expliciet hoe ze het redt. Misschien wil ik het antwoord ook wel niet horen, stel je voor dat ze zegt dat ze het níét redt. Als ik haar vraag hoe het met haar gaat, zegt ze meestal: ‘Goed.’ Dan valt er een korte stilte en dan zegt ze: ‘Maar gisteren wat minder.’ En dan wijs ik haar erop dat ze gisteren juist had gezegd dat het haar toen goed ging.

‘We kunnen elkaar, denk ik, maar ten dele met ons verdriet belasten. En misschien heb ik het ook wel van haar geërfd – dat ik het moeilijk vind om de hulp van een ander in te roepen.’ Zijn moeder en vader, beiden joods, leerden elkaar kennen tijdens de oorlog. Moeder zat ondergedoken in Rotterdam, vader was gevlucht naar België. Inmiddels heeft hij veel verhalen over die jaren gehoord, al heeft zijn inmiddels 80-jarige moeder hem ook details onthouden, vermoedt hij. Gosschalk overweegt de herinneringen aan die tijd op schrift vast te leggen, als document voor de familie.

‘Mijn moeder vertelt erover alsof het behalve een heftige ook een spannende periode was, terwijl ik door de verhalen juist geëmotioneerd raak. Waarmee ik niet zeg dat ze wegloopt voor haar gevoel. Ze is vitaal en ondernemend en houdt, meer dan ik, de blik op de toekomst gericht. Misschien doet ze dat onbewust als overlevingsstrategie – als je tijdens de oorlog aan morgen dacht was er vandaag geen angst opgepakt te worden. Als je nu denkt dat je morgen met je zoon Job naar Maastricht gaat, hoef je vandaag geen verdriet te hebben om je twee overleden dochters.’

Hebben je zussen nog iets van de film gezien?

‘Ik durfde dat niet aan. Als iemand dood gaat, gebeurt er iets merkwaardigs met je besef van tijd. Esther lag, anders dan Eva, lang in het ziekenhuis. Ik heb haar daar vaak opgezocht, de uren vergleden. Op een gegeven moment is alles zo ongeveer besproken en kijk je samen tv, temeer daar Esther niet over de dood wilde praten. Ik heb haar nog wel voorgesteld om naar een ruwe versie van Alles is liefde te kijken, en ze reageerde enthousiast, maar toch kwam het er niet van. Ik heb gemerkt: als mensen zo ziek zijn, zijn ze nog wel helder, maar ze zijn er soms toch niet meer helemaal bij. Ze praten met je, maar hun gedachten zijn elders.’

Hij bezocht onlangs samen met Pim het graf van zijn zus Esther. Hij zette zijn keppeltje op, stuurde zijn vriend weg, bang als hij was dat hij een potsierlijke indruk zou maken, en sprak de kaddisj uit, het gebed voor een overledene.

‘En juist omdat we weer even samen waren, merkte ik hoe eenzaam ik daarvoor was geweest. Alle verhalen daarover ten spijt: verdriet valt amper te delen, heb ik gemerkt.

‘Raar is dat toch, dat zoiets gemeenschappelijks als de dood zo’n gevoel van eenzaamheid kan creëren. Voor een aantal mensen komt door de dood van een dierbare het leven nooit meer goed. Ik vind het moeilijk om met verdriet om te gaan: wanneer speel je vals? Hoe oprecht is het dat je zichtbaar verdrietig bent? Hoe erg is het dat je er geen traan uit kunt persen? Je zou op verdriet moeten kunnen vertrouwen, dat het vanzelf komt, dat het je op een onbewaakt ogenblik overmant.’

Hij vertelt hoe hij, kort na de begrafenis van Eva, in Amsterdam-Zuid door de chauffeur van een zwarte auto getreiterd werd. ‘Steeds werd ik, gezeten op mijn brommer, bijna gesneden, tot hij me, bij de allerlaatste bocht, zó sneed dat ik onderuit ging en tijdens mijn val met mijn rechterhand tegen het achterruitje van zijn auto sloeg. Hij sprong eruit, trok me van de brommer af, pakte mij bij de hals en ik begon te schreeuwen. Omstanders grepen gelukkig in. Toen ik mijn helm afzette, begon ik opeens buitenproportioneel te snikken: waarom ik? Waarom overkomt mij dit?’

‘Ik geneerde me, maar kon niet ophouden. Die man kon me geen flikker schelen, ik heb niet eens een klacht bij de politie ingediend: die tranen kwamen ergens anders vandaan.

‘Toen ik op kantoor kwam, belde SBS Shownieuws. Of het klopte dat ik in elkaar geslagen was. Roef Ragas overleed in het restaurant waar hij met Hans Kemna zat te eten. Het was nog niet gebeurd of Hans werd gebeld – of hij onmiddellijk Shownieuws te woord wilde staan. Verbijsterend vind ik dat.

Later zag ik ze op tv: de ‘sterren’ van deze wereld die Roef nooit hebben ontmoet, maar wel vertelden hoe vreselijk ze hem missen.’

Het is de wereld van de buitenkant, de wereld waarover je toch ook de scepter zwaait.

‘Casting is een mooi vak, maar ik denk niet dat het mijn eindstation is.’ Hij laat een stilte vallen.

‘Het ergste wat je kan overkomen is dat je je leven lang op je tenen hebt gelopen om aan de verwachtingen van anderen te voldoen en dat je er, op het moment dat je door je hoeven zakt, opeens niet zeker van bent of er dán nog van je gehouden wordt.’

Zijn moeder belt. Ze vertelt hem, zegt hij even later, dat het haar vandaag niet zo goed gaat: ze was langs een school gekomen waar kinderen enthousiast op hun moeders af renden, en ze was volgeschoten.

‘Verdriet is niet erg, als een dierbare overleden is, en tranen zijn al helemaal niet erg – erg is juist dat je niks voelt, dat er testbeeld en ruis is, dat het je om het even is hoe de dag verlopen zal, en dat je daardoor opgejaagd en weerbarstig raakt, zodat het voor anderen nóg moeilijker wordt om je te bereiken.

‘Ach, als kind ben je zonder angst, en ga je er zonder meer van uit dat anderen je problemen zullen oplossen.

Naarmate je ouder wordt, kom je er steeds meer achter dat je dat toch echt zelf zult moeten doen, en hoe eenzaam het leven soms kan zijn. De luchtbel is dan definitief doorgeprikt.’

Meer over