Lijden, liefhebben en schrijven

IN 1824 had Marita Mathijsen een vraaggesprek met Willem Bilderdijk in zijn huis aan de Oude Singel te Leiden. De dichter is achtenzestig jaar, de vlammen slaan hem soms nog uit, zeker wanneer hij over de aard van de poëzie komt te spreken, maar ze brengen geen warmte in het...

KEES FENS

'Onze hedendaagse poëzie is in handen van prulpoëten, baardscheerders, heggeknippers en schoenlappers, die vijlen en harken en scheermessen in plaats van de schrijfveer hanteren. Die zetten zich koel en kalm in een leuningstoel neer om een vers te maken, stellen zich bedaard voor wat ze zeggen zullen, brengen dit in woorden, deze woorden krijgen een maat en dan zoeken ze het rijm tot de verzen.'

Poëzie was voor hem 'uitstorting van het gevoel', zoals hij dat schreef in zijn leerdicht De kunst der poëzy, waarvan vorig jaar een door W. van den Berg en J.J. Kloek uitstekend verzorgde heruitgave verscheen. Wat hij uitstortte viel haast vanzelf in de door hem volmaakt beheerste vormen, beelden en taal, welke laatste dan ook vaak retorisch zijn. Anachronistisch is veel van zijn poëzie als 'bezielde retoriek' te omschrijven. Zijn opvatting van het kunstenaarschap is zuiver romantisch - de dichter ook als bevlogene - maar hij was ook burger, advocaat en, misschien dat weer op een romantische wijze, wetenschapper en genie. Alles lijkt samen te komen in deze uitspraak uit het vraaggesprek:

'Ik heb gisteren een gesprek met iemand gehad over een wiskundige kwestie, en dat heeft mijn hoofd zodanig geëxalteerd dat ik de hele nacht in een buitengewone aanval van dichterlijk delirium heb doorgebracht en thans volstrekt zinneloos ben.'

En dan leest hij een net die nacht voltooid vers voor, tegen de recensenten. Een soort rijmkritiek dus. De taal ervan lijkt te golven van woede. Als de interviewster afscheid neemt en de hoop uitspreekt hem nog eens te bezoeken, reageert Bilderdijk met een bijna-distichon: 'Ik voel de klauw van de dood als aan mijn lijdend lichaam wroeten. Het zal mijn gebeente zijn dat u kunt bezoeken.'

En dat laat zich ook nog symbolisch lezen: als wij Bilderdijk bezoeken, treffen wij nog slechts de botten van een oeuvre. De geschiedenis heeft zijn werk doen vergaan. In de inleiding tot het interview (het staat in het alleraardigste boek De geest van de dichter; Tien zogenaamde gesprekken met negentiende-eeuwse schrijvers) schrijft Marita Mathijssen: 'De grootste niet gelezen dichter van Nederland zou men Bilderdijk kunnen noemen, maar dan ook de allergrootste.'

Dat is ook van Vondel gezegd. Soms zijn er stemmen die het oordeel van Marita Mathijsen bevestigen en ontkennen: dichters die Bilderdijk groot vinden, maar hem ook lezen. Maar de waardering kookt nooit over, wat bij een figuur als Bilderdijk toch het geval zou kunnen zijn.

0ET is 1795, Bilderdijk is dan negenendertig, tien jaar getrouwd met Catharina Rebbecca Woesthoven, vader van een dochtertje en een zoontje, advocaat in Den Haag, als hij Nederland moet verlaten. Bij de komst van de Fransen weigerde de orangist Bilderdijk de van advocaten geëiste eed op het nieuwe bewind af te leggen. Omdat hij eerst uit Holland verbannen wordt, vestigt hij zich voorlopig in Groningen. Vandaar komt hij terecht in Hamburg, vanuit Hamburg in Londen (waar ook de stadhouder Willem V woont, hij acht zich min of meer in diens dienst) en tenslotte in 1897 in Brunswijk. Pas in 1806, onder het bewind van Lodewijk Napoleon, zal hij naar Nederland terugkeren. In de elf jaren van zijn ballingschap heeft hij voornamelijk van het geven van lessen moeten leven. Hij liet in 1895 een grote schuldenlast na in Nederland. Ter aflossing daarvan werd onder meer zijn bibliotheek verkocht. Hij moge geniaal zijn geweest, een financieel genie was hij niet. Vanaf 1795 tot zijn dood heeft hij in armoedige welstand moeten leven. Lodewijk Napoleon noch koning Willem I maakte hem, wat hij had gehoopt, professor. Met vele romantici heeft hij een ongekend optimisme, want geloof in de eigen toekomst gemeen. Hij is in zijn hele leven nogal wat keren iets net niet geworden. Hij was een grootmeester in het overwinnen van nederlagen, wat met zijn onvermogen geschokt te raken moet samenhangen. Alleen de liefde was groter dan zijn weerstandsvermogen.

In Londen ontmoet hij Katharina Wilhelmina Schweickhardt, dochter van een daar wonende Nederlandse schilder. Zij is twintig jaar jonger dan hij. Hij geeft haar bijlessen en wordt - en dat is zwak uitgedrukt - ongeneeslijk verliefd op haar. (Dat later in een van de brieven de naam Heloïse valt, is niet verwonderlijk). Zijn huwelijk met Catharina Rebbecca was al vrij vroeg een mislukking gebleken. Bilderdijks vertrek naar Brunswijk maakte mede deel uit van een listig plan, Katharina Wilhelmina eindelijk tot zijn vrouw te kunnen maken. Zij volgt hem. In zijn bijbel kan hij dan schrijven dat hij haar tot zijn vrouw had genomen. Pas in 1802 kan Bilderdijk zich van Catharina Rebbecca laten scheiden. De zegen van de bijbelse God rustte op het nieuwe huwelijk: er werden acht kinderen uit geboren. Toen Katharina Wilhelmina - inmiddels een bekende Nederlandse dichteres geworden - in 1830, eenenvijftig jaar oud stierf, leefde van de acht kinderen alleen de jongste nog. Komrij nam één gedicht van haar in zijn bloemlezing op. Melittaas grafschrift heet het; in naam van de ene worden zes andere ook herdacht, denkt men haast vanzelf:

Hier ligt een vroeggeknakte bloem,

Des dorplings lust, der maagden roem,

Op 't mulle grafbed neder.

Geen lelie had ooit schoner zwier,

Niet slanker is de populier,

Niet rijziger de ceder.

Geen frisser blos had ooit de roos;

Geen blanker gloed de tijdeloos;

't Viooltje nooit de zachtheid

Die uit haar blauwende ogen scheen.

Gij, die dees grafsteê nadert, ween,

Dat over zoveel minlijkheên

De sluier van de nacht leit.

0IT wat toch wel de meest bewogen jaren uit Bilderdijks leven zijn - 1795-1797 - heeft Marita Mathijsen een groot aantal brieven bijeengebracht in wat zij zelf noemt naar de hedendaagse taal geplooid achttiende-eeuws Nederlands. Ook de briefschrijver Bilderdijk werkte in het groot; hij schreef duizenden brieven. Tweeduizend ervan zijn bewaard gebleven, ook brieven in andere talen. Maar een klein deel ervan is in een wetenschappelijk verantwoorde editie verschenen, in 1988.

Liefde en Ballingschap heet de bloemlezing. Er werd voor zes correspondenten gekozen: Bilderdijks vrouw, Katharina Wilhelmina Schweickhardt, zijn zwager, diens vrouw (een zus van zijn vrouw), een jonge vriend en zijn uitgever. Het grootste aantal werd geschreven aan zijn vrouw en aan zijn Londense geliefde. Met de laatste kon hij alleen in het geheim ontmoetingen hebben en haar en zijn brieven moesten op soms slinkse wijze de geadresseerde bereiken. Katharina Wilhelmina's moeder had elke omgang van haar dochter met de Nederlandse universele geleerde en dichter verboden. Zijn brieven aan haar zijn nagenoeg pure liefdesbrieven: in elke brief het oude, maar steeds nieuwe nieuws. In de brieven aan zijn vrouw ontbreken aanhankelijkheidsverklaringen niet, enigszins ingehouden, dat wel, maar ze zijn vooral in hoge mate informatief: hij houdt haar exact van zijn wederwaardigheden op de hoogte. Dat doet hij ook in de brieven aan zijn zwager en schoonzus, maar die zijn vooral hierom boeiend: hij reflecteert erin op zijn situatie en vooral, één keer zeer uitgebreid, in een meesterlijke en overtuigende analyse van zijn huwelijk, waarbij de - verzwegen - vergelijkingsmogelijkheid met het Londense meisje hem alle kansen gaf. Uit het negatief kan men haar positief lezen.

Er blijken uit de brieven aan zijn vrouw en schoonfamilie twee opvallende vermogens: die tot zelfbeklag en die tot eigenliefde en dat is misschien maar één vermogen. Hij had reden tot klagen: zijn door hem vaak meesterlijk beschreven tochten op schepen en karren zijn vaak barbaars hard. Hij moet nogal eens voor de smerigste onderkomens kiezen. Hij lijdt kou, pijn, vermoeidheid, uitputting, een man van smarten is op de vlucht. Maar God is altijd zijn troost en Die wordt ook als troost aan zijn vrouw toegedacht. De grote paradox is natuurlijk, dat hij, lijdend en bijna stervend, de tijd en de energie en de inspiratie heeft om soms uitvoerige schitterende verslagen van zijn kwel en wee te schrijven. De brieven verraden zelfs een zeker plezier in de verdichting van zijn jeremiades. Wat het lijden wegneemt, geeft de streling van zijn eigenliefde terug. Hij krijgt altijd de beroemdste mensen op bezoek, hij is bekend en wordt gevierd en in Engeland is hij de lieveling van alle vrouwen, een tweede Willem de Veroveraar. Ach, toen hij met zijn eerste Catharina trouwde, had hij al de keuze uit twintig meisjes. Ik vermoed dat zijn verbale vermogens zijn grootste bekoring zijn geweest, misschien ook wel de door hem overduidelijk uitgedragen universaliteit; hij is een encyclopedische geleerde.

Ook als hekelaar is hij superieur. Enkele keren schrijft hij vanuit Londen aan zijn schoonfamilie over de Engelsen, met wie hij in een haat-liefdeverhouding leeft. Hij heeft hun gewoonten, karakter, eigenaardigheden, tekorten zeer scherp gezien. Groot is zijn bewondering voor de Schotten, die in alles het tegendeel van de Engelsen zijn. Misschien zijn mooiste opmerking is dat de Engelsen nooit iets nieuws kunnen leren; ze doen alles zoals het altijd is gedaan. Daarin is het hart van de Engelse cultuur geraakt, dodelijk.

0 O gevarieerd als het eerste deel van de bundel is, zo eentonig is het tweede. Door de brieven aan de geliefde. Hij schreef die ten dele in het Italiaans - ze maakten dan deel uit van zijn onderwijs! - voor het grootste deel in het Engels, en slechts een enkele in het Nederlands. Maar in welke taal dan ook: voor zijn liefde, zijn verliefdheden, haar bekoringen, zijn onzekerheden, zijn sterven aan de wanhoop, zijn verheugd raken door weer een teken van leven van de liefde, heeft hij slechts de retoriek van hart en smart 'in voorraad'. Misschien dat dat juist de oprechtheid van zijn liefde verraadt: voor wat echt is in de liefde, bestaat geen oorspronkelijke taal. Als hij al poseert, neemt hij vertrouwde houdingen aan. Het meisje heeft lang geaarzeld, soms toegegeven, vaak weer teruggenomen, zij moet tenslotte voor de taal zijn bezweken. Ook als liefdeskunstenaar kende hij alleen de uitstorting van het gevoel, maar taal en beelden lagen ook hier klaar. (Vergelijk de superieure Minnebrieven van Multatuli, aan wie Bilderdijk, in de andere brieven, soms doet denken.)

Een enkele keer laat hij de humoristische, want ontnuchterende keerzijde van de romanticus die hij is, zien. Zo sluit hij een lange, zeer hooggestemde brief aan Katharina Wilhelmina zo af:

'Wat een gekrabbel! en wat een onzin! Dat zul jij zeggen, aanbedene van mijn hart, als je deze lange onzinnige brief leest! Vergeef zijn overdrevenheid als die erin is; en dat zal zeker zo zijn. - Kan ik over dit onderwerp schrijven zonder in wartaal te vervallen en fantastische frasen? Ach, dan zou ik niet zo van je moeten houden als ik van je hou.'

Ik zou bijna willen vermoeden dat Katharina Wilhelmina zich na deze regels gewonnen gaf.

Soms raken de liefdesbrieven de lijdensbrieven uit het eerste deel. In een brief van 27 februari 1797 beschrijft hij prachtig - ook hier weer dat plezier - een middag wachten :

'Zeker, mijn lieve engel, ik begreep dat het alleen van het weer afhing of je naar de City ging, maar ofschoon het sedert kwart voor één regende, vleide ik mijzelf ermee dat de regen over enige ogenblikken kon ophouden, of dat je een of andere smoes kon vinden om uit te gaan ondanks enige druppels. En inderdaad, enige minuten na enen was de regen gestopt. Ik wachtte in Springgarden tot half twee, toen dacht ik dat de kerk wel uit zou zijn, dus ging ik daarheen en het bleek dat ik goed gegist had. Mijn hart was met dat alles niet tevreden en zei me dat je misschien terug naar huis was gegaan vanwege de regen, maar dat je met de verandering van weer ook die bestemming veranderd kon hebben, en ik haastte me om weer mijn eerste wachtpost in te nemen. Daar bleef ik tot drie uur, daarna bedacht ik dat je daar voorbij kon zijn gegaan terwijl ik naar de kerk liep, dus wandelde ik naar Hatton Garden, waar ik de dag doorbracht met op en neer lopen tot ongeveer zeven uur, toen ik elk vooruitzicht om mijn liefste beminde te zien verloor.'

Dat is de taal van de puber van veertig die Bilderdijk in zijn liefdesbrieven is! Is hij altijd een puber gebleven? In elk geval een romanticus die wist dat het schoonste en hoogst bereikbare hem eens zou passeren. Hij eindigde zijn leven op de Grote Markt in Haarlem en zijn laatste eer kreeg hij daar, toen na de oorlog een sociëteit zich noemde naar zijn vermeende adelsnaam: Teisterbant. Meer heeft er sindsdien nauwelijks afgekund. Ik hoop dat hij niet een van de grootste niet gelezen briefschrijvers wordt.

Willem Bilderdijk, Liefde en ballingschap; Brieven 1795-1797; Hertaald en toegelicht door Marita Mathijsen; Reeks Privé-Domein. De Arbeiderspers; Amsterdam; ¿ 45,-.

Meer over