ecologie

Last van een winterdip? Weet dan: de lente dient zich alweer aan

Wie last heeft van een winterdip, zal denken dat het voorjaar nog ver weg is. Toch dient de lente zich steeds vroeger aan. Kijk, daar fladdert de dagpauwoog al.

Jean-Pierre Geelen
null Beeld Inez van Vuren
Beeld Inez van Vuren

Velen denken hem te kennen: de winterdip. Na de feestdagen die miezerige marathon langs grijs januari en venijnig februari, gure tegenwind, slagregens of felle vorst. Het kan wel tot half april duren eer we een eerste glimp voorjaar opvangen. Eindelijk lente! Licht! Leven!

De winterdip (‘vermoeid, somber, lusteloos’, omschrijven psychologen de symptomen) mag als een virus rondspoken, in werkelijkheid is de lente allang begonnen. En hij begint steeds eerder, ‘dankzij’ klimaatverandering. Goed nieuws is dat laatste wellicht niet, maar de kille feiten wijzen op een steeds vroeger voorjaar.

Voor wie al somber wordt bij het vallen van de eerste blaadjes, was er vorig najaar goed nieuws. De blaadjes vielen extreem laat. Herfst 2021 was zesde op de ranglijst van warmste sinds 1901. Doordat vorst lang uitbleef, kwam bladverkleuring later op gang en bleven bladeren langer aan bomen, concludeerden de Natuurkalender en GrowApp.today van de Wageningen Universiteit.

Lichttherapie

Voor de zwartkijkers wat lichttherapie, het medicijn van moeder Natuur. De kortste dag is 21 december, maar de vroegste zonsondergang is al op 12 december. Vanaf 30 december komt de zon voor het eerst weer vroeger op. Op 21 december kwam de zon op om 8.46 uur en ging die onder om 16.30 uur. Nu, een maand later, komt de zon 12 minuten eerder op en gaat die 40 minuten later onder. Het is dus al bijna een uur langer licht dan in ‘de donkere dagen voor Kerst’.

Wie een winterdipje voelt, moet naar het zuiden. Omdat de zon verder van het noorden afstaat dan van het zuiden duurt een dag van 7 uur en 30 minuten in Groningen een kwartier langer in Maastricht.

Dat het ook warmer werd, staat al in de recordboeken. Met 14,7 graden in het Limburgse Ell was het de warmste 30 december ooit gemeten. Begin dit jaar meldde de Vlinderstichting al dagpauwogen, citroenvlinders en kleine vossen, soorten die normaal pas in maart fladderend de nieuwe lente aankondigen.

Welkom in ‘het nieuwe normaal’, dat ook volgens het KNMI verschuift. Het weerinstituut bepaalt het ‘normaal’ door het gemiddelde van drie decennia. Arnold van Vliet, bioloog aan Wageningen Universiteit en drijvende kracht achter Natuurkalender.nl: ‘Nu is 10,5 graden een ‘normaal’ jaargemiddelde, begin vorige eeuw was dat nog 8,9 graden. Het begrip ‘normaal’ moet dus steeds naar boven bijgesteld.’

Zelf zag Van Vliet op 1 januari tot zijn verrassing een bijenvolk in vol bedrijf, gewekt door de grens van 12 graden met zon. Imkers meldden actieve honingbijen en wespenkoninginnen. Egels trokken eropuit. IJsvogels, winterkoninkjes, kleine knaagdieren en zwijnen zullen profiteren van warmere winters, verwacht Van Vliet.

Hooikoorts

Ook opmerkelijk: Kerst met muggen. Op muggenradar.nl, een ander onderzoeksproject van Van Vliet, meldden begin januari 674 mensen steekmuggen, 346 van hen waren gebeten. Niet ‘normaal’ voor januari. De meeste gevallen kwamen uit steden in het westen van het land, waar de molestusvariant van de gewone huissteekmug zich vermoedelijk ophoudt in water in kruipruimtes en kelders.

Nog meer zomer met Kerst: hooikoorts. Oftewel pollen in de lucht, het stuifmeel van vroegbloeiers. Door de hogere temperaturen lieten de hazelaar en de els rond de jaarwisseling al hoge concentraties los.

De els is een uitheemse soort uit de Kaukasus, veel aangeplant langs wegen. Die bloeit vroeger dan ‘onze’ zwarte els, maar bij warme winters nog vroeger. De hazelaar kwam in de jaren 1940 tot 1968 half februari tot bloei, nu ruim zes weken eerder. Mogelijk wordt die vroegbloei aangewakkerd door korte nachtvorst, het zogeheten effect van ‘winter chilling’.

Voor vogels is klimaatverandering niet alleen feest. De pas verschenen Bosatlas van weer en klimaat noemt grote zilverreigers die profiteren van temperatuurstijgingen. Koolmezen zijn de dupe: bij hogere temperaturen broeden ze steeds vroeger, maar zijn voor hun jongen de rupsen van kleine wintervlinders nog niet beschikbaar. Gevolg: sterfte en mislukte broedsels.

Uit onderzoek van Sovon bleek al dat de gemiddelde start van de eerste eileg van 45 vogelsoorten tussen 1985 en 2005 verschoof van 11 mei naar 4 mei. Kolganzen en Toendrarietganzen vertrekken in zachte winters al in februari naar hun noordelijke broedgebieden, waar dat eerder maart was. Zo’n dertig vogelsoorten trekken steeds eerder weg. Onder meer houtduif, boomleeuwerik en vink vertrekken juist later. De winter duurt zo alweer wat korter.

Bosuil

Sneeuwklokjes bloeien nu gemiddeld drie weken eerder dan vijftig jaar geleden, stelt de Bosatlas. Op sociale media waren de lentegetuigenissen niet van de lucht. Kijk nou, op 26 december: een moedereend met elf jongen in de Haagse Hofvijver!

Een bosuil had half december z’n eerste ei al gelegd en Thomas van der Es, boswachter in de Biesbosch, twitterde op 1 januari: ‘Bizar zacht winterweer liet de spechten roffelen en de grote lijsters zingen op de Strijbeekse Heide vanochtend.’

De blije eikel gedijt bij een zonnige natuur, maar zijn er niet ook signalen die op winter wijzen? Ja, er is geschaatst op ondergespoten baantjes in het noordoosten. En zeker, rond Kerst streek een wintergast bij uitstek neer in Noordwijk: de pestvogel. In verenkleed van bruinroze was, het puntje van zijn staart gedipt in een blik knalgele verf. Helemaal vanuit Siberië of Scandinavië naar die bessenstruik in het achtertuintje van een rijtjeshuis, aangestaard door horden vogelaars en fotografen.

Na enkele dagen was de vogel gevlogen. Een week later dook een pestvogel op bij de Dordtse Biesbosch. In beide gevallen was het er maar één, misschien wel hetzelfde vrouwtje. Eén pestvogel maakt nog geen winter.

Zwaluwen

Veel zwaluwen maken wel zomer, en laten die nou steeds eerder aankomen. Waar de eerste boerenzwaluwen in de jaren zeventig vorige eeuw eind maart/begin april werden gezien, zijn die half maart steeds gewoner geworden.

‘Gemiddeld bewegen vogels, vlinders, insecten en libellen tien keer zo langzaam mee met de klimaatveranderingen dan ze temperatuurtechnisch gezien zouden moeten’, zegt Arnold van Vliet. ‘Het verschilt per soort, maar de gemiddelde temperatuurstijging gaat tweemaal zo snel als hun geografische verspreiding is veranderd. Met andere woorden: ze reageren niet snel genoeg op de temperatuurstijging.’

Dat is de keerzijde van de medaille bij alle weerrecords: bij het einde van de winterdip ligt de voorjaarsdepressie op de loer. Goed of slecht nieuws: het is ‘een sneak preview van wat er op ons afkomt’, zegt Van Vliet. Vandaar dat hij ecologen, beschermers en beleidsmakers oproept op te letten om te zien hoe soorten reageren. De ontwikkelingen tonen dat de natuur hier variatie en ruimte nodig heeft om de grote beweging van zuid naar noord mogelijk te maken.