Jelle Reumer: waar is de proefmens?

Columnist Jelle Reumer over dierproeven, in het Kenniscafé van 17 mei in de Balie in Amsterdam. Welke dieren wel en welke niet? En hoe zit het met de proefmens?

Dierproeven zijn proeven met dieren. Ze geven ons inzicht in wat bijvoorbeeld een geneesmiddel doet met het konijn of de muis, maar dát is niet wat we willen weten. We hoeven geen konijnen te genezen van aids of muizen te behandelen met anti-eczeemzalf, maar mensen. Eigenlijk zouden dus al deze proeven gedaan moeten worden met de mens als proefkonijn, en niet met echte proefkonijnen, cavia’s, ratten of muizen. Behalve dat een rat geen mens is, krijgen we nog een ander probleem op de labtafel, namelijk de vraag wat zieliger is, een proefkonijn of een proefcavia? Of een proefmuis, proefapen, proeffruitvliegjes of proefwormpjes? Het ene proefdier is het andere niet, en waar leg je de grens tussen wel of niet betamelijk?

Waarom is het ene dier het andere niet? Dat komt door de bijbel en door Rudy Kousbroek (God hebbe zijn ziel). Dieren, zo vertelt ons Genesis 1, zijn qua oorsprong niet allemaal gelijk. Op dag 5 werden de zwemmende en de vliegende dieren geschapen, en op dag 6 het vee, de kruipende en de wilde dieren, gevolgd door de mens zelf. Die laatste ontving bovendien de aansporing om over de dieren te heersen. De mens kan de dieren dus aanwenden voor zijn eigen nut, anders zou dat heersen alleen maar een kwestie van zinloze machtswellust zijn. Er werd bij dat goddelijk bevel geen onderscheid gemaakt tussen de dieren van de vijfde of die van de zesde dag, dus: dieren zijn dieren. Het is alles wat zwemt, vliegt, kruipt of loopt, uitgezonderd de mens zelf.

Dankzij Rudy Kousbroek bezitten sommige dieren een zekere aaibaarheidsfactor, en daarmee staat een konijn beduidend hoger op de Ladder des Dierenrijks dan de rondworm of de fruitvlieg. Die notie van aaibaarheid is wellicht de belangrijkste factor in de beoordeling van dierproeven. Tegenstanders lopen wel te hoop tegen proeven op konijntjes, muizen of apen, maar liggen zelden wakker van het bedwelmen en vervolgens homogeniseren van een fruitvliegje of een nematode. Een dode bladluis meer of minder zal zelfs de Partij voor de Dieren een (vegetarische) worst wezen. Protesten tegen dierproeven zijn dus selectief en subjectief.

Tweeduizend jaar na Genesis hebben we een andere kijk op de zoölogische taxonomie dan de schrijvers van het Oude Testament. Onze indeling is niet meer gebaseerd op de wijze van voortbewegen of de dag van creatie, maar op grond van vormovereenkomsten en dna, als gevolg waarvan de mens van zijn voetstuk tuimelde en zelf ook een dier werd, een lid van de grote apenfamilie. Overigens is ook aaibaarheid een uiterlijk vormkenmerk, ook al wordt het door de biologen niet erkend. Voor de bioloog is een dier een dier, of het nu een worm is of een konijntje. Het is een organisme dat beweegt, ademhaalt, zuurstof behoeft en koolzuur produceert, een optelsom van mechanica en organische scheikunde. Descartes reduceerde het dier tot een mechaniekje en legde daarmee de basis voor de proefdierproblematiek. Zijn idee is misschien fysiologisch wel juist, maar ethisch voldoet het niet.

Wat is nu eigenlijk een proefdier? Semantisch gezien is het een dier waarmee een proef wordt gedaan, waarbij het dus niet uitmaakt of sprake is van een worm of een aap, beide zijn dieren. Combineer deze betekenis met het gegeven dat ook de mens tot het dierenrijk behoort, en je kunt de mens beschouwen als een potentieel proefdier. De proefmens dus. Maar wie het woord ‘proefdier’ intikt op google krijgt bijna een half miljoen (483.000) hits, ‘proefpersoon’ 35.800 - al niet te veel, terwijl ‘proefmens’ slechts 1.210 hits geeft. Schijnbaar is het gebruik van mensen als proefdier een schromelijk onderschatte mogelijkheid. In werkelijkheid is dat natuurlijk niet het geval, want de mens is wellicht het meest gebruikte proefdier aller tijden. De Romeinen namen het begrip wel erg letterlijk en lieten hun leeuwen Christenen proeven. Legendarisch zijn de experimenten van de geneticus JBS Haldane, die zichzelf, zijn kinderen of zijn vrienden als proefdier nam en daarbij regelmatig gewond raakte, zijn wervels brak of zijn trommelvliezen scheurde, en dat toch heel normaal vond. En zelfs wel stoer. Het ethische dieptepunt werd bereikt door de nazi’s, die menselijke proefkonijnen recruteerden uit hun gevangenen. Sindsdien gaat het alleen maar beter, ook al willen de dierenbevrijdingsfronters ons anders doen geloven.

De vraag is interessant waar het naar toe gaat. Krijgen dieren ook dierenrechten zoals Peter Singer, Erno Eskens en Marianne Thieme graag willen? En leggen we de grens voor experimenten bij de aaibaarheid van het konijn en de cavia, of nemen we ook de axolotl en het zebravisje mee in onze barmhartigheid? Krijgt de fruitvlieg dierenrechten? Heeft het minuscule wormpje Caenorhabtidis elegans, na te zijn vermalen, geëxtraheerd in ethanol en afgecentrifugeerd op 60.000 toeren, postuum recht op een advocaat? Het moeilijkste aspect van het hele debat is dus het trekken van de grens: met welke dieren is een dierproef abject, en met welke dieren is het gewoon een proefje. Zegt u het maar.

Voorlopig kunnen we nog niet zonder proefdieren, maar met kleine stapjes barmhartigheid dalen we af in de hiërarchie van de dierenrijk. Het dierenbevrijdingsfront zou kunnen beginnen met het bevrijden en loslaten van die witte cavia die al jaren zit vastgebonden op het hoofd van de leider der PVV, want de kwelling om daar bijna dagelijks naar te moeten kijken is op zichzelf al een dierproef.

(in het KennisCafé van 17 mei, zie ook www.debalie.nl)

Meer over