Jelle Brandt Corstius - Kleine landjes

De jonge journalist Jelle Brandt Corstius is inmiddels een bekende verschijning, dankzij de televisieserie van de VPRO waarin hij de kijker kris kras door Rusland gidst.

In het boekje Kleine landjes bezoekt Jelle Brandt Corstius een aantal tot Rusland behorende, of zoals Abchazië bij Rusland ingelijfde regio’s, waar gewapende conflicten op uitbreken staan of net weer bezworen zijn.

Alleen de steppe van Kalmukkië, een flink eind ten noorden van de Kaukasus, valt buiten dit bestek, maar daar is dan weer een stapelgekke ‘president’ aan de macht die schaken tot een verplicht vak op school heeft gemaakt en wiens eigen grootste sportieve prestaties bestaan uit zichzelf verrijken en het hard onderdrukken van zijn onderdanen.

De journalist reist naar het gevaarlijke Tsjetsjenië, het anarchistische Abchazië, het broeierige Tsjerkessië en het drank- en schietlustige Ossetië.

Hij vertelt losjes en met gevoel voor absurditeit over zijn belevenissen. Hij komt in botsing met zijn oppasser in Grozny, deelt de maaltijd en een fles met een voormalig strijder, gaat in Kalmukkië op bezoek bij een vrouw die door een overval blind is geworden, maar toch gelukkig is, moet van een restje roebels rondkomen in Abchazië, eet rijstepap, leert van iemand wie de Alanen zijn en komt een hoop ervaring rijker weer veilig terug in Moskou. In zijn verhalen is Brandt Corstius nadrukkelijk zelf aanwezig met snedig commentaar, drankgelagen met kennissen en opgehaalde herinneringen aan eerdere avonturen en reizen.

Zijn tempo is hoog, zo hoog dat hij niet de tijd neemt om de lezer iets meer mee te geven dan vluchtige indrukken en gesprekjes.

Meestal doet hij verslag van toevallige ontmoetingen, maar als hij voor de variatie eens iemand spreekt die misschien iets meer licht kan werpen op de situatie, dan verveelt het hem alweer na een alinea en zijn we doorgezapt.

Het moet vooral grappig en luchtig blijven. En dat is op den duur vermoeiend. Het is alsof Jelle met zijn vrienden in de kroeg zit en maar doorkletst over dat gekke land, met al die vreemde volkjes en hun bizarre oorlogjes. ‘Rare jongens, die Romeinen’, zei Obélix en zette zijn tanden in een everzwijn.

Meer over