ColumnIonica Smeets

Is BMI een logische manier om naar lichaams­gewicht te kijken?

null Beeld

De Britse journalist Liam Thorp kreeg vorige week tot zijn verbazing een oproep voor een coronaprik. Thorp is 32 en heeft geen gezondsheidsproblemen, dus hij kon niet geloven dat hij al aan de beurt was. Hij belde voor de zekerheid zijn huisarts. Die vertelde hem dat hij was opgeroepen vanwege zijn overgewicht. Thorp schrok: hij was inderdaad wel wat te zwaar, maar hij had niet door dat het zó ernstig was. De huisartspraktijk belde hem een dag later terug. Er bleek een foutje te zijn gemaakt bij het invoeren van zijn gegevens. Er stond in het systeem dat Thorp 6,2 centimeter lang was, in plaats van 6 feet en 2 inches. Daarmee kwam zijn BMI op een kolossale 28 duizend – ver boven de grens van 40 die aangehouden wordt als medische indicatie voor een vroege corona-vaccinatie.

In werkelijkheid komt Thorp met een lengte van 1 meter 88 en een gewicht van ongeveer 108 kilo op een BMI van 30,5. Een stuk beter dan 28 duizend, maar nog steeds te hoog volgens de gangbare richtlijnen. Daarin is een BMI tussen de 18,5 en 25 gezond voor volwassenen. Met een lager BMI heb je ondergewicht. Boven de 25 heb je overgewicht. Inmiddels heeft – volgens deze definitie – meer dan de helft van alle Nederlanders overgewicht.

Maar wat meet dat BMI nu precies? Het is je gewicht (in kilogrammen) gedeeld door het kwadraat van je lengte (in meters). De eenheid van BMI is daarmee kilogram per vierkante meter. Je verdeelt als het ware je gewicht over een plat vierkant dat net zo lang en breed is als jijzelf. En dan kijk je hoeveel kilo je per vierkante meter krijgt. Is dat een logische manier om naar lichaamsgewicht te kijken? (Was dat laatste een retorische vraag?)

Wiskundige Keith Devlin schreef ooit een woedend stuk over wat er allemaal mis is met BMI. Hij had destijds een BMI van 25,1, terwijl hij veel sportte, een lage hartslag en bloeddruk had, een keurig cholesterol en een taille van 81 centimeter. Hoe kon hij nu overgewicht hebben? Hij noemde ook een reeks topfitte sporters die ook allemaal een BMI van boven de 25 hadden.

De BMI is ooit bedacht door de wiskundige Adolphe Quetelet. Hij gebruikte deze maat om patronen in de bevolking te analyseren, niet om individuele personen te diagnosticeren. Zijn formule houdt ook geen rekening met hoe een lichaam eruitziet, in welke mate het uit spieren of vet bestaat en waar dat vet dan zit.

We weten dat vooral buikvet ziektes veroorzaakt en die smalle taille van Keith Devlin was belangrijker om naar te kijken dan zijn BMI. Zorgstandaarden zeggen ook keurig dat je niet los naar een risicofactor als BMI moet kijken, maar dat je die moet combineren met buikomvang en aanwezigheid van bepaalde ziekten. Maar ja, dat is in de praktijk heel wat lastiger dan even snel iemands gewicht delen door het kwadraat van diens lengte. Het alomtegenwoordige gebruik van BMI als een maat voor overgewicht is een typisch voorbeeld van hoe we domweg meten wat makkelijk te meten is.

Daarbij was BMI geïntroduceerd als een wiskundig idee en niet als iets medisch. Devlin bepleit dan ook dat juist wiskundigen in opstand moeten komen tegen het misbruik van dit concept. Hierbij.

Meer over