'Ik sterf van heimwee, dat wel' RONIT MATALON DOCUMENTEERT MET FOTO'S EEN JOODSE FAMILIEGESCHIEDENIS

SOMMIGE BOEKEN doen je iets, nog voordat je ze geopend hebt. Liefde op het eerste gezicht. Is het de omslag die je verleidt, de titel, de naam van de auteur?...

Zoveel boeken en dan toch steeds dat ene dat ontbreekt.

Voor mij was dat de afgelopen dagen, te midden van het vele dat beroepshalve door je handen gaat, de roman Met het gezicht naar ons toe van de Israëlische schrijfster Ronit Matalon. Een roman, ja, al zou je dat niet zeggen, maar zo is er meer aan dit boek dat niet past in het patroon.

In de eerste plaats is er de verrassing die je wacht als je het openslaat: een kleurenfoto. Een kleurenfoto in een roman? Wat is dat nu weer, ben je geneigd te denken, en benieuwd geworden, blader je het boek door. En kijk: nog meer plaatjes. Kiekjes lijken het, familiekiekjes. Iedereen kent ze, heeft ze zelf gemaakt, en. . . kijkt er zelden nog naar om.

Familiekiekjes zijn voor het nageslacht. Daarvoor worden ze in schoenendozen bewaard. Ze hebben de geschiedenis nodig om in tel te raken. Voor het nageslacht is de matige esthetische kwaliteit van zulke gelegenheidsopnamen geen belemmering.

Precies zo heeft Ronit Matalon deze plaatjes gebruikt voor haar boek: als beelden die het verleden documenteren, het verleden van de familie waartoe haar hoofdpersoon, de jonge Esther, behoort, en die in de diaspora grotendeels is zoekgeraakt (vooral haar vader, een elegante Levantijn, die eenmaal bij de Israëlische inlichtingendienst een genadeloze ondervrager bleek te zijn).

Matalon begint elk hoofdstuk met de beschrijving van een foto (ook als die ontbreekt, een tweede verrassing). Die beschrijvingen zijn niet alleen heel precies - Matalon zou een excellente kunstcritica kunnen zijn -, ze voegen zich ook naar de stijl, waaruit deze vertelling is opgetrokken: alsof de werkelijkheid door de hoofdpersoon louter in beelden wordt gezien, losse beelden.

Dit is geen filmisch schrijven - een uitdrukking die wel eens als loftuiting wordt gebruikt -, dit is fotografisch schrijven, en los van de overweging die tijdens het lezen bij je opkomt: dat literatuur wellicht meer verwant is aan de fotografie dan aan de film, begint je bewondering voor de schrijfster met elke pagina te groeien. Die heeft het begrepen: literatuur, dat is een kwestie van epifanieën, lichtflitsen die een veel grotere ruimte dan door de blik te vatten is, in volle gloed zetten. Hier worden proza en poëzie één.

We nemen nu even wat gas terug, want voordat je het weet, is de inhoud van dit mooie boek in exclamaties over de vorm ten onder gegaan. Je zou kunnen denken dat Matalon, als een kind van deze tijd, haar verhaal heeft opgehangen aan een constructie - een 'postmoderne' constructie misschien wel - die haar idee om met die familiekiekjes te werken als het ware vanzelf mogelijk maakte. Je zou kunnen vermoeden dat zij bewust 'literatuur' heeft gemaakt.

Maar het tegendeel is het geval. Wie Met het gezicht naar ons toe begint te lezen, ervaart een zodanige intensiteit van het vertelde dat je er, hoewel het over alledaagse, huiselijke dingen gaat - dingen die iedereen bij wijze van spreken meemaakt - niet meer van loskomt. Het is duidelijk dat de schrijfster een veelheid van middelen heeft aangewend om iets wezenlijks tot uitdrukking te brengen. Daarvoor pleit ook dat ze in haar roman een tweetal essays, van Jacqueline Cahanov, heeft opgenomen. Net als het verhaal van de jonge Esther gaan die over het vraagstuk van de identiteit. Meesterlijke essays overigens.

Matalon wilde geen 'literatuur'; zij wilde de waarheid boven water krijgen, over wat mensen bij elkaar houdt, wat ze met elkaar doet omgaan, en hoe. En vooral wat daarop de invloed is van culturele grenzen, tussen jong en oud, man en vrouw, kapitalist en werknemer, blank en zwart en zo verder, heel die zucht van de zich ontwikkelende moderne mens om met steeds grotere verfijning en 'wetenschappelijk verantwoord' aan te geven wat individuen van elkaar scheidt, en niet wat ze bindt.

Met de jonge Esther als hoofdpersoon in haar verhaal is dat nog niet zo eenvoudig. Opgegroeid in een joods gezin in Egypte - men mag daarin wat mij betreft een bijbelse connotatie zien - is ze al jong vertrouwd met een veelheid van culturen (Arabisch, koptisch, katholiek, Frans; ze leert als meisje al vroeg Frans en al haar vriendinnen op de middelbare school hunkeren naar een kennismaking met de Europese cultuur, in Parijs).

Met haar, en haar (familie-)achtergrond is het modieuze thema van de culturele verscheidenheid een haast vanzelfsprekend gegeven in dit boek. Maar daarmee is het nog niet oppervlakkig. Het wordt, om zo te zeggen, verdiept als Esther naar Kameroen vertrekt om daar voor enige tijd bij een oom en tante te gaan wonen. Oom is een zakenman die een hekel heeft aan zwarten, maar ook over de Levantijnse handelaren die hem bezoeken, is zijn oordeel niet mild.

Met hem, in Afrika, krijgt de joodse diaspora een exotisch koloriet, en de indringende geur van zwetende lijven, waarmee Matalon Esther de ogen opent voor de inktzwarte kern van haar verblijf daar: het racisme, dat ze in tal van gedaanten, onwillig, maar door haar concentratie haast gepassioneerd, observeert.

Geleidelijk aan, na de euforie van haar zo vakantie-achtige 'ontsnapping' aan Israël, komt ze tot het inzicht dat de tegenstellingen waarmee ze van jongs af aan heeft leren leven, niet versoepelen in de smeltkroes van culturen die ze in Afrika ervaart, maar zich op een benauwende manier verharden.

Zulke dingen kun je alleen beeldend op de lezer overdragen, moet Matalon hebben gedacht, en daarin slaagt ze, zonder zich op enigerlei wijze te forceren, voortdurend, met als hoogtepunt het moment waarop Esther in een door Matalon kunstig gecreëerde erotische sfeer oog in oog komt te staan met een zwarte jongen. Er lijkt iets tussen deze twee te gaan gebeuren. Maar dan ziet Esther de blik van de halfnaakte, zwarte man. En voor het eerst in haar leven ziet ze pure haat.

Maar hoezeer Esther door deze en andere ervaringen van haar wankele voetstuk geslagen lijkt te worden, haar relativeringsvermogen, haar eigenzinnigheid en haar gevoel voor humor houden haar overeind. Ze begint, terwijl de wereld om haar heen, ook die van haar familie, steeds chaotischer wordt - maar het is een geziene chaos, een te aanvaarden chaos - stukje bij beetje zichzelf te worden. Ze ontdekt haar 'identiteit'.

Dwars door de abstracties heen trachten het leven zoals het is het hoofd te bieden - dat is wat deze momentopname uit het leven van Esther kenmerkt. Ongetwijfeld is ze door Matalon naar haar eigen beeld en gelijkenis geschapen, en in die zin is dit een autobiografisch boek, wat er ook een sterke mate van authenticiteit aan geeft, maar door de vorm die Matalon 'gevonden' heeft, is dit boek veel meer dan een strikt persoonlijk levensverhaal. Altijd heb je het gevoel dat het ook over jouw familie gaat, of althans over onze tijd, waarin het individu, losgeraakt van vertrouwde culturele omheiningen als die van religie, nationaliteit of bloedverwantschap zelf zijn 'ik' moet scheppen.

Dat laatste is al meer dan een eeuw lang een thema in de literatuur (met als vroege hoogtepunten de romans van Pirandello, Wijlen Mattia Pascal, 1904, en Iemand, niemand, honderdduizend, 1927), maar daarmee is het nog niet uitgeput. Het 'familieverhaal' is een constante in de twintigste-eeuwse literatuur, vooral - het zal niet verbazen - bij joodse schrijvers (zoals recent bij Peter Nádas, of Marcel Möring om dichter bij huis te blijven).

De verklaring ligt, voor wie zijn ogen niet sluit voor de multiculturele werkelijkheid in zijn eigen omgeving, voor de hand. De wanhoop van de eenlingen die we geworden zijn, is voorlopig nog met geen pen te beschrijven. Het zal daarom steeds opnieuw geprobeerd worden. Zoals door Ronit Matalon, die op het eind van haar boek de lezer de troost schenkt van 'tante' Inès.

Als een nichtje van Esther, een verslaggeefster uit New York, deze tante, de moeder van Esther, professioneel tracht te interviewen om een beeld te krijgen van het verscheurde leven dat haar deel werd, krijgt ze alleen maar onbruikbare antwoorden. Tante Inès verhevigt niet de (joodse) ellende die Suzette ('Zuza') uit haar mond hoopt op te tekenen. Ze zwakt alles af.

'Vind je het jammer dat jullie Egypte hebben verlaten?', vraagt ze.

'Jammer?', vraagt mama verwonderd. 'Nee niet jammer. Ik heb wel heimwee, ik sterf van heimwee, dat wel, maar jammer vind ik het niet. Ons leven daar was afgelopen, Zuza.'

'Maar daar liggen jullie wortels, tante Inès, wat hadden jullie hier te zoeken?'

'Die wortels, wat nou wortels? De mens heeft een eigen plek nodig, Zuza, geen wortels.'

Voor Matalon is Met het gezicht naar ons toe zo'n plek geworden. Nu nog voor haar lezers.

Willem Kuipers

Ronit Matalon: Met het gezicht naar ons toe.

Vertaald uit het Hebreeuws door Shulamith Bamberger.

Ambo; 258 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 263 1470 1.

Meer over