'Ik ben de inconsequentie zelve'

Houdt hij nu van jongens of van meisjes? Van allebei? De hoofdpersoon in Dubbelliefde (Meulenhoff; ¿ 45,-) weigert te kiezen....

DE DAG nadat wij elkaar ten behoeve van dit interview hebben gesproken - uitvoerig, diepgravend, afwisselend gekscherend en bekvechtend - staat hij ineens op het antwoordapparaat. 'Met Adriaan', roept hij; het 'Van Dis' mompelt hij er achteraan, slordiger en zachter, als ontbraken de beginkapitalen en werd zijn achternaam uit een veel kleiner korps gezet dan zijn voornaam - als geneerde hij zich ervoor. 'Je hebt volkomen gelijk', zegt zijn uit duizenden herkenbare stem, welluidend, energiek, gepassioneerd als altijd. 'Ik heb er de hele nacht niet van geslapen en er nog een tijd over nagedacht. Uiteraard ben ik elitair. In Afrika heb ik mij ook beziggehouden met de elites. Niets intrigeert mij zo.'

Het betoog dat volgt, een lange, meanderende zin, wordt abrupt afgekapt door de apparatuur, die oordeelt dat de tijd nu verstreken is.

Wij hadden, naar aanleiding van zijn nieuwste boek, de roman Dubbelliefde, gesproken over de noodzaak te delen, gesloten systemen open te breken. Over kansarmen en geprivilegieerden, over het jongetje dat hij was en dat als enige leerling van een deftige school - 'particulier, grootvader betaalde alles' - niet naar het gymnasium mocht. Hij kon de woorden maar niet goed schrijven, draaide de letters om. 'Dyslexie, zoals dat tegenwoordig modieus heet.' Terwijl hij het heus wel gekund had. 'Vader dood, in de war, dus mulo.'

'Ik wil het jongetje dat ik vroeger was, niet afschrikken, het jongetje dat wel zocht, maar niet kreeg', zegt hij - en lepelt even gulzig als beschaafd een volgend exemplaar van de beeldschone petits fours weg ('Maison Van Wely, daar doet de koningin ook haar inkopen').

Hij groeide op in de benauwende jaren vijftig en werd volwassen in de jaren zestig, in de provo-tijd. 'Ik dacht dat dat een beroep was, provo: dat wilde ik later ook worden.' Het tarten van het establishment, het pesten van de gevestigde orde, hij had het verlekkerd gadegeslagen. 'Jan Cremer die op de televisie zei: 'Rembrandt? Rembrandt? Wie is dat?' Dat vond ik mooi.'

En dus weet nu inderdaad geen enkele middelbare scholier meer wie Rembrandt was, had de interviewer, jonger en schoolgegaan toen de flower power- generatie inmiddels al voor de klas stond, mismoedig tegengeworpen: 'Jullie hebben je zin gekregen, bedankt. Maar was dat wat je bedoeld had?' Nog geen 24 uur later dat telefoontje. Elitarisme, maar natuurlijk.

Dubbelliefde, inderdaad.

Dubbel in alles, in de liefde, in de omgang, thuis en in de samenleving. 'Excuseer dit huis', had hij gezegd bij het betreden van zijn kamers, 'ik woon hier slechts tijdelijk.' Maar wel alweer zeven jaar.

Dubbelliefde vertelt het verhaal van een niet met name genoemde hoofdfiguur die het provinciale Halfstad verruilt voor Amsterdam om te gaan studeren. De theaterschool, en als het daar niet de bedoeling blijkt ook werkelijk klassieke toneelteksten te gaan spelen, maar dat de actieve nabootsing van een parkeermeter de voorkeur verdient omdat dat veeleer een stuk betrokkenheid met de arbeidersklasse uitstraalt dan een nieuwe vertolking van Hamlet, vervolgens universitair. Ook dat valt niet mee, want de jongeman blijkt van poëzie te houden, van literatuur. Ook dat is suspect.

Hij komt terecht in een omgeving waar de knellende ketenen van Nederland en zijn burgermansmoraal worden afgeworpen en er van studeren niet veel komt. Hij raakt betrokken bij het politieke protest, dat zich in zijn geval richt op het kolonelsregime, ver weg in Griekenland - 'Maar het is evenzeer het Zuid-Afrika-comité en de anti-Franco-beweging.' Hij mag van de doorgewinterde en verbeten communisten die zijn kameraden in de strijd lijken te worden, een bom plaatsen bij het kantoor van Olympic Airways, aan het Leidseplein. Niemand zal hem, keurige jongeman in dito kleding, immers verdenken.

Hij wil het en hij wil het niet, hij durft en hij aarzelt - en hij doet het, ten slotte, zij het alleen maar om er indruk mee te maken op een vriend.

Tegelijkertijd raakt hij verzand in het moeras van de seksuele identiteit: houdt hij nu van jongens of van meisjes? Zoals zijn oproerige vrienden duidelijkheid van hem eisen als het om zijn betrokkenheid met de verworpenen der aarde gaat, zo proberen de homo's in zijn omgeving hem evenzeer tot duidelijkheid te dwingen als de hetero's.

De tocht van de jongeman, die allengs eenzamer wordt, voert langs de zelfkant van de samenleving - en naar een nog iets verder gelegen kant van de cohabitatie. Homobars, leernichten, dronken oude vrouwtjes die met hun slappe en onreine billen in een bakje bami tuimelen voordat tot enige actie kan worden overgegaan: niets blijft de hoofdfiguur en in hem de lezer bespaard.

'Er is ontzettend weinig over biseksualiteit geschreven', zegt de schrijver. 'En de weinige boeken die er over zijn, gaan eigenlijk allemaal over homoseksuele mannen. Getrouwde mannen die daarnaast ook nog homoseksueel zijn. Haast nooit gaat het over de eenling die zegt: het is het een en het ander.

'Omdat schoonheid voor mij de leidraad in het leven is, zie ik niet in waarom de schoonheid van de vrouw en die van de man tegen elkaar afgewogen zouden moeten worden. Ik bedoel daarmee de schoonheid in zeer brede en overdrachtelijke zin, de schoonheid van de vriendschap, van het gesprek, de schoonheid van de lelijkheid zelfs: ik vind niets zo mooi als de hoogovens bij IJmuiden. Als het maar gaat over een mate van kwaliteit, van deugdelijkheid, omdat het solide is, met inzicht en overtuiging gemaakt.

'Dat vind ik belangrijk en dus kan ik al die grenzen ook niet trekken.

'Dat een man niet met een man gearmd op straat kan lopen, dat vind ik ridicuul. In de Arabische cultuur kan dat wel.'

D E HOOFDFIGUUR in Dubbelliefde kiest niet, of liever gezegd: hij kiest naar gelang de omstandigheden hem tot een keuze dwingen. Bij de homo's is hij homo, bij de hetero's hetero - en nooit met volle overgave.

'Te vaak hoor je over de biseksualiteit: dat is een nicht die het niet weten wil. Het is een cliché, maar tegelijkertijd maar al te waar, dat de heteroseksueel die op een avond als hij te veel gedronken heeft een man begint af te likken, eigenlijk een homo is. Nooit hoor ik het omgekeerde van een homo die met vijf glazen op gaat rokken jagen: kijk, dat is een hetero die het niet weten wil. Het is de grotestadsmentaliteit: wij zijn bevrijd, hij nog niet.

'Maar wat als je het echt niet weet, omdat er iets niet te weten valt?

'De jongeman in Dubbelliefde wil grenzeloos zijn. Hij denkt dat hij iemand is die geen keuzes hoeft te maken. Dat is uiteindelijk een laffe houding. Hij denkt overal bij te kunnen horen, want hij kan iedereen zijn. Maar dat is een onmogelijkheid. Je moet uiteindelijk zeggen: dit kan ik, dit ben ik, dit doe ik. Het gaat om de beperkingen die je jezelf oplegt.'

In zijn hoogstpersoonlijke worstelingen worden de voor- en nadelen van het kiezen verkend, eigenschappen die verder reiken dan de seksualiteit.

'Als biseksueel kon ik een spion zijn, afwisselend doordringen in het andere milieu. Dat is in feite al de houding van de schrijver - en ik heb dit boek ook geschreven om iets te verkennen. Ten slotte vindt de hoofdpersoon een soort troost in het schrijverschap.'

Maar de omgang daarmee is moeilijk. De omgeving verlangt duidelijkheid: ook hij, de schrijver, heeft het ondervonden. En als die duidelijkheid er is, is het weer niet goed.

'Toen ik bij de NRC werkte, werd op de redactie geklaagd over iemand als Jacq Heijer, de toneelcriticus. Dat was iemand die met zijn homoseksualiteit te koop liep, rellerig en nichterig. Juist in een omgeving waar je dat niet zou verwachten - 'Lux et libertas', nietwaar - stiet dat op weerzin.

'Die dubbele houding, solitair te zijn en ergens bij te willen horen, daar gaat het om. Het is kennelijk moeilijk voor ons allemaal om om te gaan met mensen die zich duidelijk manifesteren, of ze nu van adel zijn en in hun prachtige buitens wonen rondom Zutphen en Eefde, een sluier dragen of een pijjurk - alles wat zich duidelijk manifesteert, beangstigt ons. Dat willen we een etiket geven en in een hoekje zetten. We verlangen van elk van ons dat we wat hoekig en puntig is, thuislaten, we mogen ons in de algemene brij min of meer bewegen.'

Wat voor de biseksualiteit geldt, geldt voor de hele samenleving: de schokkende ervaringen, de wankelmoedigheid en de zoektocht van de hoofdfiguur uit Dubbelliefde zijn in zekere zin emblematisch voor een heel scala van actuele vraagstukken. Wat is er van het engagement geworden waarin hij werd ondergedompeld? Is de eenzaamheid van het schrijverschap het laatste woord?

'Ik weet het, ik weet het', verzucht de schrijver, 'ik ben de inconsequentie zelve. Het gaat om dingen die nog open zijn en waar ik al schrijvend een antwoord op probeer te ontdekken. Ik zag een jongeman in Hamburg, met een zwaar getatoeëerd gezicht - ik heb hem ook in mijn boek nog laten opdraven. Hij was verpleger van beroep en was ontslagen vanwege die versieringen. Daar had hij geen enkel begrip voor, terwijl ik onmiddellijk aan mijzelf als patiënt moest denken: je ontwaakt uit je operatie, ligt oog in oog met die boeman en je schiet meteen terug in coma.

'Waarom toch die behoefte zich zo toe te takelen, zodanig dat je je uitsluit van een groter geheel. Waarom is dat tegelijkertijd een uiting van 'accepteer mij zoals ik ben!'

'Dat is ongelofelijk fascinerend. Waarom wast de zwerver zich niet? Misschien is hij getroubleerd, misschien is het Korsakov, zelden is het een bewuste daad. Veel mensen komen in situaties terecht die zij zelf niet gewild hebben, en toch is het afwijkende vaak van een schreeuwende aanwezigheid. Het 'ik ben niet zoals jullie' is tegelijkertijd een demonstratie van het verlangen juist te worden toegelaten tot die andere wereld. Je ziet het steeds meer, dat allerlei mensen codes zoeken waarachter zij zich kunnen verbergen. Dat kan de code zijn van het zich conservatief kleden, maar ook de code die maakt dat we zo geweldig ordinair aan het worden zijn, het blinkende goud en de blauwe tatoeages die je ziet op de stranden van Zandvoort en Bloemendaal.

'Het is alsof iedereen iets wil uitdragen, of er een tribaal verlangen in uitdrukt. Ik probeer het te begrijpen, ik onderzoek het al schrijvend, maar ik kan er niet dieper over worden, filosofischer, er een groter geheel van maken dat niet meteen door mij wordt kapotgemaakt.'

Is dat niet enigszins merkwaardig, dat verlangen om te begrijpen en te beheersen - voor iemand die ooit dacht dat 'provo' een benijdenswaardig beroep was? Is niet eenvoudig de behoefte te provoceren volledig gedemocratiseerd? Is hij bang voor hen geworden?

'Ik ga ze wel uit de weg, ja, dus dat zal wel angst zijn. Maar ik vind het vooral jammer. Want vroeger had het nog een zekere ideologische lading. Als die er nu is, dan is die door intellectuele waarnemers bedacht; de betrokkenen zelf zijn zich er helemaal niet van bewust. Wij weten niet werkelijk hoe het er toegaat, in de grote steden van de Verenigde Staten en in de voorsteden van Parijs, want wij houden ons op in Manhattan en in Parijs in de keurige vijfde, zesde en zevende arrondissementen. Maar het broeit er. Het gaat er om jatten, stelen, auto's in de fik steken, kapotmaken: daar is weinig ideologie aan.'

'H ET GAAT om mensen die gehoord willen worden, die hun aanwezigheid kenbaar willen maken. Ze rijden in hun zwarte auto's rond, de ramen open, met hun irritant dreunende muziek. Is dat louter onbeleefdheid, onbeschaafdheid? We moeten de wereld delen met steeds meer mensen; nieuwe regels, andere zeden dienen zich aan. Ze gedijen in de korst van armoe om de stad, in de betonnen voorsteden waar we de 'overtolligen' naartoe hebben verbannen. In de weekends komen ze braken en pissen in de oude stad. Amsterdam is hun pretpark en de gemeenteraad, waar de incompetentie hoogtij viert, kan het niet beheren. Ik begrijp hun woede, al zit er geen enkele ideologie achter.

'Zie hoe de uitgestotenen wonen in de voorsteden van Parijs of Londen: honderden flats zonder balkon. Ga er eens kijken op zondagmorgen, en je ziet de treurige jasjes uit de ramen hangen. Als die mensen niet eens hun jasje kunnen luchten, hoe moeten ze dan ooit hun gemoed luchten?'

Draait het welbeschouwd niet om iets anders: is het niet de gêne van de biseksuele hoofdfiguur in Dubbelliefde die hem zo eenzaam maakt en, in het verlengde daarvan, de schaamte van de elite om te zeggen wat mooi is en wat lelijk, wat goed en wat kwaad, die deze narigheid heeft bewerkstelligd? Pretpark Nederland is toch ontstaan bij gebrek aan weerwerk? Philip de Montebello, de flamboyante directeur van het Museum of Modern Art, schreef twee jaar geleden een pamflet onder de titel The Importance of Being Elitist: is het gebrek aan lef niet het werkelijke probleem, het onvermogen te kiezen en te staan voor een keuze?

'Blijkbaar geneert de elite, waartoe ik helaas ook behoor, zich voor zijn eigen cultuur', verzucht de schrijver. 'Men durft niet meer te zeggen: geniet ervan, neem het tot je, want dit draagt bij. Dat is inderdaad een beetje wat ik in dit boek probeer te zeggen: men kan geen hoofdweg kennen zonder de zijwegen eerst te verkennen - dat is van Camus: ik zeg het er tegenwoordig maar bij. Ik wil laten zien dat die lust op zichzelf tot niets leidt en dat we met elkaar zouden moeten proberen iets te vinden dat inhoud aan ons leven geeft.

'We hebben de godsdienst afgeschaft; laten we hopen dat dat ons van iets bevrijd. Maar daarmee hoeven we toch niet ook de schoonheid af te schaffen, de kunst, de cultuur, de architectuur.

'Maar wat is dat dan, is vervolgens het weerwoord - dat bepaal jij zeker, met je elitaire deel. Wij vinden het leuk om de hele avond te hiphoppen. En dat is ook weer waar - dat is het vreselijke: ik wil niets uitsluiten.'

Er zijn er, tegenwoordig, die in een terugblik op de zogenaamde verworvenheden van de soixante-huitards, een terugkeer bepleiten naar orde en discipline. Hoe lang kun je een keuze uitstellen?

'Als ik Nelleke Noordervliet lees, die zegt dat de mensen beter hun best moeten doen, dat er eisen gesteld moeten worden - die boeken moeten gelezen worden -, dan bewonder ik die strengheid. Ik mis de betrokkenheid en het enthousiasme evenzeer. Maar ik wil niet bij een elite horen die er problemen mee heeft te delen, mee te delen. Ik zal nooit vergeten hoe die Poolse componist, Henryk Górecki jubelkritieken kreeg - totdat er, om een onbegrijpelijke reden, plotseling een stuk van hem in de toptien van de hitparade terecht kwam en door vele mensen werd beluisterd. Toen deugde er ineens niks meer van en werden zijn stukken in het Holland Festival neergesabeld. Pavarotti kon goed zingen zolang hij in het Concertgebouw stond, toen hij in de RAI kwam, was zijn stem ineens een stuk minder.

'Als meer mensen toegang krijgen, sluit ze dan niet uit. Dat prachtige medium televisie wordt door de intellectuelen in de steek gelaten. En als ze erop komen, dan is dat na twaalven: dat moet van de televisiebazen. Maar jij catert toch niet voor werklozen? De leraren die dat programma moeten zien, liggen al in bed, want die moeten de volgende morgen om half acht weer op. In die zin generen we ons blijkbaar. Misschien moeten we ons ermee troosten dat niet alles voor iedereen toegankelijk ís.'

Nog geen etmaal later deelt hij zijn twijfels mee.

Meer over