Hormonen sturen de vetverdeling

Geslachtshormonen bepalen waar het lichaam overtollig vet opslaat. Onderzoek onder transseksuelen bevestigde dit...

BIJ VROUWEN zit het op heupen en dijen, bij mannen op en in de buik. Overtollig vetweefsel; mannen en vrouwen slaan het op verschillende plaatsen op. Hoewel vooral vrouwen zich zorgen maken over hun peervormige lichaam, zijn het vooral mannen die met hun 'buikje' gezondheidsrisico's lopen. Vet dat is opgeslagen in de buikholte, geeft een verhoogde kans op hart- en vaatziekten en op type II suikerziekte (ouderdomssuiker).

Vrouwen hebben meer vet op hun lichaam dan mannen: gemiddeld 25 procent tegen mannen 15 procent. Mannelijk en vrouwelijk vet verschillen bovendien van elkaar. Het mannelijke buikvet kan snel worden aangesproken; het vrouwelijke vet is veel moeilijker te mobiliseren, zegt onderzoekster Jolanda Elbers. Elbers deed research naar de invloed van geslachtshormonen op de vetverdeling tussen mannen en vrouwen. Op haar onderzoek promoveert zij op 10 september aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

'Van vet op de heupen en dijen hebben we weinig last. Maar bij een overmatige vetmassa in de buikholte - tussen allerlei organen - kunnen de vrije vetzuren via de poortader in de lever terechtkomen. Door verstoring van de leverstofwisseling kan dat leiden tot een verminderde gevoeligheid voor insuline en een ongunstige verandering in het cholesterolgehalte in het bloed.'

Om te achterhalen hoe groot de rol is van geslachtshormonen bij de vetverdeling en de daaraan gerelateerde gezondheidsrisico's, volgde Elbers een groep jonge, gezonde en niet dikke transseksuelen, vóór en tijdens het eerste jaar van hun behandeling met geslachtshormonen. Door de hoge doseringen met deze hormonen komen ze in een versnelde puberteit.

Met behulp van MRI (Magnetic Resonance Imaging) werden dwarsdoorsnede-scans van buik, heup en dijen gemaakt. Daarbij werden de veranderingen in vet direct onder de huid en in de buikholte gemeten. Ook werd de activiteit van de vetcellen bestudeerd en werden bloeddruk, suiker- en vetstofwisseling in het bloed gemeten.

De man-naar-vrouw transseksuelen kregen vrouwelijke (oestrogenen) en anti-mannelijke (anti-androgenen) hormonen toegediend. Het onderhuidse vet op heupen en dijen nam bij deze groep transseksuelen sterk toe. Ze kregen een vrouwelijker vetverdeling.

Bij vrouw-naar-man transseksuelen, die werden behandeld met het mannelijk hormoon testosteron, nam het onderhuidse vet op heupen en dijbenen af, waardoor zij een mannelijker vetverdeling kregen. Het vet in de buikholte nam bij allebei de groepen iets toe.

De behandelde transseksuelen kregen dus de vetverdeling die hoorde bij het gewenste lichaam. De relatie tussen geslachtshormonen en vetverdeling was dus duidelijk. Dat gold niet voor de relatie tussen de nieuwe vetverdeling en de gezondheidsrisico's, zegt Elbers.

'Door de toediening van geslachtshormonen traden weliswaar veranderingen op in risicofactoren voor de gezondheid, zoals bloeddruk, de HDL-cholesterolspiegel en insuline-resistentie, maar zonder een duidelijke relatie met de veranderde vetverdeling.'

De directe effecten van de geslachtshormonen zelf lijken daarmee belangrijker voor het gezondheidsrisico dan hun effect via de verdeling van vet over het lichaam, zegt Elbers.

'In hoeverre de veranderde vetverdeling op den duur het gezondheidsrisico beïnvloedt, kon met dit onderzoek nog niet worden vastgesteld. Daarvoor was de tijd te kort en spelen bovendien ook andere factoren, zoals erfelijkheid en voeding, een rol.'

Meer over