Honden

'Een hond is een soort verkorte afspiegeling van je eigen bestaan', vindt schrijver Jan Siebelink. 'In twaalf, veertien jaar groeit hij op, wordt oud en gaat dood.' Siebelink over zijn viervoeters Tikker en Jip....

1. Mijn eerste hond is me overkomen. Op de ochtend van de dag waarop mijn moeder werd begraven, maakte ik een wandeling en zag een kleine beige windhond met een stuk of wat puppy's van zes weken oud. Impulsief heb ik er een gekocht. Dat was Tikker. In mijn jeugd had ik altijd poezen. De whippet heeft overigens veel van een kat. Hij likt zichzelf helemaal schoon, ruikt ook niet naar hond. Zit tuttig op de vensterbank naar buiten te kijken. Ik vind het een prachtig ras, heel stijlvol en elegant. Om te ontdekken wat voor honden er allemaal zijn en welk soort je aantrekt, kun je naar een hondententoonstelling gaan. Daar zie je zo'n beetje alle gangbare rassen bij elkaar. Ook via de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied te Amsterdam zijn de adressen van alle rasverenigingen te krijgen. Hoe onvoorstelbaar ook voor dierenliefhebbers, het gebeurt vaak dat mensen voor ze met vakantie gaan hun hond achterlaten in het bos. Als je goed wilt doen, is het dus niet zo gek een hond uit een asiel te halen. Er is wel een risico aan verbonden, omdat je niet weet hoe het beest is behandeld. Hij kan verwaarloosd zijn of juist erg verwend.

2. In 'overpeinzingen van een bramenzoeker' noemde R.N. Roland Holst zijn hond 'een wever van rust'. Ook ik heb mijn hond nodig om m'n geest te ontspannen. Als ik aan een boek of artikel bezig ben, is mijn hoofd vaak vol van gedachten. Diep in het bos kan ik die allemaal aan hem kwijt. Een hond verplicht je ook tot fysieke beweging. Vooral vrouwen zien er vaak tegenop om alleen te gaan wandelen. In het bos hebben ze aan een hond een goede lijfwacht en als ze gewoon op straat lopen, hoeven ze niet bang te zijn dat mensen denken: 'Hé, wat doet dat mens daar?' Met een hond heb je een doel en een reden om naar buiten te gaan. Je moet wel de tijd hebben hem minstens een uur per dag rustig uit te laten. Dertig meter naar de brievenbus is niet voldoende. Hij moet lekker kunnen snuffelen en liefst ook een beetje kunnen rennen.

3. Als je buiten loopt met je hond, moet je hem uit veiligheidsoverwegingen aan de riem houden tot je in het bos of het 'losloopgebied' bent. Daar laat je hem vrij rondrennen. Je staat weleens angsten uit als er een roedel van drie bakbeesten komt aanstormen, maar de hond moet leren omgaan met soort genoten en het beste is dus om de neiging te onderdrukken hem snel weer aan te lijnen. Meestal gaat het goed.

4. Tikker kreeg altijd ouderwets kopvlees te eten, gemengd met droogvoer. De slager waar we dat kopvlees kochten is verhuisd en Jip, de opvolger van Tikker, krijgt gewoon kant-en-klaar-voer, waar alles in zit wat hij nodig heeft. Ik hou er ontzettend van de hond te verwennen. Als ik iets lekkers zit te eten, krijgt hij ook wat. Een hond hoeft geen nuttig lid van de maatschappij te zijn, maar moet gewoon een fijn leven hebben, met mij samen.

5. Een hond heeft in zijn blik en gedrag soms zoiets menselijks, dat je niet verbaasd zou zijn als hij je opeens in mensentaal zou aanspreken. Mocht dat ooit gebeuren, dan zal ik mijn vrouw roepen en zeggen: 'Hij heeft zojuist een menselijk woord gesproken.' Maar daarna zal hij het nooit meer doen. Ik zal de enige zijn die het weet. Maar hoe sterk ook de verwantschap, mijn hond moet 's avonds voor we gaan slapen naar beneden in zijn mand. Het is een vast ritueel; zo dek ik hem altijd even toe. Een mand moet lekker zacht zijn. In die van Jip ligt een kussentje en een lap waar hij 's nachts aan kan knauwen als hij onrustig of bang is.

6. behalve ontelbare boeken over verzorging en opvoeding zijn er ook veel prachtige verhalen en romans over honden geschreven. Dan heb ik het vooral over de Angelsaksische cultuur, want wij kennen die traditie niet dat honden als roman figuur worden opgevoerd. Bij Barnes and Noble op de Fifth Avenue in New York heb je een hele wand met honderden recent verschenen romans over honden. Daar vond ik bijvoorbeeld My Dog Skip van Willie Morris, in 1995 verschenen bij Vintage. Een schitterend verhaal.

7. Het is mooi om te zien hoe jonge hondjes speelse schijngevechten voeren, heel fel, zonder elkaar pijn te doen. Voor Tikker heb ik ooit een kameraadje gekocht vanuit het romantische idee dat het leuk voor hem zou zijn gezelschap te hebben van een soortgenoot. Een jong beestje dat hij wegwijs zou kunnen maken in de wereld. Het was een drama. Hij was verdrietig, verbitterd, bang. Hij speelde niet meer en at niet meer. Na drie dagen besloot ik de pup terug te brengen. Tikkers enige echte speelkameraad was ik. Stokken apporteren vond hij machtig. Jip is dol op een plastic bal met een piep erin. Als er bezoek is en hij wil na een tijd weer eens wat aandacht, legt hij het balletje voor mijn voeten.

8. Als je de keus hebt, neem dan een dierenarts die een beetje vriendelijk en sympathiek is. Soms zijn ze heel zakelijk en kan er geen aardig woord van af. Het is leuk als een dierenarts zegt: 'Wat is het toch een schattig beest' of 'wat staat hij er mooi bij'. Jip heeft een chip onder zijn huid waar al zijn gegevens op staan. Als ik langskom omdat hij gebeten is, ziet de dierenarts meteen dat het tijd is voor een ontwormingskuur of inenting.

9. Als je je hond wilt meenemen op vakantie, moet je er rekening mee houden dat op campings, in hotels en in vakantiehuisjes honden lang niet altijd zijn toegestaan. Ook een hond mee nemen in een vliegtuig is lastig. Er zijn natuurlijk hondenpensions en vast ook goede, maar ik heb er geen ervaring mee. Mijn hond gaat zoveel mogelijk overal mee naar toe. Toen ik Tikker had gekocht, lag mijn vrouw in het ziekenhuis. Ik heb hem onder mijn jas naar binnen gesmokkeld en over haar bed laten kruipen. Ik nam hem ook weleens mee naar de school waar ik les geef, tot ergernis van sommige collega's.

10. Een hond is een soort afspiegeling van je eigen bestaan. Een toonbeeld van hoe het leven gaat. In twaalf, veertien jaar groeit hij op, wordt oud en gaat dood. Tikker is uit zichzelf gestorven, zonder pijn. Wel had hij op het laatst allerlei kwaaltjes. Hij was stijf en stram, kon niet meer in de auto springen en leed aan groene staar. Ik vroeg me vaak af of hij zich ervan bewust was dat hij ooit een jonge god was geweest die zestig kilometer per uur kon rennen. De dag dat hij overleed hebben we nog een haring voor hem gehaald, waar hij ontzettend van genoten heeft. Twee dames van de dierenambulance kwamen hem halen. Ze legden hem op een klein draagbaartje met een wit laken, en vroegen wat er met hem moest gebeuren. Tegen een kleine vergoeding kon hij worden gecremeerd, ergens bij Rotterdam. Later kregen we bericht dat hij samen met een papegaai, een kip en een konijn de verbrandingsoven is ingegaan.

Meer over