ColumnJasper van Kuijk

Hoe komen we af van het onderscheid tussen hoog- en laagopgeleid?

null Beeld

De nieuwe rector van de Erasmusuniversiteit, Annelien Bredenoord, heeft een hekel aan het onderscheid tussen hoog- en laagopgeleid en houdt het liever op praktisch en theoretisch. In de Tweede Kamer werden eerder al moties ingediend van soortgelijke strekking, recent nog door Boer Burger Beweging en Bij1, die pleitten voor praktisch (mbo), theoretisch (hbo) en wetenschappelijk (wo). Alleen hebben deze indelingen óók haken en ogen.

Vooropgesteld, naamgeving beïnvloedt ons beeld. Zo is er het beroemde voorbeeld van de Fiat Croma. De journalist van Autoweek die in 2008 een gefacelifte versie ervan testte kreeg van iedereen complimenten voor zijn mooie waggie, tot ze de naam op de achterklep zagen staan. Toen smolt het enthousiasme weg als bakboter in een hete braadpan. En toeval of niet, beide versies van de Fiat Croma, op de markt tussen 1986 en 1995 en tussen 2005 en 2011, haalden in Nederland nooit een marktaandeel hoger dan een kwart procent. De Fiat Marea, het model dat tussen beide Croma’s dat marktsegment bediende, haalde maximaal 0,9 procent. Dus óf beide modellen Croma’s waren duidelijk minder aantrekkelijk, of die naam deed toch wel iets. Dus ja, branding doet ertoe.

Grondstof

Alleen wringt er iets bij het voorstel om universitair opgeleiden voortaan wetenschappelijk of theoretisch opgeleid te noemen. Want ik zie op technische universiteiten een groot aandeel zeer praktisch ingestelde studenten rondlopen. Die willen een probleem oplossen. En daarbij zijn wetenschappelijke inzichten, theorieën, modellen een grondstof, maar niet – zoals bij wetenschap – het doel. En er wordt ontworpen, gebouwd, getest. Zeer praktisch allemaal. En ook huisartsen en leraren zijn uiteindelijk praktijkmensen. Iemand die gebruik maakt van theorie en wetenschappelijke inzichten is niet per se niet-praktisch. Zoals sociaal wetenschapper Kurt Lewin zei: ‘Niets is zo praktisch als een goede theorie.’

Bovendien loop je het risico, als je al het universitair onderwijs kwalificeert als theoretisch of wetenschappelijk, dat je potentiële studenten met een meer praktische instelling afschrikt. Dat ze denken: oké, ik ga niet naar de universiteit, want daar zit je alleen maar te denken.

null Beeld

Ik snap de weerzin tegen het onderscheid hoog- en laagopgeleid. Het suggereert een hiërarchie, terwijl het in de basis andersoortige opleidingen zijn. Dus logisch dat er gezocht wordt naar een genuanceerdere naamgeving. Misschien is de neutraalste beschrijving wel de lengte van de opleiding. Het traject naar een universitair diploma duurt inclusief vooropleiding langer dan een beroepsopleiding. En misschien wil je ook nog aanduiden of een opleiding meer theoretisch of praktisch is, of beide. Maar goed, je kunt je afvragen of ‘langdurig praktisch-theoretisch opgeleid’ wel zo’n werkbare – en aantrekkelijke – kwalificatie is.

Ik weet ook niet precies wat de oplossing is. Ik weet wel dat het bij het ontwerpen belangrijk is om ook oog te hebben voor de mogelijke negatieve neveneffecten van de nieuwe oplossing. Dat weten we zowel uit de theorie als de praktijk.

Jasper van Kuijk op Twitter: @jaspervankuijk

Meer over