Hoe een grote taal klein bleef

Nederlanders zijn niet geneigd hun eigen taal internationaal erg belangrijk te vinden. En dat terwijl het Nederlands een wereldtaal had kunnen zijn....

HET Nederlands behoort tot de grotere talen. Met 21 miljoen sprekers staat het op de 35ste plaats in de wereldranglijst, die zesduizend talen omvat. Er zijn dus slechts 34 talen die worden gesproken door meer mensen.

En dan hebben we het nog alleen over het aantal sprekers. Kijken we naar het cultureel en politiek belang, dan scoort het Nederlands nog beter. Weegt het gemiddelde opleidingsniveau van die sprekers mee, de publicaties en het aantal uren radio en televisie in deze taal, dan komt het Nederlands op de twaalfde plaats van de wereldranglijst.

Kunnen we dan nu ophouden met doen alsof het Nederlands een onbenullig klein taaltje is? Aldus taalkundige dr. Kees Groeneboer. Die mag deze cijfers graag op een rijtje zetten wanneer er weer eens discussie is over het internationaal belang van het Nederlands. Zoals de afgelopen drie dagen, tijdens een conferentie in Brussel over de positie van de kleine talen in de Europese Unie. De Nederlands-Vlaamse Taalunie organiseerde daar over dit onderwerp de bijeenkomst Institutional Status and Use of National Languages in Europe.

Taalpolitiek is een terugkerend onderwerp van gesprek in de Europese Unie. Zo'n 1,5 procent van het EU-budget gaat zitten in het vertaalcircuit. Iedereen kan in plenaire vergaderingen praten in zijn moedertaal, en iedereen hoort het gezegde in zijn eigen taal. Omslachtig en duur, vinden critici. Kan niet iedereen gewoon in het Engels communiceren, dat leert iedereen toch op school?

Tegen die gedachte komen Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje in opstand. Het belangrijkste argument voor het mogen hanteren van de eigen taal is emotioneel, denkt Groeneboer: je land wordt in de unie een tweederangs staat als je taal op de werkvloer wordt afgeschaft.

Dat argument snijdt historisch gezien beslist hout, stelt de taalkundige, die voor deze conferentie overkwam uit Jakarta. Daar is hij gestationeerd door de Taalunie, onder meer om aan de Universitas Indonesia twintig docenten Nederlands bij te staan.

Nederland staat altijd voorop om zijn taal meteen in te leveren, betoogt Groeneboer. In internationaal politiek verband vinden Nederlanders het prima een andere taal te moeten gebruiken.

Die houding is goed stom, vindt Groeneboer. Nooit zijn Nederlanders zo zelfverzekerd over hun taal dat ze die serieus willen uitdragen, verdedigen, koesteren. 'Altijd zijn ze bang voor nationalistisch versleten te worden. Of ze vinden het Nederlands cultureel niet interessant genoeg.'

Als ze het in het verleden slimmer hadden aangepakt, is de stelling van Groeneboer, had het Nederlands een wereldtaal kunnen zijn, vergelijkbaar met het Frans of het Portugees. Een taal die wereldwijd door miljoenen mensen zou worden gesproken. Niet alleen door Surinamers, door Antillianen en in afgeleide vorm in Zuid-Afrika, maar ook door Indonesiërs, wie weet door wat Japanners, door Chinezen op Taiwan, en op Sri Lanka. Want zover strekte het koloniale gezag van Nederland ooit.

Groeneboer publiceerde in januari het boek Gateway to the West. Daarin vult hij zijn eerdere onderzoeksresultaten naar het Nederlands in Indonesië aan met vergelijkingen met de koloniale taalpolitiek van andere mogendheden, die wel hun taalgebied uitbreidden.

Hoe komt het dat het Nederlands géén wereldtaal is geworden, wil Groeneboer weten. Of ten minste: hoe komt het dat men zelfs in Indonesië nauwelijks of geen Nederlands spreekt. Dat ligt aan een groot aantal factoren en omstandigheden. De belangrijkste is dat in Indië bij de komst van de Hollanders, in de zeventiende eeuw, geen behoefte bestond aan een nieuwe lingua franca, een omgangstaal die iedereen spreekt ongeacht zijn eigen taal. In het westen van de archipel gebruikte men namelijk al het Portugees van de vorige koloniale mogendheid. En in het oosten sprak men Maleis.

Desondanks werd er in de jaren vijftig van de vorige eeuw over gedacht op brede schaal onderwijs te gaan geven in het Nederlands. Daar werd zowel om politieke als om financiële en praktische redenen vanaf gezien. Praktisch lag het probleem eenvoudig: er waren maar een paar honderdduizend Nederlanders in Indië, dat een miljoenenbevolking bezat. Er waren domweg niet genoeg Nederlandstalige onderwijzers.

MAAR al had het gekund, dan nog had de koloniale overheid niet gewild dat iedereen Nederlands leerde. Die taal leren was voorbehouden aan de Nederlandse kinderen en aan de kinderen van de Indische elite die in dienst was van de Nederlanders. De massa Nederlands leren, dat was vragen om moeilijkheden. De inlanders zouden zo maar boeken kunnen lezen over kolonialisme en imperialisme, over democratie, socialisme en communisme. Hou ze dom, kortom, dan komen ze ook niet op het idee in opstand te komen. 'En', grijnst Groeneboer, 'daarin stak nog een kern van waarheid ook.' Want de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging - die in 1928 koos voor het Maleis als voertaal opdat het volk haar verhaal zou kunnen begrijpen - kende Nederlands en had deels zelfs in Leiden gestudeerd.

Geen van de argumenten die de taalpolitiek van andere koloniale mogendheden bepaalden, werd door de Nederlandse overheid valide gevonden. De bevolking kerstenen zou volgens de Spaanse overheid juist beter gaan in het Spaans, om de nuances van de godsdienst te kunnen behouden. De Nederlanders wilden alleen de niet-moslims kerstenen, en dat was relatief een klein deel van de bevolking.

De Amerikanen meenden op de Filipijnen de democratische principes beter te kunnen uitleggen in het Engels. De Britten achtten hun cultureel erfgoed verheven boven dat van de Indiër, dus moest die Engels leren om er kennis van te kunnen nemen. De Nederlanders wilden de eeuwenoude Aziatische cultuur juist respecteren.

Zo hadden de Nederlanders toen al tal van argumenten om anderen niet lastig te vallen met hun taal. En feitelijk redeneren de Nederlanders nog altijd zo. 'Die houding is in de Europese Unie vandaag de dag niet verstandig', stelt Groeneboer. Hij pleit voor het Engels als lingua franca in de unie, of voor het behoud van alle talen op de werkvloer. Alleen zo kan een onvermijdelijke splitsing in dominante en ondergeschikte taalgebieden worden voorkomen.

Meer over