ColumnPeter Middendorp

Het zegt weinig goeds over mijn karakter, maar zelden genoot ik meer van andermans pijn

null Beeld

Tijdens wandeltochten ergerde ik me steeds feller aan tegemoetkomende voetgangers, die geen stap opzij willen zetten, en hardlopers die vlak langs je rennen en je achterlaten in een wolk verontwaardiging en Engelse aerosolen. Met rasse schreden kwam het moment dichterbij, dacht ik, dat ik eens dwars door zo’n duo wandelaars heen zou banjeren, jong of hoogbejaard, dat maakte niet uit, of een jogger eens venijnig zou laten struikelen.

Stiekem verlangde ik naar het moment dat iemand me in het voorbijgaan eens zou aanhoesten of -niezen, zodat ik eindelijk eens gerechtvaardigd kon gaan slaan en schoppen. Maar toen het eenmaal gebeurde – ik stapte opzij voor een hardloper, die me niet ruim passeerde, maar kort, en me niet toeknikte, maar toehoestte – stond ik hem met open mond na te kijken. Zonder een woord. Gelukkig ook zonder adem te halen.

Potverdomme, dacht ik. Dit was mijn moment. Het moment waar ik al een heel coronajaar op wachtte. En wat deed ik? Ik sloeg niet. Ik schopte niet. Ik rende hem niet achterna om hem in de sloot te duwen. Was ik dit? Was dit alles wat ik te bieden had? Dienden geweldsfantasieën dan toch vooral om je in het echt van geweld af te laten zien, omdat de fantasie ook toont wat er na het geweld gebeurt, de schade en de gevolgen?

Twintig minuten later kwam ik de hoestende jogger opnieuw tegen. Ditmaal wilde hij me tegemoet rennen over een smal bruggetje, dat nauwelijks breed genoeg was voor één persoon. Ik liep al over dat bruggetje, maar omdat ik zag dat hij zich daarvan niets zou aantrekken, stapte ik toch maar weer van de brug af en ging op een afstandje in de berm staan wachten tot hij klaar was met de wereld en de brug op te eisen.

Misschien was het karma, het wrekende lot, mijn geluksdag, plaatselijke gladheid of een combinatie van de factoren, maar toen hij van het bruggetje afrende en rechtsaf wilde slaan, schoven ineens een voet en een been onder zijn romp vandaan, waarna hij even horizontaal in de lucht bleef hangen, voordat hij vol met zijn hoestende muil op het bruggetje en het trapje ernaast klapte; alle ledematen lagen door elkaar.

Het zegt weinig goeds over mijn karakter, maar zelden genoot ik meer van andermans pijn. Alles was goed. Het voorkruipen. Het glippen. De vlakke dreun. De lucht die uit de longen werd geperst. De winterzon, de blauwe lucht, de mezen in het riet. Het was dat ik geen stoel bij me had, anders was ik er even bij gaan zitten.

Een paar keer riep de hoestende jogger keihard ‘fuck’, daarna krabbelde hij overeind en jogde rommelig verder, zonder iets te zeggen of me ook maar aan te kijken. Ik wachtte tot hij een meter of tien van me verwijderd was en riep hem na – ‘Hey! Hey!’ – tot hij zich omdraaide. ‘Voorzichtig, hoor!’ riep ik. ‘Het is hier glad!’

Meer over